Personen- en familierecht
Kinderalimentatie. Behoefte wordt alleen gebaseerd op inkomen van de vrouw.
Gerechtshof Amsterdam, 16 mei 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:1095 · Gerechtshof Amsterdam · 16 mei 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2023-1095
Zaakgegevens
Op 16 mei 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 mei 2023
- Datum publicatie
- 16 mei 2023
- Zaaknummer
- 200.308.823/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.L van Leer te Amsterdam, mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:1095
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kinderalimentatie. Behoefte wordt alleen gebaseerd op inkomen van de vrouw.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie -en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.308.823/01
zaaknummer rechtbank: C/15/319988 / FA RK 21-4291
beschikking van de meervoudige kamer van 16 mei 2023 inzake
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.L. van Leer te Amsterdam,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. J.H.F. Overkleeft te Hoorn.
1 Het verloop van het geding in eerste aanleg
Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank) van 31 december 2021, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.
2 Het geding in hoger beroep
De man is op 28 maart 2022 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking van 31 december 2021.
De vrouw heeft op 26 april 2022 een verweerschrift ingediend.
Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:
- een bericht van de zijde van de man van 26 september 2022 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de vrouw van 27 september 2022 met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de man van 28 september 2022 met bijlagen.
De mondelinge behandeling heeft op 5 oktober 2022 plaatsgevonden. Verschenen zijn:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.
Ter zitting in hoger beroep hebben beide advocaten pleitnotities overgelegd.
Na afronding van de mondelinge behandeling heeft het hof partijen op hun verzoek in de gelegenheid gesteld om tot overeenstemming te komen. Indien dat niet zou lukken, heeft het hof de man verzocht nadere informatie over te leggen met betrekking tot:
- zijn inkomen over het eerste half jaar van 2022,
- de te verwachten gevolgen van de uitbreiding van zijn werkzaamheden naar beveiliger,
- een overzicht van zijn schulden, zowel privé als zakelijk, en
- de eventuele aflossingen op die schulden, inclusief onderbouwing.
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen.
Nadien is bij het hof een brief van de zijde van de man van 18 november 2022 met bijlagen ingekomen. De vrouw heeft geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om hierop te reageren.
3 De feiten
Partijen hebben tot 2018 een relatie met elkaar gehad.
Partijen zijn de ouders van:
- [kind 1] , geboren [in] 2010 en
- [kind 2] , geboren [in] 2013 (hierna gezamenlijk: de kinderen).
4 De omvang van het geschil
Bij de bestreden beschikking is, voor zover thans van belang, op het verzoek van de vrouw de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderalimentatie) met ingang van 16 maart 2021 bepaald op € 250,- per kind per maand.
De man verzoekt het inleidende verzoek van de vrouw om kinderalimentatie, af te wijzen, dan wel de bijdrage van de man wegens gebrek aan draagkracht op nihil te stellen met ingang van 16 maart 2021.
De vrouw verzoekt het hoger beroep van de man af te wijzen, met bekrachtiging van de beschikking waarvan beroep en veroordeling van de man in de proceskosten.
5 De motivering van de beslissing
De kinderalimentatie
De ingangsdatum
De door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 16 maart 2021, is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.
De behoefte van de kinderen
De man is het oneens met de berekening van de behoefte. In 2018 leed de man verlies met zijn onderneming, [X] , een garagebedrijf. Partijen leefden van het inkomen van de vrouw. Mocht het hof van oordeel zijn dat hem toch een verdiencapaciteit dient te worden toegedicht, zoals de vrouw stelt, dan verzoekt de man subsidiair te rekenen met een minimaal gezinsinkomen plus het kindgebonden budget.
De vrouw verweert zich en stelt zich op het standpunt dat de man onvoldoende informatie overlegt over zijn werkelijke inkomen in 2018. Daarom houdt de vrouw bij het berekenen van het netto besteedbaar inkomen van partijen aan de zijde van de man rekening met de norm voor een alleenstaande op basis van de Participatiewet, destijds € 992,12 per maand. Tezamen met het inkomen van de vrouw, dat iets hoger uitvalt in verband met de arbeidskorting waarmee in eerste aanleg geen rekening is gehouden, bedraagt het netto besteedbaar inkomen (NBI) van partijen in 2018 € 2.204,- per maand, inclusief kindgebonden budget. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bedroeg daarmee € 463,- per maand in totaal, aldus de vrouw.
