Civiel recht overig

Hof bekrachtigt machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij de vader. De positieve ontwikkeling van de…

Gerechtshof Amsterdam, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
200.368.043/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. A. Kilinç te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2052
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Hof bekrachtigt machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige bij de vader. De positieve ontwikkeling van de moeder is nog onvoldoende bestendig om de minderjarige bij haar terug te plaatsen. Huidige omgang enkel mogelijk met intensieve begeleiding en binnen duidelijke kaders.

Artikel: 1:265b BW en 1:265c lid twee BW

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.368.043/01

zaaknummer rechtbank: C/13/771397 / JE RK 25-457

beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van

[de moeder] ,

wonende op een bij het hof bekend adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. A. Kilinç te Amsterdam,

en

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,

gevestigd te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de GI.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] , geboren [in] 2018, hierna: [minderjarige] ;

- [de vader] , wonende op een bij het hof bekend adres, hierna: de vader,

bijgestaan door advocaat mr. M.G.C. van Riet.

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

1.1

De zaak gaat over verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (7 jaar oud). De kinderrechter heeft de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd tot

26 augustus 2026.

1.2

De moeder is het daar niet mee eens en wil dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] eindigt, dan wel dat de machtiging in duur wordt beperkt. De GI en de vader zijn het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De moeder is op 24 april 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna:

de kinderrechter).

2.2

De GI heeft op 22 mei 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- op 8 juli 2026 een bericht van de GI, met bijlagen;

- op 13 juli 2026 een bericht van de moeder, met bijlagen.

2.4

De zitting heeft op 14 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- twee vertegenwoordigsters namens de GI;

- namens de vader zijn advocaat, mr. van Riet;

- de raad, vertegenwoordigd door V. D. Aelbers.

2.5

De advocaat van de moeder heeft ter zitting in hoger beroep bezwaar gemaakt tegen het betrekken van het op 8 juli 2026 ingekomen bericht met bijlagen van de GI in de beoordeling. De bijlagen betreffen de twee verzoekschriften aangaande [minderjarige] die de GI op 7 juli 2026 bij de rechtbank heeft ingediend.

De advocaat van de moeder heeft aangevoerd dat het bericht met bijlagen niet binnen de in het procesreglement genoemde termijn van tien kalenderdagen vóór de mondelinge behandeling is ingediend.

De GI heeft aangevoerd dat zij tot en met 6 juli 2026 voor de verzoekschriften relevante overleggen en (intake)gesprekken heeft gevoerd en dat de verzoekschriften eerst op 7 juli 2026 bij de rechtbank zijn ingediend. Het bericht met bijlagen kon daarom redelijkerwijs niet eerder dan 8 juli 2026 aan het hof worden toegezonden.

Het hof heeft ter zitting medegedeeld het bericht met bijlagen van de GI bij de beoordeling te betrekken. Gelet op de aard en de inhoud van de bijlagen en nu de moeder voldoende gelegenheid heeft gehad een verweer voor te bereiden en ter zitting op de stukken te reageren, is het hof van oordeel dat geen sprake is van strijd met de goede procesorde.

2.6

De moeder heeft op 13 juli 2026 per e-mail een bericht met bijlagen aan het hof toegezonden. Dit bericht is niet door een advocaat ingediend en voldoet daarmee niet aan de eisen van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven.

Het hof heeft de moeder bij e-mail van 13 juli 2026 bericht dat het stuk om die reden niet in de beoordeling wordt betrokken en buiten beschouwing blijft.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren [in] 2018 te [plaats B] .

De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

3.2

[minderjarige] heeft van 10 februari 2021 tot 7 november 2023 onder toezicht gestaan van de GI.

3.3

Bij beschikking van 26 augustus 2024 is [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 26 augustus 2025, welke bij beschikking van 25 juli 2025 is verlengd tot 26 augustus 2026.

3.4

Bij beschikking van 27 maart 2025 heeft de kinderrechter met spoed een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend voor de duur van twee weken. Bij beschikking van

3 april 2025 is, aansluitend op voornoemde spoedmachtiging, een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verleend tot 26 augustus 2025.

