Belastingrecht
WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde; taxatiewijzer
Gerechtshof Amsterdam, 12 maart 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1774 · Gerechtshof Amsterdam · 12 maart 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1774
Zaakgegevens
Op 12 maart 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 12 maart 2026
- Datum publicatie
- 3 juli 2026
- Zaaknummer
- 25/786
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1774
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
WOZ; gecorrigeerde vervangingswaarde; taxatiewijzer
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/786
12 maart 2026
uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] , gevestigd te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: G. Gieben)
tegen de uitspraak van 13 februari 2025 in de zaak met kenmerk AMS 24/1881 van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente [Z], de heffingsambtenaar.
1 Ontstaan en loop van het geding
De heffingsambtenaar heeft de WOZ-waarde van de onroerende zaak [straat 1] 175 te [Z] (het object) voor het kalenderjaar 2023 vastgesteld op € 325.000.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de WOZ-waarde van het object gehandhaafd.
Het daartegen ingestelde beroep heeft de rechtbank ongegrond verklaard.
In het daartegen ingestelde hoger beroep heeft de gemachtigde van belanghebbende een pro forma hogerberoepschrift, een motivering en een recente machtiging ingediend. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
Daartoe door het Hof in de gelegenheid gesteld heeft de heffingsambtenaar op 27 januari 2026 een nadere onderbouwing van de waarde van het object ingebracht. Belanghebbende heeft op 17 februari 2026 een nader stuk ingebracht.
Het Hof heeft partijen hierna op 19 februari 2026 gedurende twee weken in de gelegenheid gesteld een nadere zitting te verzoeken. Van deze gelegenheid hebben partijen geen gebruik gemaakt. Daarop heeft het Hof het onderzoek gesloten.
2 Feiten
Belanghebbende gebruikt het object als kinderdagverblijf. Het pand is gebouwd in 1905 en heeft een gebruiksoppervlakte van ongeveer 450 m².
3 Geschil in hoger beroep
In hoger beroep is in geschil of de WOZ-waarde van het object te hoog is vastgesteld.
4 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft onder andere het volgende overwogen (de heffingsambtenaar wordt in de uitspraak van de rechtbank aangeduid als ‘verweerder’):
“8.1. De rechtbank overweegt dat indien beide partijen voor de vaststelling van de
GVW de richtlijnen van een [bedrijf 1] tot uitgangspunt nemen, uit de rechtspraak van de
Hoge Raad volgt dat de partij die van die richtlijnen wil afwijken, de gronden daarvoor moet
stellen en bij betwisting aannemelijk maken. Eiseres stelt zich op het standpunt dat voor de
levensduur moet worden aangesloten bij de [bedrijf 1] en heeft voor het overige — met
uitzondering van de restwaarde - de taxatie van de heffingsambtenaar op basis van de
richtlijnen van de [bedrijf 1] niet betwist. Anders dan de taxateur van eiseres ter zitting
heeft gesteld, heeft eiseres de richtlijnen van de [bedrijf 1] dus niet geheel afgewezen
maar de [bedrijf 1] alleen niet geaccepteerd als onderbouwing van de restwaarde. De
rechtbank volgt het oordeel van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden3 dat eiseres daarmee -
net als de heffingsambtenaar - voor de vaststelling van de GVW van het pand de richtlijnen
van de [bedrijf 1] als uitgangspunt heeft genomen. Dat betekent dat op eiseres de
bewijslast rust voor de door haar gestelde lagere restwaarde en op de heffingsambtenaar
voor de verlengde levensduur voor de ruwbouw.
Restwaarde
Eiseres stelt dat de restwaarde van zowel de ruwbouw, als de afbouw en de
installaties van het pand, in afwijking van de [bedrijf 1] , op 10% van de bruto
vervangingswaarde moet worden gesteld. Eiseres heeft een rapport van [bedrijf 2] verstrekt
met daarin de bevindingen van een onderzoek naar de restwaarde van dagverblijven. In de
berekeningen van de restwaarde van de ter vergelijking aangedragen transacties komt
[bedrijf 2] tot restwaardepercentages van 0% tot 14,3%. Volgens [bedrijf 2] resulteert dit in een
gemiddelde restwaarde van 10%. In de rechtspraak is al meerdere keren geoordeeld dat niet
duidelijk is hoe deze lage restwaardepercentages tot stand zijn gekomen.4 De rechtbank ziet
geen aanleiding om in dit geval tot een ander oordeel te komen. De rechtbank is dan ook van
oordeel dat eiseres er niet in is geslaagd om de door haar voorgestane restwaarde
aannemelijk te maken.
