Civiel recht overig

Zekerheid voor proceskosten. Onvoldoende betwisting van de toepasselijkheid van art. 224 Rv.

Gerechtshof Amsterdam, 7 juni 2022

Zaakgegevens

Op 7 juni 2022 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
7 juni 2022
Datum publicatie
7 juni 2022
Zaaknummer
200.280.888/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R Sekeris te Rotterdam, mr. N.J Meuwese te ’s-Hertogenbosch, mr. C.C.M. van Gisbergen te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2022:1710
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Zekerheid voor proceskosten. Onvoldoende betwisting van de toepasselijkheid van art. 224 Rv.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

afdeling civiel recht en belastingrecht, team I

zaaknummer : 200.280.888/01

zaaknummer rechtbank Amsterdam : C/13/667474/ HA ZA 19-610

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 7 juni 2022

inzake

1 [appellant 1] ,

2. [appellant 2],

3. [appellant 3],

4. [appellant 4]als wettelijk vertegenwoordiger van:

a. [appellant 5],

b. [appellant 6],

allen wonende te [woonplaats] ,

appellanten in de hoofdzaak,

verweerders in het incident,

advocaat: mr. R. Sekeris te Rotterdam,

tegen

1 FONDAZIONE AUTONOMA PER LO STUDIO DELL'ORIENTE,

gevestigd te Vaduz (Liechtenstein),

geïntimeerde in de hoofdzaak,

eiseres in het incident,

advocaat: mr. N.J. Meuwese te ’s-Hertogenbosch,

2. CANAL VIEW B.V.,

3. ACC DUTCH PROPERTY FUND I B.V.,

beide gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerden in de hoofdzaak,

eiseressen in het incident,

advocaat: mr. C.C.M. van Gisbergen te Amsterdam.

1 Het geding in hoger beroep

Partijen worden hierna [appellanten] en FASO c.s. genoemd. [appellanten] worden ieder afzonderlijk aangeduid als [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] , [appellant 4] , [appellant 5] en [appellant 6] . FASO c.s. worden ieder afzonderlijk als FASO, Canal View en ACC aangeduid. Canal View en ACC tezamen worden Canal View c.s. genoemd.

[appellanten] zijn bij dagvaarding van 4 mei 2020 in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Amsterdam onder bovenstaand zaak-/rolnummer gewezen (eind)vonnis van 5 februari 2020 tussen [appellanten] als eisers in conventie, verweerders in reconventie, en FASO c.s. als gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie. Canal View en ACC hebben op 10 juli 2020 een anticipatie-exploot uitgebracht onder intrekking en buiten effectstelling van het anticipatie-exploot als uitgebracht op 24 juni 2020.

Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:

- memorie van grieven van [appellanten] ;

- incidentele vordering strekkende tot zekerheidsstelling ex artikel 224 juncto 353 van

het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), met producties, van FASO;

- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten, met een productie,

van Canal View en ACC;

- conclusie van antwoord in de incidenten van [appellanten]

Vervolgens is arrest in de incidenten gevraagd.

FASO heeft incidenteel gevorderd dat het hof [appellanten] zal bevelen zekerheid te stellen voor de proceskosten (in het incident en in de hoofdzaak) aan de zijde van FASO door het stellen van een bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse kredietinstelling.

Canal View c.s. hebben incidenteel gevorderd dat het hof [appellanten] zal bevelen tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten waartoe Canal View c.s. veroordeeld zouden kunnen worden, in de vorm van een na het arrest van het hof met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard proceskostenveroordeling afroepbare bankgarantie van een gerenommeerde Nederlandse handelsbank.

FASO c.s. hebben veroordeling van [appellanten] in de kosten van dit incident, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd.

[appellanten] hebben geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vorderingen, met veroordeling van FASO c.s. in de kosten van het incident.

2 Beoordeling

in de incidenten

2.1.

Op grond van artikel 224 lid 1 Rv dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt, op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan hij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. Deze bepaling is op grond van artikel 353 lid 1 Rv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat – zo volgt uit het tweede lid van dat artikel – in hoger beroep van de oorspronkelijk gedaagde geen zekerheid kan worden gevorderd, ook niet als deze in hoger beroep (principaal of incidenteel) appellant is.

2.2.

FASO c.s. stellen dat [appellanten] formeel woonachtig zijn in [plaats] , maar dat hun feitelijke woon- en verblijfplaatsen onbekend zijn, en dat geen van de uitzonderingssituaties als bedoeld in artikel 224 lid 2 Rv, op basis waarvan [appellanten] geen zekerheid zouden behoeven te stellen, zich voordoet.