3.5

De machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf bij de vader is bij beschikking van

25 juli 2025 verlengd voor zes maanden, tot 26 februari 2026. Het overige deel van het verzoek van de GI is aangehouden tot een nader te bepalen datum en tijdstip, gelegen vóór 26 februari 2026.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, op verzoek van de GI, de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader verlengd voor zes maanden, te weten tot 26 augustus 2026.

4.2

De moeder verzoekt in hoger beroep:

1. de bestreden beschikking te vernietigen voor zover de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd en opnieuw rechtdoende de uithuisplaatsing te beëindigen;

2. dan wel de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] te beperken;

3. dan wel een beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3

De GI verzoekt het hoger beroep van de moeder ongegrond te verklaren, haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De standpunten

5.1

De moeder kan zich verenigen met de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , maar stelt dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] heeft verlengd. De zorgen die aan de uithuisplaatsing ten grondslag lagen zijn grotendeels weggenomen en de in het kader van de ondertoezichtstelling geformuleerde doelen zijn voor het merendeel bereikt. De uithuisplaatsing is niet langer noodzakelijk. De moeder is sinds augustus 2025 uit detentie en haar situatie is grotendeels verbeterd. De moeder werkt mee aan hulpverlening van Inforsa en Actief & Advies en zij staat open voor verdere hulpverlening en onderzoek. Het contact met de vader verloopt, gelet op het contact- en locatieverbod van de moeder ten aanzien van de vader, via de advocaten van de ouders en de overdracht gaat via school. De moeder ervaart daarin geen problemen. De omgang met [minderjarige] verloopt positief en sinds juni 2026 is [minderjarige] twee nachten per week bij de moeder. De moeder is betrokken bij de school van [minderjarige] , zijn zwemles, sport en sociale contacten. [minderjarige] heeft behoefte aan meer contact en de moeder stelt dat zij weer in staat is de dagelijkse zorg en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. Een uithuisplaatsing is een ingrijpende maatregel en mag alleen worden ingezet als minder vergaande maatregelen niet toereikend zijn. Er is onvoldoende door de GI en de kinderrechter onderzocht of een thuisplaatsing van [minderjarige] mogelijk is, met inzet van hulpverlening binnen de ondertoezichtstelling. De uithuisplaatsing is daarmee in strijd met artikel 8 EVRM.

Verder betwist de moeder dat zij [minderjarige] belast met uitlatingen over wanneer hij weer bij haar komt wonen. De moeder heeft slechts aangegeven dat zij zich inzet voor de wens van [minderjarige] om meer bij haar te zijn. [minderjarige] wordt juist belast doordat er geen duidelijk (stappen)plan van de GI is voor een thuisplaatsing.

5.2

De GI voert verweer en stelt dat de machtiging tot uithuisplaatsing nog steeds noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . De zorgen rondom [minderjarige] zijn langdurig en ernstig van aard. De GI ziet dat de moeder stappen heeft gezet en het contact tussen de moeder en [minderjarige] verloopt positief. De uitbreiding van de omgang naar twee overnachtingen per week is echter alleen mogelijk doordat deze plaatsvindt binnen duidelijke kaders. De machtiging tot uithuisplaatsing zorgt ervoor dat deze afspraken gemaakt en uitgevoerd kunnen worden. Daarnaast heeft de GI zorgen over het gebrek aan inzicht van de moeder in haar eigen aandeel in de ontstane problematiek. De moeder doet uitspraken die belastend zijn voor [minderjarige] . De GI acht het van belang dat de komende periode wordt benut om verder te onderzoeken welk opvoedperspectief het meest in het belang is van [minderjarige] en welke rol de moeder daarin vervult. De GI heeft op 7 juli 2026 een verzoek bij de rechtbank ingediend om de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlengen tot 25 augustus 2027.

5.3

De advocaat van de vader heeft namens de vader ter zitting het volgende aangevoerd. De vader sluit zich aan bij het standpunt van de GI en acht de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk. De moeder heeft vooruitgang geboekt en de vader acht het van belang dat [minderjarige] contact met zijn moeder heeft. Ondanks de gebeurtenissen in het verleden tussen de ouders en het in mei 2026 opgelegde contactverbod van de moeder ten aanzien van de vader, is de vader bereid mee te werken aan verdere uitbreiding van het contact tussen de moeder en [minderjarige] . Het zal tijd kosten tot de vader de moeder weer kan vertrouwen. Het is van belang dat er eerst meer duidelijkheid ontstaat over de mogelijkheden en de grenzen van zowel de moeder als [minderjarige] , voordat de zorg voor [minderjarige] verder verdeeld kan worden.