Levensduur
Verder is de rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar de feiten en
omstandigheden aannemelijk heeft gemaakt die leiden tot een aanpassing van de in de
[bedrijf 1] opgenomen richtsnoeren inzake de technische levensduur van de ruwbouw
van het pand. Eiseres heeft niet betwist - en op grond van de stukken is aannemelijk - dat
het pand op en na de waardepeildatum ongewijzigd in gebruik is gebleven als
kinderdagverblijf, aan de daaraan te stellen eisen voldoet, en voor eiseres dezelfde functie is
blijven vervullen. Dit, terwijl de in de [bedrijf 1] tot uitgangspunt genomen levensduur
van de ruwbouw zonder aanpassing al meer dan 60 jaar vóór de waardepeildatum zou zijn
geëindigd. Weliswaar is niet gebleken dat een recente renovatie of ingrijpende verbouwing
van het pand heeft plaatsgevonden, maar kennelijk is het pand in de loop der tijd steeds
goed onderhouden en op onderdelen gemoderniseerd om te blijven voldoen aan de aan een
kinderdagverblijf te stellen eisen. Dat het pand daardoor op de waardepeildatum niet in een
technisch (nagenoeg) volledig afgeschreven toestand verkeerde maar de resterende
technische levensduur van de ruwbouw op dat moment (ten minste) kan worden gesteld op
negen jaar is daarmee voldoende aannemelijk.
Conclusie
Gelet op wat hiervoor is overwogen — en nu de overige uitgangspunten die de
heffingsambtenaar heeft gehanteerd niet in geschil zijn - concludeert de rechtbank dat de
heffingsambtenaar is geslaagd in de op hem rustende bewijslast dat hij de WOZ-waarde van
het pand op de waardepeildatum 1 januari 2022 niet te hoog heeft vastgesteld. Het beroep is
ongegrond.
Voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten is
geen aanleiding. De beroepsgrond van eiseres met betrekking tot de toepassing van artikel
30a van de Wet WOZ behoeft daarom geen bespreking.”
5 Beoordeling van het geschil
Het Hof stelt het volgende voorop:
- Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend, indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Deze waarde is naar de bedoeling van de wetgever "de prijs welke door de meestbiedende koper besteed zou worden bij aanbieding ten verkoop op de voor de zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding”.
- Het derde lid van bedoeld artikel vormt op deze waardebepaling naar de waarde in het economische verkeer een uitzondering. Voor bepaalde onroerende zaken wordt de waarde onder deze uitzondering bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde.
- De hiervoor bedoelde uitzondering is slechts van toepassing indien deze waardebepaling leidt tot een hogere waarde dan de waarde die volgt uit het tweede lid. Met andere worden dient de waarde van een onroerende zaak slechts bepaald te worden op de gecorrigeerde vervangingswaarde indien deze waarde hoger is dan de waarde in het economisch verkeer van de volle en onbezwaarde eigendom van de onroerende zaak.
Partijen hebben beiden de door hen voorgestane waarde van het object onderbouwd door daarvan de gecorrigeerde vervangingswaarde te bepalen. Daarbij heeft de heffingsambtenaar zich aangesloten bij de [bedrijf 1] opgesteld in opdracht van de vereniging Nederlandse gemeenten (VNG). Aan de hand daarvan komt hij tot een waarde van € 325.000 (incl. BTW).
Belanghebbende sluit zich slechts deels aan bij de [bedrijf 1] , maar aanvaardt nadrukkelijk niet de restwaarden en de levensduurverlengingen die de heffingsambtenaar hanteert (zie onderdelen 8.2 en 8.3 van de uitspraak van de rechtbank). Belanghebbende komt tot een waarde van € 170.000.