2.3.

[appellanten] betwisten niet dat zij geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Nu zij in eerste aanleg eisende partij (in conventie) waren, betekent dit dat zij ingevolge het bepaalde in artikel 224 lid 1 Rv in beginsel verplicht zijn tot het stellen van zekerheid voor de proceskosten. [appellanten] beroepen zich echter op de in artikel 224 lid 2 aanhef en sub a Rv genoemde uitzondering waarin geen verplichting tot het stellen van zekerheid bestaat.

2.4.

[appellanten] stellen dat [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 6] domicilie in Japan hebben en dat [appellant 5] woonplaats heeft in Italië.

2.5.

Ten aanzien van [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 6] wordt als volgt overwogen. Zowel Japan als Nederland is partij bij het – door het hof ambtshalve toe te passen – Haags Rechtsvorderingsverdrag. [appellanten] beroepen zich op artikel 17 lid 1 van het Haags Rechtsvorderingsverdrag, dat luidt:

“Geen zekerheidstelling of dépôt, onder welke benaming ook, kan op grond hetzij van hun hoedanigheid van vreemdelingen, hetzij van gemis van domicilie of verblijfplaats in het land, worden opgelegd aan de onderdanen van een der verdragsluitende Staten, die in een dier Staten hun domicilie hebben, wanneer zij als eiseres of tussenkomende partij voor de rechtbanken van een andere dier Staten optreden.”

2.6.

Uit voornoemd artikel vloeit voort dat [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en ( [appellant 4] als vertegenwoordiger van) [appellant 6] vrijgesteld zullen zijn van het stellen van zekerheid voor proceskosten in Nederland in het geval dat zij domicilie hebben in Japan en de Nederlandse en/of Japanse nationaliteit hebben. In dat geval beroepen zij zich terecht op de uitzondering van artikel 224 lid 2 aanhef en sub a Rv. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen opdat [appellant 1] , [appellant 2] , [appellant 3] en [appellant 6] bij akte de gestelde domicilie in Japan met (bewijs)stukken zoals een Japans bewijs van inschrijving onderbouwen en zich, gestaafd met een paspoort of ander identiteitsbewijs, uitlaten over de vraag of zij de Nederlandse en/of Japanse nationaliteit hebben. Vervolgens zullen FASO c.s. daarop mogen reageren.

2.7.

Ten aanzien van [appellant 5] overweegt het hof als volgt. Ingevolge artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv bestaat zoals gezegd geen verplichting tot het stellen van zekerheid, indien dit voortvloeit uit een verdrag of EG-verordening. Artikel 14 van het Verdrag inzake de toegang tot de rechter in internationale gevallen (hierna: het Verdrag) bepaalt, kort gezegd, dat geen zekerheidsstelling mag worden opgelegd aan personen die hun gewone verblijfplaats hebben in een Verdragsluitende staat, wanneer zij als eiser optreden voor de rechter van een andere Verdragsluitende staat. Indien juist is dat zij woonplaats domicilie heeft in Italië, dan behoeft ( [appellant 4] als wettelijk vertegenwoordiger van) [appellant 5] – zo oordeelt het hof – op grond van het bepaalde in artikel 224 lid 2 aanhef en onder a Rv jo. artikel 14 van het Verdrag geen zekerheid te stellen, omdat Nederland en Italië partij zijn bij het Verdrag.

Het hof bepaalt daarom dat [appellant 5] haar stelling dat zij thans in Italië woonachtig is nader dient te onderbouwen en verzoekt zich uit te laten door bij de onder 2.6 bedoelde akte ook het overleggen van nadere (bewijs) stukken daarvan te overleggen, zoals een Italiaans bewijs van inschrijving, en een paspoort of ander identiteitsbewijs.

2.8.

De zaak zal naar de rol worden verwezen voor een akte uitlaten en overlegging producties van [appellanten] Hierna zal het hof FASO c.s. in de gelegenheid stellen op deze stelling en/of deze stukken te reageren.

in de incidenten en in de hoofdzaak

2.9.

Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden.

3 Beslissing

Het hof:

in het incident:

verwijst de zaak naar de rol van 21 juni 2022 voor het nemen van een akte door [appellanten] , als hiervoor onder 2.6 en 2.7 vermeld;

bepaalt dat FASO c.s. daarop bij akte zullen mogen reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan;

in de hoofdzaak:

houdt iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Alwin, R.J.M. Smit en J.C. Toorman en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 7 juni 2022.