5.4

De raad heeft ter zitting geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. De raad acht het voor [minderjarige] van belang dat hij rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid ervaart. Dat [minderjarige] aangeeft meer bij zijn moeder te willen zijn, betekent niet zonder meer dat hij bij de moeder kan worden teruggeplaatst. [minderjarige] is, gelet op zijn leeftijd, nog onvoldoende in staat de gevolgen van zijn wensen en uitspraken te overzien. Verder ziet de raad dat de moeder stappen heeft gezet en dat zij zich positief inzet voor [minderjarige] . Tegelijkertijd is het van belang dat de moeder leert aansluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft, door hem niet te belasten met uitspraken over de uithuisplaatsing of de strijd tussen de ouders. Het perspectief van [minderjarige] dient leidend te zijn waarbij zorgvuldig onderzocht moet worden welke uitbreiding van het contact en welke opvoedsituatie – op langere termijn – in zijn belang is.

De beoordeling

Het wettelijk kader

5.5

Uit artikel 1:265b, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter de gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, die belast is met de uitvoering van de ondertoezichtstelling, op haar verzoek kan machtigen de minderjarige gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

Uit artikel 1:265c, tweede lid, BW volgt dat de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling de duur telkens met een jaar kan verlengen.

5.6

Het hof overweegt als volgt. Beoordeeld moet worden of de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader ten tijde van de bestreden beschikking noodzakelijk was in het belang van zijn verzorging en opvoeding en of die noodzaak op dit moment nog bestaat.

Uit de stukken in het dossier en het besprokene ter zitting blijkt het volgende. Sinds de geboorte van [minderjarige] in 2018 bestaan er bij hulpverleningsinstanties zorgen over zijn emotionele veiligheid in de thuissituatie bij de moeder. De GI is sinds 20 juni 2019 betrokken in het vrijwillig (preventief) kader en in de loop van de jaren zijn meerdere vormen van vrijwillige hulpverlening en kinderbeschermingsmaatregelen ingezet. De hulpverlening was erop gericht de ouders beter te laten communiceren en samenwerken, de strijd tussen hen te verminderen en de emotionele veiligheid van [minderjarige] te waarborgen. Ondanks de langdurige inzet van hulpverleningstrajecten werden de zorgen niet structureel weggenomen. De hulpverlening in het vrijwillig kader kwam niet van de grond en [minderjarige] heeft van 22 februari 2021 tot 7 november 2023 onder toezicht gestaan van de GI. Verschillende instanties zoals SamenDoen, HVO, Altra, PuurZuid en het OuderKindTeam (OKT) zijn ingezet om tot verbetering van de situatie te komen. Meerdere hulpverleningstrajecten zijn echter vroegtijdig beëindigd onder meer omdat de samenwerking met de moeder niet tot stand kwam.

In de periode voorafgaand aan de uithuisplaatsing van [minderjarige] namen de zorgen opnieuw toe. In december 2024 is [minderjarige] als gevolg van het gedrag van de moeder van school verwijderd. De moeder bestookte de school met ongepaste berichten en beschuldigingen en zij kwam de gemaakte afspraken niet na. De overdracht van [minderjarige] tussen de ouders verliep via school en de moeder hield [minderjarige] thuis van school op wisseldagen om te voorkomen dat hij naar de vader zou gaan. De in het kader van de ondertoezichtstelling betrokken GI maakte zich grote zorgen over de psychische gesteldheid van de moeder en haar gedrag. Zo stuurde de moeder frequent e-mails naar betrokken partijen en instanties. De wijze en intensiteit van haar communicatie zette de samenwerking met (hulpverlenings)instanties onder druk en werd door de betrokken partijen als belastend ervaren. Ook sprak de moeder negatief over de vader waardoor bij [minderjarige] een toenemend loyaliteitsconflict ontstond.