De heffingsambtenaar heeft ter zitting in hoger beroep naar aanleiding van vragen van het Hof de stelling betrokken dat de waarde in het economisch verkeer van het object de door hem bepaalde gecorrigeerde vervangingswaarde daarvan ontstijgt. Indachtig het in 5.1 vooropgestelde heeft het Hof hem de gelegenheid geboden deze stelling te onderbouwen. Hiertoe heeft de heffingsambtenaar zijn nader stuk ingebracht (zie 1.6), waarin hij de waarde van het object nader onderbouwd aan de hand van de huurwaardekapitalisatiemethode. Hij heeft hiertoe de huurwaarde voor de onroerende zaak bepaald door de huurwaardes van een drietal vergelijkingsobjecten te analyseren. De door hem daaruit afgeleide huurwaarde van het object heeft hij vermenigvuldigd met een kapitalisatiefactor die hij heeft afgeleid van de verkoopcijfers van een vijftal vergelijkbare objecten (het betreft drie crèches, een kinderdagverblijf en een hogeschool). Hij komt hiermee tot een waarde van het object van € 1.008.000, ruim het drievoudige van de WOZ-waarde.
De door de heffingsambtenaar voor het bepalen van de huurwaarde gehanteerde vergelijkingsobjecten zijn in gebruik als kantoor (twee objecten) respectievelijk als sportzaal. Met dit verschil in gebruik heeft de heffingsambtenaar rekening gehouden door een aanzienlijk lagere huur voor het object in aanmerking te nemen; de gemiddelde huur van de vergelijkingsobjecten bedraagt € 338/m2, voor het object heeft de heffingsambtenaar gerekend met een huur van € 172/m2.
Enkele van de door de heffingsambtenaar gehanteerde verkooptransacties zijn wat verder afgelegen van de waardepeildatum; twee vergelijkingsobjecten zijn binnen een jaar van de waardepeildatum verkocht, twee binnen twee jaar en de vijfde is ruim 2½ na de waardepeildatum verkocht. De gemiddelde kapitalisatiefactor die uit deze verkopen volgt is 17,5. Bij de waardebepaling van het object heeft de heffingsambtenaar een kapitalisatiefactor gehanteerd van 12,5, hetgeen ruimschoots lager is dan de laagste (15,3) van de vijf factoren die hij uit de verkooptransacties heeft afgeleid.
Het Hof is van oordeel dat de heffingsambtenaar met de inbreng van het nadere stuk van 27 januari 2026 alsnog heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast aannemelijk te maken dat hij de WOZ-waarde niet te hoog heeft vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof zijn de door de heffingsambtenaar gebruikte gegevens daartoe toereikend. Gelet op het aanzienlijke verschil, van € 683.000, tussen de door de heffingsambtenaar afgeleide werkelijke waarde en de WOZ-waarde van het object acht Hof voorts ruimschoots voldoende compensatie aanwezig voor de omstandigheden dat de voor de huurwaarde gebruikte vergelijkingsobjecten een ander gebruik kennen en dat enkele van de verkooptransacties wat verder van de waardepeildatum zijn verwijderd.
Het Hof voegt hieraan het volgende toe. Eén van de door de heffingsambtenaar ingebrachte verkooptransacties betreft [straat 2] 84 te [Z] (het vergelijkingsobject beslaat de begane grond en het souterrain van [straat 2] 82, 84 en 86). Deze onroerende zaak is in gebruik als crèche, is gelegen in een mindere buurt dan het object en kent een ongeveer gelijke gebruiksoppervlakte (475 m2). Het is binnen een jaar na de waardepeildatum verkocht voor € 1.500.000. Naar het oordeel van het Hof is enkel deze verkooptransactie reeds voldoende om aannemelijk te achten dat de WOZ-waarde van € 325.000 van het object niet te hoog is vastgesteld. De overige door de heffingsambtenaar ingebrachte vergelijkingsobjecten bieden steun aan dit oordeel. In hetgeen belanghebbende hier tegenover heeft gesteld in haar nadere stuk van 17 februari 2026 ziet het Hof geen aanleiding daar anders over te oordelen.
Nu de door partijen op basis van het derde lid van artikel 17 van de Wet WOZ bepaalde waardes niet hoger zijn dan de waarde bepaald op basis van het tweede lid daarvan, missen de eerstbedoelde waardebepalingen belang in dit geschil gelet op het in 5.1 vooropgestelde. Het Hof zal daar dan ook aan voorbijgaan. Al hetgeen belanghebbende overigens heeft ingebracht leidt niet tot een ander oordeel.
Slotsom
De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6 Kosten
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
7 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. J-P.R. van den Berg, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen als griffier. De beslissing is op 12 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
-
bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
-
(alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
-
het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
-
de naam en het adres van de indiener;
-
de dagtekening;
-
een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
-
e gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: