Civiel recht overig
Overeenkomst tot reinigen en schoon retourneren van bedrijfskleding. Geen opzegging maar ontbinding wegens…
Gerechtshof Amsterdam, 6 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2808 · Gerechtshof Amsterdam · 6 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2808
Zaakgegevens
Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2026
- Datum publicatie
- 1 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.356.090
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F.M. Wagener te Alkmaar, mr. I.C. van der Wiel te Den Haag
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2808
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Overeenkomst tot reinigen en schoon retourneren van bedrijfskleding. Geen opzegging maar ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming. Tekortkoming niet van onvoldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
team I (handel)
zaaknummer : 200.356.090/01
zaaknummer rechtbank Noord-Holland : 11274835/ CV EXPL 24-2880
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 6 oktober 2026
in de zaak van
[appellant] .,
gevestigd te [plaats] ,
appellante,
advocaat: mr. F.M. Wagener te Alkmaar,
tegen
CWS WORKWEAR NEDERLAND B.V.,
gevestigd te 's-Hertogenbosch,
geïntimeerde,
advocaat: mr. I.C. van der Wiel te Den Haag.
Partijen worden hierna [appellant] en CWS genoemd.
1 De zaak in het kort
Partijen hadden een overeenkomst met een looptijd van drie jaar op grond waarvan CWS werkkleding aan [appellant] ter beschikking stelde en de gebruikte kleding ophaalde, reinigde en weer schoon retourneerde. [appellant] heeft deze overeenkomst na veertien maanden beëindigd. CWS heeft daarop een eindafrekening aan [appellant] gestuurd, waarbij zij de regeling in haar algemene voorwaarden die ziet op vroegtijdige beëindiging heeft toegepast. Volgens [appellant] is er geen sprake van tussentijdse opzegging maar van ontbinding wegens toerekenbare tekortkoming van CWS. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] de overeenkomst heeft willen ontbinden, maar dat de tekortkoming van onvoldoende gewicht is om ontbinding te rechtvaardigen. Zij heeft [appellant] veroordeeld tot betaling van de facturen die CWS naar aanleiding van de beëindiging aan [appellant] heeft gestuurd. Het hof acht de grieven van [appellant] tegen dit oordeel gegrond en wijst de vordering alsnog af.
2 Het geding in hoger beroep
[appellant] is bij dagvaarding van 5 juni 2025 in hoger beroep gekomen van een vonnis van 5 maart 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland (hierna: de kantonrechter), onder bovenvermeld zaaknummer gewezen tussen CWS als eiseres en [appellant] als gedaagde (hierna: het bestreden vonnis).
Bij tussenarrest van dit hof van 15 juli 2025 is een mondelinge behandeling na aanbrengen gelast, die niet is gehouden. De zaak is naar de rol verwezen voor voortprocederen.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven;
- memorie van antwoord, met een productie.
Ten slotte is arrest gevraagd.
3 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder 3 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook voor het hof als uitgangspunt. Aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.
CWS exploiteert een bedrijf dat werkkleding ter beschikking stelt aan andere bedrijven en aanvullende diensten verricht.
[appellant] exploiteert een groothandel in vlees, vleeswaren, wild en gevogelte.
Op 31 maart 2020 hebben partijen een overeenkomst gesloten met een looptijd van drie jaar op grond waarvan CWS zich heeft verbonden om werkkleding aan [appellant] ter beschikking te stellen tegen een door [appellant] te betalen vergoeding (hierna: de overeenkomst). CWS heeft daarbij op zich genomen de door [appellant] gebruikte werkkleding bij [appellant] op te halen, te reinigen en weer schoon aan [appellant] te retourneren. De leveringen van de door CWS gereinigde werkkleding vonden twee keer per week plaats. CWS heeft de door [appellant] gebruikte werkkleding voorzien van een bedrijfslogo van [appellant] .
Op de overeenkomst zijn de algemene voorwaarden van CWS van toepassing.
In artikel 11 lid 3 daarvan is bepaald:
“In geval van vroegtijdige beëindiging is Afnemer aan [CWS] een beëindigingsvergoeding verschuldigd, gelijk aan de gemiddelde omzet (100 %) per maand, die in het jaar voorafgaand aan de beëindiging door [CWS] bij Afnemer is gegenereerd, vermenigvuldigd met het aantal maanden dat de Overeenkomst nog zou voortduren indien deze niet vroegtijdig zou zijn beëindigd”
Lid 4 van die bepaling luidt:
“Bij beëindiging van de Overeenkomst, om welke reden dan ook, is de Afnemer gehouden om de Zaken die bij Afnemer in gebruik zijn (..) van [CBS] over te nemen, tegen betaling van een eigendomstoeslag van 10 % (..) van de voor [CWS] commerciële waarde van de Zaken, vermeerderd met de Restwaarde (…)”
Bij brief van 1 juni 2021 heeft Inkoper MKB namens [appellant] aan CWS onder meer het volgende meegedeeld:
“INKOPER MKB is gemachtigd door [appellant] . om de inkoopactiviteiten te herstructureren (zie bijlage) en om de samenwerking met uw organisatie te beëindigen. Er is reeds een nieuwe leverancier geselecteerd die per direct de dienstverlening overneemt.
Wij verzoeken u namens [appellant] . de lopende overeenkomst per direct voor de bedrijfskleding op de onderstaande locatie te beëindigen.
(…)
Wij verzoeken u een schriftelijke bevestiging van opzegging toe te sturen. In deze bevestiging vragen wij de einddatum van het contract te bevestigen en de restwaarde berekening op te geven.”
Bij de brief zat als bijlage een door [appellant] ten behoeve van Inkoper MKB ondertekende machtiging.
Na de brief van 1 juni 2021 hebben partijen de uitvoering van de overeenkomst gestaakt.
Bij e-mail van 4 juni 2021 heeft CWS onder meer het volgende aan Inkoper MKB geschreven:
“Zoals gisteren besproken stuur ik hierbij de bevestiging.
Wij zullen de opzegging bevestigen en definitief maken op 1-7-2021.
Aangezien het huidige contract een expiratie datum heeft van 25-06-2023 en de kleding nog vrij nieuw is zullen er kosten in rekening gebracht worden.
Restwaarde bedrijfskleding: € 6.587,51
Kostenvergoeding: € 19.124.82 per 1-7-2021”
Op deze e-mail is rechtstreeks gereageerd door [appellant] . Bij e-mail van 8 juni 2021 heeft [appellant] onder meer het volgende aan CWS geschreven:
“Ik ontvang zojuist de opzegbevestiging vanuit jullie kant maar ben het hier absoluut niet mee eens.
Het klopt dat we vroegtijdig het contract willen beëindigen maar de enige reden hiervan is het constant nalatig zijn van jullie kant uit.
Wij werken hier volgens de fssc 22000 norm en kunnen dus absoluut niet veroorloven om hier zonder de voorgeschreven kleding te staan.
In ons oude pand (…) hebben we al meerdere malen meegemaakt dat personeel 2 dagen dezelfde kleding aan moesten
Omdat de wisseling zomaar een dag of 2 dagen later kwam. En hier in het nieuwe pand (…) is het dus zelfs gebeurt dat we gewoon helemaal zonder zaten
Na een aantal weken van melden dat we niet tevreden waren over jullie dienstverlening en continue de beloftes kregen dat het goed gaat maar dit dus niet gebeurde hebben wij besloten dit elders onder te brengen.
Bij deze wil ik dus ook aangeven dat ik het niet eens ben met de bedragen die jullie benoemen en deze dus ook niet zal betalen.”
Bij e-mail van 10 juni 2021 aan [appellant] reageerde CWS onder meer als volgt:
“(…)
Bedankt voor je mail
Persoonlijk begrijp ik ook jouw reactie en daarom heb ik zojuist met mijn manager gesproken en hebben we samen gekeken waarin we je tegemoet kunnen komen (…).”
Hierop volgde een voorstel waarbij een korting van 50 % werd verleend op de onder 3.7. vermelde kostenvergoeding en [appellant] ook op ander vlak tegemoet werd gekomen.
Hierna – tot en met 1 november 2021 – hebben partijen per e-mail verder gecorrespondeerd over de beëindiging van de overeenkomst en over de vergoeding die in verband met de beëindiging volgens CWS betaald diende te worden.
In haar e-mail van 21 juni 2021 berichtte [appellant] de voorgestelde restwaarde onder protest te accorderen, maar de voorgestelde kostenvergoeding niet. Ook in deze e-mail wordt weer gerefereerd aan tekortkomingen en nalatigheid. In de e-mail staat bovendien, nadat is opgemerkt dat de kostenvergoeding de nog te maken kosten in de loop van het contract betreft. “Door ontbindingen zullen jullie deze kosten ook niet meer hebben (…)”
Op 9 augustus 2021 heeft CWS hierop onder meer het volgende geschreven:
“Na mijn verlof heb ik je reactie besproken met mijn management (…).
Het klopt dat we tijdens de feestdagen periode een route dag overgeslagen hebben. Dit gebeurde voor de eerste keer tijdens de kerst periode. Na deze melding van (…) ben ik persoonlijk kleding wezen brengen dezelfde dag nog dat hij belde.
Tijdens mijn vakantie rond de hemelvaart/pinksteren is wederom een routedag overgeslagen. (…) belde mij hierover waarna ik de dag erna direct bij jullie langs gekomen ben om kleding te leveren (…)”.
Diezelfde dag schreef [appellant] onder meer terug:
“ (…)
We zijn bezig met een FSSC 22000 keuring en daarbij kunnen we een onbetrouwbare partner als jullie dus niet accepteren zoals ik eerder aangegeven heb.
Mijn intentie is in eerste instantie absoluut niet geweest om met jullie te stoppen maar noodgedwongen door het meerdere malen nalatig zijn van jullie kant
Voelde ik me noodgedwongen om een ander partij te zoeken.
Doordat jullie zeer nalatig zijn geweest en niet aan het contract hebben gehouden waardoor ik me niet aan de regelgeving omtrent voedselveiligheid kon houden.
voelt het dan ook dat jullie contract breuk hebben gedaan.
Daarbij ben ik het dus ook niet eens met jullie voorstel en ben ik het dus ook van plan hierbij te laten.”
Op 13 augustus 2021 reageerde CWS onder meer als volgt:
“Zoals in mijn eerdere mail aangegeven betreur ik deze zaak ook en snap ik de situatie dat we steken hebben laten vallen (…),
waarop een nader voorstel werd gedaan.
In de periode van 1 juni tot en met 30 september 2021 heeft CWS in reactie op de contractbeëindiging zeven facturen gestuurd waarbij CWS aan [appellant] in totaal een bedrag van € 19.666,04 in rekening heeft gebracht.
[appellant] heeft dit bedrag niet aan CWS betaald.
4 Procedure bij de kantonrechter
Samengevat heeft CWS bij de kantonrechter gevorderd om [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 19.666,04, met wettelijke handelsrente, en tot betaling van buitengerechtelijke kosten ad € 1.032,54, met wettelijke rente, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, inclusief nakosten en met wettelijke rente.
De kantonrechter heeft de vordering van CWS toegewezen.
5 Vordering in hoger beroep
[appellant] vordert vernietiging van het bestreden vonnis en alsnog afwijzing van de vordering van CWS, met veroordeling van CWS in de kosten van het geding in beide instanties.
CWS heeft geconcludeerd tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, met wettelijke rente.
6 Beoordeling
[appellant] heeft veertien grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis. Bij de beoordeling van deze grieven stelt het hof het volgende voorop.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat CWS de namens [appellant] verzonden brief van 1 juni 2021 in het licht van de over en weer mondeling en schriftelijk gedane mededelingen kort voor 1 juni 2021 en na 1 juni 2021 redelijkerwijs niet als een opzegging, maar als een ontbinding wegens een tekortkoming had moeten opvatten. De kantonrechter heeft op dit punt het betoog van [appellant] bij haar conclusie van antwoord gevolgd. In haar memorie van antwoord heeft CWS naar aanleiding van de grieven 5, 6 en 7 herhaald wat zij ook in de inleidende dagvaarding heeft gesteld, te weten dat de overeenkomst tussentijds is opgezegd vanwege herstructering van de inkoopactiviteiten en dat de vergoedingsregeling als bedoeld in artikel 11 van de algemene voorwaarden van toepassing is.
Het hof verenigt zich op dit punt met het oordeel van de kantonrechter. Ook in hoger beroep is niet betwist dat [appellant] voorafgaand aan 1 juni 2021 mondeling aan een medewerker van CWS te kennen heeft gegeven de overeenkomst te willen beëindigen omdat CWS herhaaldelijk niet had voldaan aan de verplichting om tijdig gereinigde kleding te leveren. In de beëindigingsbrief van 1 juni 2021, gelezen in samenhang met de bijgevoegde machtiging, is strikt genomen niet meer te lezen dan dat de inschakeling van Inkoper MKB verband hield met herstructurering van de inkoopactiviteiten van [appellant] . Dat dit ook de reden was voor beëindiging van het contract met CWS lijkt door de tekst te worden gesuggereerd en maakt CWS in deze procedure tot haar standpunt, maar dat staat er niet. In de hierboven onder 3.8 t/m 3.13 aangehaalde correspondentie heeft [appellant] duidelijk gemaakt dat het niet haar intentie was met CWS te stoppen, maar heeft zij herhaaldelijk medegedeeld dat de reden voor de beëindiging van de samenwerking met CWS werd gevormd door de tekortkomingen van CWS in de dienstverlening. Deze tekortkomingen zijn door CWS in die correspondentie ook erkend. Ook het hof is dus van oordeel dat CWS, ondanks het gebruik van de term ‘opzegging’ in de beëindigingsbrief, redelijkerwijs heeft moeten begrijpen dat [appellant] de overeenkomst heeft willen ontbinden wegens tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst en dat de brief van 1 juni 2021 aldus moest worden begrepen.
Met haar grieven III en IV keert [appellant] zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat, voor zover van een tekortkoming van CWS sprake is, deze van onvoldoende gewicht is om ontbinding van de overeenkomst met al haar gevolgen te rechtvaardigen. [appellant] heeft benadrukt hoe belangrijk het in haar branche is om over schone bedrijfskleding te beschikken. Zij voert voorts, samengevat, het volgende aan. Aan vleesverwerking zijn – terecht – strenge eisen verbonden om de volksgezondheid te beschermen. Er gelden strenge hygiëne-voorschriften en aan het niet naleven daarvan zijn consequenties verbonden. [appellant] heeft de overeenkomst ook niet zomaar beëindigd. Het was al een paar keer fout gegaan, waar de kantonrechter ook op heeft gewezen. Vier misgegane leveringen in anderhalf jaar is niet een relatief gering aantal bij een prestatie waarbij er zo veel vanaf hangt dat het altijd goed moet zijn. Ook CWS kon er wel in komen dat [appellant] de overeenkomst beëindigde, aldus – nog steeds – [appellant] .
CWS ontkent dat zij tekort is gekomen in de nakoming van de overeenkomst en dat zij in verzuim is komen te verkeren. Zij wijst erop dat [appellant] niets stelt over een ingebrekestelling. Dat nakoming niet meer mogelijk was en CWS van rechtswege in verzuim is komen te verkeren, is volgens CWS door [appellant] onvoldoende gesteld en onderbouwd. Bovendien waren de tekortkomingen volgens haar niet van dien aard dat ontbinding gerechtvaardigd was, zoals ook de kantonrechter heeft geoordeeld. CWS leverde twee keer per week, dus 156 keer in anderhalf jaar. Met 4 misgegane leveringen is dat een percentage van 2,5%. Bovendien heeft CWS nageleverd. [appellant] stelt dat leveringen altijd goed moeten gaan en voert verder geen nadere feiten en omstandigheden aan; dit standpunt zou in geval als een duurovereenkomst als de onderhavige van artikel 6:74 BW een dode letter maken, aldus CWS. Ten slotte voert CWS aan dat [appellant] niet heeft gesteld dat de consequenties waarop zij doelt daadwerkelijk voor haar zijn ingetreden. Nergens blijkt uit dat de misgegane leveringen dermate veel schade aan [appellant] hebben berokkend dat een ontbinding gerechtvaardigd was.
Het hof oordeelt als volgt.
Onvoldoende betwist is dat CWS tekort is gekomen in de nakoming van de overeenkomst. De kantonrechter heeft onweersproken overwogen dat, voor zover uit het procesdossier blijkt, zich in 15 maanden (dat moet 14 maanden zijn, opmerking hof) vier incidenten bij de levering van bedrijfskleding hebben voorgedaan, kort gezegd op 11 juni 2020, in de kerstperiode van 2020, rond hemelvaart/pinksteren 2021 en kort voor 1 juni 2021. In de eerste drie gevallen is alsnog geleverd (respectievelijk binnen de gestelde termijn, dezelfde dag en de dag erna), met betrekking tot het laatste geval is dat onbekend.
Artikel 6:265 lid 1 BW bepaalt dat iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen aan de wederpartij de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Hierop wordt een uitzondering gemaakt in geval de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Lid 2 bepaalt dat voor zover nakoming niet blijvend of tijdelijk onmogelijk is, de bevoegdheid tot ontbinding pas ontstaat wanneer de schuldenaar in verzuim is.
Anders dan CWS betoogt en de kantonrechter heeft geoordeeld, acht het hof in dit geval het relatief geringe aantal misgegane leveringen en de omstandigheid dat nadien alsnog is geleverd niet doorslaggevend om de tekortkoming te gering te achten om ontbinding te rechtvaardigen. [appellant] houdt zich bezig met vleesverwerking. Niet betwist is dat in haar branche in het belang van de volksgezondheid stringente voorwaarden gelden. Dat brengt mee dat als kleding niet volgens afspraak geleverd wordt, de naleving van deze regels direct onder druk komt te staan, hetgeen potentieel tot grote schade voor [appellant] kan leiden. Dat kleding wordt nageleverd, heft de tekortkoming niet op. In zoverre is sprake van een blijvende onmogelijkheid, zodat het verzuim direct intrad. Hier is sprake van herhaalde tekortkomingen, die steeds rechtstreeks invloed zullen hebben gehad op de bedrijfsvoering. Dat deze tekortkomingen (mogelijk) geen schade hebben veroorzaakt, neemt niet weg dat [appellant] daar, gelet op de aard van de tekortkoming en de belangen die op het spel staan, op goede gronden zwaar aan heeft kunnen tillen en herhaling heeft willen voorkomen en het contract niet tot het einde heeft willen laten voortduren.
Het vorenstaande betekent dat de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst effect heeft gehad. De grieven III en IV treffen derhalve doel.
Bij behandeling van de overige grieven heeft [appellant] geen belang meer. Grief I richt zich tegen een overweging die geen zelfstandige betekenis heeft. De precieze kwalificatie van de overeenkomst, waarop grief II ziet, kan in het midden blijven. De grieven V tot en met XIV zijn voorgesteld voor zover het hof, anders dan [appellant] primair heeft betoogd, niet van oordeel is dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden.
Dit brengt ook mee dat artikel 11 lid 3 van de algemene voorwaarden niet van toepassing is. Er bestaan te weinig aanknopingspunten om deze bepaling ook van toepassing te achten in gevallen van voortijdige beëindiging die zijn gegrond op ontbinding wegens tekortkoming in de nakoming van de contractuele verplichtingen door CWS. Dat zou tot het ongerijmde gevolg leiden dat CWS ondanks de tekortkoming recht op een vergoeding voor omzetderving voor de resterende duur van het contract zou behouden (en zelfs zonder rekening te houden met besparingen aan de zijde van CWS). Ook artikel 11 lid 4 mist in dit geval toepassing, reeds vanwege het feit dat [appellant] onbetwist heeft gesteld dat CWS de bedrijfskleding bij [appellant] heeft opgehaald. Er is derhalve geen grondslag voor de vordering van CWS. Volgens [appellant] heeft het gevorderde totaalbedrag van € 19.666,04 betrekking op de beëindigingsvergoeding en restwaarde van de bedrijfskleding. Dit heeft CWS niet weersproken, zodat het hof ervan uit gaat dat de overgelegde facturen niet ook nog op andere posten betrekking hebben. De vordering zal derhalve alsnog geheel worden afgewezen. De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is daarmee evenmin toewijsbaar.
Slotsom is dat het hoger beroep succes heeft. Het bestreden vonnis wordt vernietigd. Het hof ziet geen aanleiding om CWS toe te laten tot bewijslevering, omdat zij geen bewijs heeft aangeboden van voldoende concrete stellingen die, indien bewezen, tot een andere uitkomst kunnen leiden. CWS is in het ongelijk gesteld en zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in beide instanties. Het hof stelt de proceskosten als volgt vast:
In eerste aanleg:
- salaris advocaat € 812 (2 punten, tarief € 406,-)
Totaal € 812
In hoger beroep:
- explootkosten € 122,35
- griffierecht € 2.255,-
- salaris advocaat € 1.290,- (tarief II, 1 punt)
Totaal € 3.667,35
7 Beslissing
Het hof:
vernietigt het bestreden vonnis en doet opnieuw recht:
wijst de vordering van CWS af;
veroordeelt CWS in de proceskosten in beide instanties, tot op heden vastgesteld op € 812,- voor de eerste aanleg en op € 3.667,35 voor het hoger beroep;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J. van der Kraan, M.M.M. Tillema en O.J. van Leeuwen en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.