Het hof overweegt als volgt.
Ter zitting in hoger beroep hebben partijen verklaard dat zij in 2018 leefden van het inkomen van de vrouw en het kindgebonden budget. De opbrengsten die de man met zijn eigen bedrijf behaalde, werden met instemming van de vrouw direct weer geïnvesteerd in het bedrijf. Het hof zal daarom voor het bepalen van de behoefte van de kinderen alleen uitgaan van het inkomen van de vrouw en het ontvangen kindgebonden budget. Het hof heeft, voor zover hierna bedragen zijn genoemd, deze telkens afgerond, tenzij anders vermeld.
Uit de jaaropgaaf 2018 en haar eigen berekeningen in hoger beroep, blijkt dat de vrouw dat jaar een inkomen volgens jaaropgaaf had van € 13.824,-. Daarnaast ontvingen partijen een kindgebonden budget (KGB) van € 177,- per maand. Dit komt neer op een netto besteedbaar inkomen (NBI) van € 1.212,- per maand. Aan de hand van de toepasselijke (NIBUD-)tabel 2018 berekent het hof de behoefte van de kinderen op € 205,- per maand voor beide kinderen gezamenlijk, na indexering in 2021 € 221,- per maand en in 2022 € 225,- per maand.
De draagkracht van partijen, de zorgkorting en de betalingsverplichting
De man stelt zich op het standpunt dat hij geen draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen. De afgelopen drie jaar heeft hij enkel verlies geleden en is hij zelfs zijn bedrijfsruimte kwijtgeraakt. Daarnaast heeft hij op dit moment meer schulden dan zijn inkomen kan dekken, aldus de man.
De vrouw is van mening dat de man onvoldoende gegevens overlegt om zijn stellingen te onderbouwen, zowel ten aanzien van zijn inkomsten als zijn schulden. Geheel subsidiair dient in ieder geval te worden uitgegaan van een minimumbedrag aan kinderalimentatie van € 25,- per kind per maand, aldus de vrouw.
Het hof zal de draagkracht van de man en de vrouw over twee periodes berekenen.
De periode met ingang van 16 maart 2021
Uit de mededelingen van partijen ter zitting in hoger beroep blijkt dat het gezin in 2018 leefde van de inkomsten van de vrouw. Uit de stukken blijkt dat de onderneming van de man, na het uiteengaan van partijen, over de jaren 2019 en 2020 verlies heeft geleden. Als productie 5 in hoger beroep heeft de man een winst en verliesrekening over het jaar 2021 overgelegd. Naar het oordeel van het hof geeft deze onvoldoende inzicht in de financiële situatie van de onderneming. Het betreft slechts een enkele pagina, zonder enige toelichting of specificatie. De man heeft echter ook stukken overgelegd van leningen die hij in 2021 is aangegaan. Het gaat om een Tozo-lening en een lening bij BridgeFund van elk € 10.000,-. Het hof is van oordeel dat de man met deze stukken voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ook over 2021 over niet meer dan een minimum inkomen beschikte. Op basis daarvan stelt het hof de draagkracht van de man in 2021 vast op € 25,- per kind per maand.
De vrouw werkt sinds 1 januari 2016 als Horeca medewerkster bij BRAS B.V. Haar inkomen bedroeg in 2021 € 1.685,- bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld. Met inachtneming van het KGB en de alleenstaande ouderkop bedraagt de draagkracht van de vrouw € 380,- per maand.
Tussen partijen staat vast dat zij in de vorm van een co-ouderschap gezamenlijk voor de kinderen zorgen. Zij zijn het erover eens dat de man aanspraak kan maken op een zorgkorting van 35%.
De naar 2021 geïndexeerde behoefte van de kinderen bedraagt € 221,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen is voldoende om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken om het aandeel van de man in de kosten van de kinderen vast te stellen.
Het aandeel van de man bedraagt 50/430 x 221 = € 26,- per maand voor beide kinderen, het aandeel van de vrouw bedraagt 380/430 x 221 = € 195,- per maand voor beide kinderen.
Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien, wordt het bedrag aan zorgkorting van € 77,- per maand volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen. Dit brengt mee dat de man over de periode van 16 maart 2021 tot maart 2022 geen betalingsverplichting heeft.
De periode met ingang van maart 2022
De man werkt vanaf maart 2022 als ZZP-automonteur en heeft de huurovereenkomst voor zijn bedrijfsruimte opgezegd. Daarnaast is de man begonnen als beveiliger, eveneens als ZZP’er. Uit productie 13, dat de man heeft overgelegd bij bericht van 18 november 2022, blijkt dat de man met deze verdiensten een winst verwacht te behalen van € 5.644,- per kwartaal. Uit diezelfde productie 13 maakt het hof op, evenals uit de winst- en verliesrekening van de man over 2021, dat hij zijn kosten van leningen en schulden in mindering brengt op zijn omzet. Het hof ziet daarom geen aanleiding om in de berekening ten aanzien van de kinderalimentatie nogmaals rekening te houden met de door de man opgevoerde leningen en schulden. Rekening houdend met een kwartaalwinst van € 5.644,-, resulteert dit in een bedrag van € 22.576,- aan winst uit onderneming. Met inachtneming van de zelfstandigenaftrek en MKB winstvrijstelling, resulteert dit in een draagkracht aan de zijde van de man van € 176,- per maand.
Ten aanzien van de vrouw houdt het hof rekening met een inkomen van € 1.725,- (bruto) per maand, te vermeerderen met vakantie toeslag, KGB en de alleenstaande ouderkop. Dit resulteert in een draagkracht aan de zijde van de vrouw van € 398,- per maand.
De naar 2022 geïndexeerde behoefte van de kinderen bedraagt € 225,- per maand. De draagkracht van de man en de vrouw tezamen is voldoende om in hun behoefte te voorzien. Het hof zal daarom een draagkrachtvergelijking maken om het aandeel van de man in de kosten van de kinderen vast te stellen.
Het aandeel van de man bedraagt 176/574 x 225 = € 69,- per maand voor beide kinderen, het aandeel van de vrouw bedraagt 398/574 x 225 = € 156,- per maand voor beide kinderen
Omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te voorzien wordt het bedrag aan zorgkorting van € 79,- per maand volledig in mindering gebracht op het bedrag dat de man aan de vrouw dient te betalen voor de kosten van verzorging en opvoeding. Dientengevolge heeft de man over de periode vanaf maart 2022 eveneens geen betalingsverplichting.
Terugbetalingsverplichting
Ter zitting heeft de man meegedeeld dat de vrouw het LBIO heeft ingeschakeld, maar dat hij tot na de zitting uitstel heeft gekregen. Het is het hof niet bekend of inmiddels tot inning van de door de rechtbank vastgelegde bijdrage is overgegaan. Voor zover de man met ingang van 16 maart 2021 meer heeft betaald dan waartoe hij volgens deze beschikking is gehouden, bepaalt het hof dat de vrouw het teveel betaalde niet hoeven terug te betalen. Gelet op de financiële positie van de vrouw (haar inkomen en de omstandigheid dat niet is gebleken dat zij over box-3 vermogen beschikt) kan terugbetaling redelijkerwijs niet van haar worden gevergd.
De berekeningen die het hof heeft gemaakt worden aan deze beschikking gehecht.
Het verzoek tot proceskostenveroordeling
Het hof ziet gelet op de aard van de procedure geen aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals de vrouw heeft verzocht.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar van 31 december 2021 en opnieuw beschikkende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met ingang van 16 maart 2021 op nihil, met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 16 maart 2021 tot heden meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.C. Schenkeveld, mr. A.N. van de Beek en mr. T.M. Subelack, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 16 mei 2023 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.