Personen- en familierecht

artikel 1:253n BW. Toewijzing verzoek moeder eenhoofdig gezag.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
200.369.219/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.W. Post te Zutphen, mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6748
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

artikel 1:253n BW. Toewijzing verzoek moeder eenhoofdig gezag.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.369.219/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 341490)

beschikking van 20 oktober 2026

inzake

[verzoeker] (de vader),

die woont in [woonplaats1] ,

verzoeker in hoger beroep,

advocaat: mr. J.W. Post te Zutphen,

en

[verweerster] (de moeder),

die woont in [woonplaats2] ,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. Ph.J.N. Aarnoudse te Deventer.

In zijn toetsende en/of adviserende taak is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming (de raad),

regio Overijssel, locatie Zwolle.

1 De procedure bij de rechtbank

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 20 februari 2026, uitgesproken onder het hiervoor genoemde zaaknummer.

2 De procedure bij het hof

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met bijlage(n), ingekomen op 19 mei 2026;

- het verweerschrift;

- een journaalbericht namens de moeder van 25 juni 2026 met bijlage(n);

- een journaalbericht namens de vader van 7 juli 2026 met bijlage(n);

- een brief van de raad van 13 juli 2026, waarin de raad zich afmeldt voor de zitting;

- een journaalbericht namens de vader van 24 augustus 2026.

2.2.

De hierna nader te noemen [de minderjarige1] heeft bij brief van 17 augustus 2026 aan het hof haar mening gegeven over het verzoek.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft op 23 september 2026 in Zwolle plaatsgevonden. Verschenen zijn:

- mr. Post namens de vader;

- de moeder, bijgestaan door mr. Aarnoudse.

3 De feiten

3.1.

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] , geboren [in] 2018 (roepnaam: [de minderjarige1] );

- [de minderjarige2] , geboren [in] 2019 (roepnaam: [de minderjarige2] ).

3.2.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] wonen bij de moeder.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden – uitvoerbaar bij voorraad verklaarde – beschikking heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bepaald dat met ingang van de datum van de beschikking alleen aan de moeder het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] toekomt.

4.2.

De vader komt met één grief in hoger beroep van de bestreden beschikking. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de moeder tot beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] af te wijzen, en anders de beslissing te nemen die het hof juist acht.

4.3.

De moeder voert verweer en vraagt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep, dan wel zijn verzoek in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

5.1.

In artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan een van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2.

Het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] noodzakelijk is dat de moeder voortaan alleen het gezag over de kinderen heeft. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat er sprake is van een langdurig patroon, waarbij de vader niet laat blijken dat hij invulling kan geven aan de uitoefening van het gezag. De vader is onvoorspelbaar en op beslissende momenten ook onbereikbaar gebleken.

Het hof neemt de motivering van de rechtbank – na eigen onderzoek – volledig over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hier nog het volgende aan toe.

5.3.

Het ouderlijk gezag houdt niet alleen de bevoegdheid in om belangrijke beslissingen in het leven van het kind te nemen, maar ook de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden (artikel 1:247 BW). Tijdens de relatie van de ouders is er sprake geweest van huiselijk geweld van de vader richting de moeder, waar de kinderen getuige van zijn geweest. De vader heeft de kinderen de afgelopen jaren slechts af en toe gezien. Hij kampt met forse persoonlijke problematiek en heeft ook regelmatig langdurig in detentie verbleven. Door dit alles heeft hij de afgelopen jaren weinig zicht gehad op het leven van de kinderen en hoe de kinderen zich hebben ontwikkeld.

Sinds een paar maanden zit de vader niet meer gedetineerd en woont hij in een begeleide woonvorm. De vader stelt dat er nu aanknopingspunten zijn voor verbetering van zijn persoonlijke omstandigheden en voor herstel van een stabiele ouderrol. Naar het oordeel van het hof is in hoger beroep niet of in ieder geval onvoldoende aangetoond dat de situatie van de vader in positieve zin is veranderd en dat hij een grotere rol in het leven van de kinderen is gaan spelen. Weliswaar heeft de vader de kinderen na de bestreden beschikking een paar keer gezien, maar deze contacten waren – zo heeft de moeder onbetwist verklaard – vluchtig, niet altijd volgens afspraak of volgens wat de vader zelf had beloofd, op onverwachte momenten en incidenteel. Bovendien heeft de vader tijdens een contactmoment in een supermarkt knuffels gestolen. De kinderen hebben dit gezien en waren hiervan onder de indruk, aldus de moeder. Dergelijk gedrag van de vader is vanzelfsprekend niet in het belang van de kinderen.

Daarbij komt dat de vader niet is verschenen bij de mondelinge behandeling bij het hof. Hierdoor was hij dus (opnieuw) op een beslissend moment niet bereikbaar. Terwijl bereikbaarheid en beschikbaarheid in het belang van de kinderen noodzakelijk is. Het hof is, anders dan de vader heeft betoogd, van oordeel dat de vader voldoende kansen heeft gehad om te laten zien dat hij op een adequate wijze invulling kan en wil geven aan zijn gezag, maar hij heeft deze kansen onvoldoende benut.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 20 februari 2026.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. Phaff, M.A.F. Veenstra en P.B. Kamminga, bijgestaan door mr. H.B. Fortuyn als griffier, en is op 20 oktober 2026 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.