Personen- en familierecht
voorlopige voogdij is nog steeds van kracht is, omdat binnen drie maanden na de beschikking tot voorlopige…
Gerechtshof Amsterdam, 21 september 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:2841 · Gerechtshof Amsterdam · 21 september 2020
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2020-2841
Zaakgegevens
Op 21 september 2020 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 21 september 2020
- Datum publicatie
- 27 oktober 2020
- Zaaknummer
- 200.282.407/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A.M.T. Wezel te Zaandam.
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2020:2841
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
voorlopige voogdij is nog steeds van kracht is, omdat binnen drie maanden na de beschikking tot voorlopige voogdij een verzoek is ingediend tot de voogdij en op dat verzoek nog niet onherroepelijk is beslist.
Procesgang
Gerechtshof Amsterdam · 21 september 2020deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2020:2841
Gerechtshof Amsterdam · 27 oktober 2020
ECLI:NL:GHAMS:2020:2969Uitspraak · 2020
ECLI:NL:RBAMS:2020:4018
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
proces-verbaal van uitspraak als bedoeld in artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)
PROCES-VERBAAL van een ter openbare zitting gedane mondelinge uitspraak van de meervoudige familiekamer van het gerechtshof Amsterdam op 21 september 2020, waar tegenwoordig waren: mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema, mr. M. Perfors, leden van het hof, bijgestaan door mr. A. Blijleven als griffier.
Behandeling van de zaak met zaaknummer 200.282.407/01 van:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag,
locatie Amsterdam,
verzoeker in hoger beroep,
verder te noemen: de raad,
en
[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
verweerster in hoger beroep,
verder te noemen: de moeder,
advocaat: mr. A.M.T. Wezel te Zaandam.
Als belanghebbenden zijn aangemerkt:
- [de curator] van Zuidwester curatele, bewind en mentorschap (hierna: de curator);
- de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering (hierna te noemen: de GI).
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Amsterdam (hierna te noemen: de rechtbank) van 19 augustus 2020, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De raad is op 27 augustus 2020 in hoger beroep gekomen van voornoemde beschikking van 19 augustus 2020.
De moeder heeft op 21 september 2020 een verweerschrift, tevens houdende een verzoek tot aanhouding van ’s hofs beslissing, ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- de brief van de raad van 8 september 2020 met bijlage, ingekomen op 10 september 2020;
- de brief van de raad van 16 september 2020, ingekomen op 18 september 2020;.
De mondelinge behandeling heeft op 21 september 2020 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw R.N. Planting;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door de voorlopige voogd en een collega;
- de curator.
3 De feiten
De moeder is onder curatele gesteld. Zij is [in] 2020 in Frankrijk bevallen van [minderjarige] . De moeder is niet bevoegd het gezag over [minderjarige] uit te oefenen vanwege de curatele en de biologische vader is onbekend. Bij spoedbeschikking van de kinderrechter van de rechtbank van 18 maart 2020 is de GI belast met de voorlopige voogdij over de toen nog ongeboren [minderjarige] voor de duur van drie maanden. De spoedbeslissing is bij beschikking van 30 maart 2020, schriftelijk uitgewerkt op 9 april 2020, door de kinderrechter gehandhaafd.
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de raad de GI als voogd te benoemen over [minderjarige] afgewezen.
De raad verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het inleidende verzoek alsnog toe te wijzen en te bevestigen (het hof begrijpt te verklaren voor recht) dat ten aanzien van [minderjarige] de voorlopige voogdij niet ten einde is gekomen door de bestreden beschikking en dat de voorlopige voogdijmaatregel doorloopt tot onherroepelijk op het verzoek tot voogdij is beslist.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen, danwel de beslissing hierover aan te houden totdat het hof nader is geïnformeerd met een rapportage over de huidige omstandigheden door bij voorkeur een andere stichting dan de GI.
5 De motivering van de beslissing
De zaak is heden ter zitting behandeld. Alle partijen zijn daar verschenen.
Bij monde van de voorzitter heeft het hof vervolgens uitspraak gedaan.
Ten aanzien van de voorlopige voogdij is het hof van oordeel dat deze nog steeds van kracht is, omdat binnen drie maanden na 18 maart 2020, (in elk geval) op 25 mei 2020 een verzoek is ingediend tot de voogdij en op dat verzoek nog niet onherroepelijk is beslist.
Voor het overige (de voogdij) houdt het hof de beslissing aan.
6 De beslissing
Het hof:
verklaart voor recht dat de voorlopige voogdij over [minderjarige] , geboren [in] 2020 te [geboorteplaats] (Frankrijk), vanaf 18 maart 2020 onverkort van kracht is;
houdt de beslissing voor het overige aan.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat conform artikel 30p lid 4 Rv door de voorzitter en de griffier is ondertekend.
De griffier, de voorzitter.