Eind maart 2025 is de situatie geëscaleerd. De moeder heeft flyers opgehangen en verspreid met persoonlijke informatie van de vader rondom zijn woning. Zij heeft [minderjarige] betrokken bij het ophangen van de flyers. Op 26 maart 2025 liet de moeder [minderjarige] met de gezinsmanager bellen waarbij zij hem de instructie gaf te vertellen dat hij niet naar de vader wilde gaan. De GI vond het vanwege het gedrag van de moeder niet langer verantwoord [minderjarige] onbegeleid bij de moeder te laten zijn. [minderjarige] is op 27 maart 2025 met spoed uit huis geplaatst en verblijft sindsdien bij de vader.

In de zomer van 2025 heeft de moeder 40 dagen in voorlopige hechtenis gezeten en eind augustus 2025 is zij uit detentie gekomen. Bij vonnis van 6 mei 2026 is de moeder veroordeeld voor onder meer twee keer bedreiging tegen het leven (van onder meer de vader) gericht. Ook heeft de moeder voor de duur van drie jaar een contact- en locatieverbod ten aanzien van (de woning van) de vader. De precieze verblijfplaats van de vader en [minderjarige] is geheim voor de moeder.

5.7

Het hof ziet, net zoals de GI en de raad, dat de moeder sinds de uithuisplaatsing van [minderjarige] een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Zij heeft meer structuur in haar leven aangebracht en is na haar detentie gestart met behandeling bij Inforsa. De moeder heeft wekelijks gesprekken met haar behandelaar van Inforsa en met de reclasseringsambtenaar. Ook maakt zij sinds maart 2026 minder meldingen bij instanties. Vanaf de uithuisplaatsing is er gestart met één uur begeleide omgang van de moeder met [minderjarige] . Het heeft enige tijd geduurd tot de GI een passende partij vond voor de begeleiding van de omgang. Zo heeft het Verbindingshuis van Levvel de aanmelding afgewezen naar aanleiding van de persoonlijke problematiek van de moeder. In oktober 2025 is Actief & Advies bereid gevonden om de contactmomenten te begeleiden en vanaf november 2025 is voornoemde organisatie betrokken bij de omgang. In januari 2026 is de omgang uitgebreid naar twee uur bij de moeder thuis en in februari 2026 naar deels onbegeleide omgang. Ook brengt de moeder sindsdien [minderjarige] van en naar zwemles. In februari 2026 is het contact eenmalig opgeschort omdat de moeder zich niet aan afspraken hield door onder meer belastende uitspraken naar [minderjarige] te doen. Sinds juni 2026 verblijft [minderjarige] van dinsdag uit school tot donderdag naar school bij de moeder. De moeder bespreekt twee keer per week met Actief & Advies wat zij met [minderjarige] gaat doen en het veiligheidsplan wordt regelmatig met de moeder herhaald. Eens per maand vindt een evaluatie plaats met de moeder en de GI om te bespreken of (de frequentie van) het contact tussen [minderjarige] en de moeder passend is.

5.8

Aan het begin van de omgang werd door de hulpverlening gesignaleerd dat de emotionele afstemming tussen de moeder en [minderjarige] kwetsbaar was. [minderjarige] heeft duidelijke, voorspelbare begrenzing nodig. Uit de rapportage van Actief en Advies van januari 2026 blijkt dat de moeder inmiddels positieve stappen zet in het contact met [minderjarige] . De moeder is in staat beter aan te sluiten bij de belangen en behoeftes van [minderjarige] en zij spant zich zichtbaar in om de omgang goed te laten verlopen.

Deze positieve ontwikkeling neemt echter niet weg dat uit de rapportages van de GI en Actief & Advies volgt dat het goed laten verlopen van de omgang alleen mogelijk is binnen duidelijke en structureel gewaarborgde afspraken en kaders. Met intensieve begeleiding en geleidelijke uitbreidingen is het mogelijk de omgangsmomenten constructief te laten verlopen. Actief & Advies geeft aan dat het contact tussen de moeder en [minderjarige] kwetsbaar blijft in situaties waarin vooraf geen afstemming met de moeder heeft plaatsgevonden over de opbouw en de inhoud van de contactmomenten. Volgens de betrokken hulpverlening blijft het noodzakelijk om zicht te houden op het psychisch en emotioneel functioneren van zowel de moeder als [minderjarige] . Zonder deze afspraken en voorwaarden geeft de hulpverlening aan de emotionele veiligheid en stabiliteit van [minderjarige] niet te kunnen waarborgen.

