Belastingrecht

Verzoek voorlopige voorziening; artikel 8:42 Awb

Gerechtshof Amsterdam, 24 september 2026

Zaakgegevens

Op 24 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
24 september 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
26/683 t/m 26/688
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2874
E-mail

Samenvatting

Verzoek voorlopige voorziening; artikel 8:42 Awb

Procesgang

  1. Rechtbank Noord-Holland · 19 december 2025

    ECLI:NL:RBNHO:2025:16031
  2. Gerechtshof Amsterdam · 24 september 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2874

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerken 26/683 t.e.m. 26/688

24 september 2026

tweede meervoudige belastingkamer, fungerende als voorzieningenrechter

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak als bedoeld in art. 8:84 lid 1 Awb op het verzoek als bedoeld in art. 8:81 Awb van

mr. [X] , wonende te [Z] , belanghebbende

in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur

betreffende het door belanghebbende ingestelde hoger beroep tegen de uitspraaken van 19 december 2025 in de zaak met kenmerken HAA 23/5388, HAA 23/5389. HAA 23/5390, HAA 23/5391, HAA 23/5385 en HAA 23/5386 van de rechtbank Noord-Holland (hierna: de rechtbank), bij het Hof bekend onder de kenmerken 26/220 t.e.m. 26/225

inzake de aan belanghebbende opgelegde navorderingsaanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna IB/PVV) en inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna Zvw) voor het jaar 2016, aanslagen IB/PVV en Zvw voor het jaar 2017, naheffingsaanslagen omzetbelasting over 2017 en 2018, de daarbij in rekening gebrachte belastingrente en de bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 opgelegde verzuimboete.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 september 2026, daarbij zijn verschenen belanghebbende en van de zijde van de inspecteur mrs. [naam 2] en [naam 3] .

Beslissing

Het Hof wijst het verzoek af.

Gronden

Het verzoek strekt er in essentie toe de inspecteur te gelasten de op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) over te leggen dan wel een (chronologisch vormgegeven) opgave/inventarislijst van alle op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen dan wel de inspecteur te gelasten deze stukken ongewijzigd te bewaren.

Bij de behandeling van het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft het Hof de inspecteur verzocht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan het Hof te doen toekomen, voor zover die stukken zich nog niet in het dossier van de bodemprocedure (BK-AMS 26/220 e.v.) bevinden.

De inspecteur heeft bij het verweerschrift ingediend in het kader van het verzoek van belanghebbende één bijlage gevoegd (controle-opdracht met e-mail) en daarnaast op 23 september een op 21 september 2026 genomen beschikking op het AVG-verzoek van belanghebbende, bijbehorende e-mail inzake art. 66a AWR, en een procesvolmacht van [naam 1] . De inspecteur heeft voor het overige gemotiveerd betoogd dat aan de wettelijke verplichting tot het overleggen van de op de zaak betrekking hebbende stukken al is voldaan.

De inspecteur dient de op de zaak betrekking hebbende stukken over te leggen. Dat zijn alle stukken die de inspecteur ter raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan en die van belang kunnen zijn voor de beslechting van de nog bestaande geschilpunten (vgl. HR 31 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:492). Een beslissing van de voorzieningenrechter inhoudende dat de inspecteur dat moet doen, voegt niets toe. Het is aan de rechter die de bodemzaak behandelt te beoordelen of de inspecteur in het bij het Hof aanhangige hoger beroep alle op de zaak betrekking hebbende stuken heeft overgelegd en om indien dit niet het geval is te bepalen welke gevolgtrekkingen daaraan moeten worden verbonden (art. 8:31 Awb). Het geven van een oordeel hierover door de voorzieningenrechter neemt, behoudens bijzondere omstandigheden die het Hof in dit geval niet ziet, een te groot voorschot op de behandeling van het bodemgeschil.

Overigens geldt dat de inspecteur – hoewel daartoe een wettelijke verplichting bestaat – kan (blijven) weigeren stukken over te leggen, zei het dat hij dan geconfronteerd wordt met consequenties voortvloeiende uit art. 8:31 Awb (vgl. HR 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600 – de zgn. tipgeverszaak).

Daarnaast overweegt het Hof dat het gelet op het hiervoor overwogene evenmin aannemelijk is gemaakt dat in dezen sprake is van een spoedeisend belang.

Het Hof ziet geen reden anders te oordelen ten aanzien van hetgeen belanghebbende subsidiair en meer subsidiair heeft verzocht.

Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening moet gelet op het vorenoverwogene worden afgewezen.

Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van deze voorlopigevoorzieningprocedure.

De mondelinge uitspraak is gedaan op 24 september 2026 door mrs. F.J.P.M. Haas, voorzitter, W.J. Blokland en M. Ferrier, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. H.A.S. Roozeboom als griffier. Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier. De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open