Civiel recht overig
Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Kamer heeft verzet klaagster tegen voorzittersbeslissing ongegrond…
Gerechtshof Amsterdam, 16 februari 2021
ECLI:NL:GHAMS:2021:318 · Gerechtshof Amsterdam · 16 februari 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2021-318
Zaakgegevens
Op 16 februari 2021 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 februari 2021
- Datum publicatie
- 10 februari 2021
- Zaaknummer
- 200.278.694/01 GDW
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2021:318
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Klacht tegen een gerechtsdeurwaarder. Kamer heeft verzet klaagster tegen voorzittersbeslissing ongegrond verklaard. Rechtsmiddelenverbod van artikel 39 lid 4 Gdw. Geen sprake van een uitzondering. Klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.278.694/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/672477 / DW RK 19/503
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 16 februari 2021
inzake
[klaagster] ,
wonend te [woonplaats] ,
appellante,
tegen
[gerechtsdeurwaarder] ,
gerechtsdeurwaarder te [plaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: [gemachtigde] .
Partijen worden hierna klaagster en de gerechtsdeurwaarder genoemd.
1 Het geding in hoger beroep
Klaagster heeft op 13 mei 2020 een beroepschrift - met bijlage - bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing op verzet van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 14 april 2020. Op 7 juli 2020 heeft klaagster bij het hof een aanvullend beroepschrift - met bijlagen - ingediend. Het bepaalde in artikel 45 lid 1 van de Gerechtsdeurwaarderswet (hierna: Gdw) brengt met zich dat dit aanvullende beroepschrift niet tijdig is ingediend. Dit is aan klaagster bij brief van het hof van 9 juli 2020 medegedeeld. Het hof zal de inhoud van het aanvullende beroepschrift dan ook buiten beschouwing laten.
De gerechtsdeurwaarder heeft geen verweerschrift bij het hof ingediend.
Het hof heeft van de kamer de stukken van de eerste aanleg ontvangen.
Op 16 december 2020 heeft klaagster het hof geïnformeerd dat zij de op 17 december 2020 geplande zitting niet kon bijwonen wegens ziekte.
Met schriftelijke instemming van beide partijen doet het hof de zaak af zonder mondelinge behandeling.
2 De ontvankelijkheid van klaagster in het hoger beroep
Klaagster heeft bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd. De voorzitter van de kamer heeft bij beslissing van 10 september 2019 de klacht als kennelijk nietontvankelijk afgewezen. Tegen die beslissing heeft klaagster tijdig verzet ingesteld bij de kamer. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 3 maart 2020. Vervolgens heeft de kamer bij de bestreden beslissing van 14 april 2020 het verzet ongegrond verklaard.
Artikel 39 lid 4 Gdw bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing waarvan beroep. Van het in voormeld wetsartikel opgenomen rechtsmiddelenverbod kan slechts worden afgeweken, indien bij de totstandkoming van de beslissing een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd, dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet kan worden gesproken.
Klaagster heeft niet gesteld welk fundamenteel rechtsbeginsel zou zijn geschonden. Dat de kamer volgens klaagster de driejaarstermijn voor het indienen van een klacht op onjuiste wijze heeft toegepast, kan niet als een dergelijke schending worden beschouwd. Het hof constateert ook ambtshalve geen schending. Daarom is er geen reden om af te wijken van de regel dat voor klaagster geen hoger beroep openstaat tegen de beslissing van de kamer die het verzet ongegrond heeft verklaard.
Het voorgaande leidt ertoe dat klaagster niet kan worden ontvangen in haar hoger beroep.
3 Beslissing
Het hof verklaart klaagster niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen de beslissing van de kamer van 14 april 2020.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 16 februari 2021 door de rolraadsheer.