Ook is het hof gebleken dat de moeder nog onvoldoende inzicht heeft in de omstandigheden die tot de uithuisplaatsing hebben geleid en haar aandeel daarin. De moeder is geneigd [minderjarige] te betrekken bij onderwerpen die hem belasten, zo heeft de moeder [minderjarige] meegedeeld dat zij zal regelen dat hij weer bij haar komt wonen. Hoewel het hof begrijpt dat deze uitlatingen voortkomen uit haar liefde voor [minderjarige] , sluit dit onvoldoende aan bij wat [minderjarige] op dit moment nodig heeft. Zoals ook de raad ter zitting heeft benadrukt, is [minderjarige] gelet op zijn leeftijd nog niet in staat de gevolgen van zijn uitspraken te overzien. Ook is het respecteren van de grenzen van [minderjarige] nog een uitdaging voor de moeder, met name in situaties waarin emoties oplopen of wanneer de moeder zelf spanning ervaart. Dit leidt tot verwarring en vergroot de emotionele belasting van [minderjarige] . Verder blijft het voor de GI en Actief & Advies een uitdaging om constructief met de moeder samen te werken.

5.9

Het hof volgt de moeder niet in haar stelling dat er met een ondertoezichtstelling en ambulante hulpverlening kan worden volstaan. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat er gedurende langere tijd verschillende vormen van hulpverlening en minder ingrijpende kinderbeschermingsmaatregelen zijn ingezet, maar de zorgen over de thuissituatie bij de moeder niet werden weggenomen. De zorgen over de emotionele belasting van [minderjarige] , zijn schoolgang, loyaliteitsconflict en de psychische gesteldheid van de moeder bleven bestaan. De uithuisplaatsing vormde daarom een ultimum remedium en was noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Bovendien biedt de huidige machtiging tot uithuisplaatsing het noodzakelijke kader waarbinnen de omgang veilig kan plaatsvinden. Binnen dat kader kunnen afspraken worden gemaakt, kan zo nodig door de GI worden bijgestuurd en kan de hulpverlening onmiddellijk interveniëren wanneer de situatie daarom vraagt. Juist dit kader maakt de huidige (uitbreiding van de) omgang mogelijk. Verder begrijpt het hof dat de moeder behoefte heeft aan duidelijkheid over het toekomstperspectief van [minderjarige] . Dat laat echter onverlet dat dit afhankelijk blijft van de ontwikkeling van [minderjarige] en de bestendigheid van de positieve ontwikkeling van de moeder. Het belang van [minderjarige] dient daarbij leidend te zijn.

5.10

Alles overwegende is het hof van oordeel dat ten tijde van de bestreden beschikking en nu nog steeds wordt voldaan aan de wettelijke vereisten van artikel 1:265b BW. De machtiging tot uithuisplaatsing is nog steeds noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Minder ingrijpende maatregelen dan een uithuisplaatsing bleken onvoldoende om voor [minderjarige] een veilige en stabiele thuissituatie bij de moeder te creëren. De positieve ontwikkeling van de moeder is nog onvoldoende bestendig om de verantwoordelijkheid voor de dagelijkse verzorging en opvoeding van [minderjarige] volledig bij haar neer te leggen. Dit leidt tot de slotsom dat het hof de verzoeken van de moeder afwijst en de bestreden beschikking bekrachtigt.

5.11

Voor zover de moeder zich beroept op artikel 8 EVRM, overweegt het hof dat de verlenging van de machtiging een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van het gezinsleven. Die inmenging is echter bij wet voorzien, dient het legitieme doel van bescherming van de gezondheid en de rechten van [minderjarige] en is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, noodzakelijk en proportioneel. Daarbij betrekt het hof dat de moeder en [minderjarige] structureel contact hebben en de omgang tussen de moeder en [minderjarige] geleidelijk is uitgebreid, waarover de GI heeft verklaard verdere uitbreiding te zullen blijven onderzoeken indien de omstandigheden dat toelaten. Van een verdergaande inmenging dan noodzakelijk van het door artikel 8 EVRM beschermde gezinsleven is daarom geen sprake.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam van 24 februari 2026;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. P.F.E. Geerlings en mr. J.M. van Baardewijk, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de jongste raadsheer.