Personen- en familierecht
(vervolg op 8-10-2024) Huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Verrekening van…
Gerechtshof Amsterdam, 13 mei 2025
ECLI:NL:GHAMS:2025:1240 · Gerechtshof Amsterdam · 13 mei 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2025-1240
Zaakgegevens
Op 13 mei 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 mei 2025
- Datum publicatie
- 13 mei 2025
- Zaaknummer
- 200.320.560/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. A Krim te Haarlem, mr. A.D. Leuftink te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:1240
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
(vervolg op 8-10-2024) Huwelijksvermogensrecht. Niet uitgevoerd periodiek verrekenbeding. Verrekening van door de man uit overgespaarde inkomsten uitgevoerde verbouwingen en gedane investeringen in de op naam van de vrouw staande woonark. Voorwaardelijke benoeming makelaar als deskundige om een taxatie te verrichten ter vaststelling van de waarde van de woonark op meerdere data, voor het geval geen van partijen aangeeft zich over dit voornemen nog te willen uitlaten. De taxatie per peildatum is van belang om de hoogte van de verrekenvordering in verband met de investering bij de aankoop van de woonark en de aflossing op de hypothecaire geldlening te kunnen vaststellen. Daarnaast is het hof voor de berekening van het aandeel in de waardevermeerdering ook voornemens te vragen de waarde van de woonark te schatten per 1 januari 2010, 1 juli 2016 en 1 juli 2019, en dan steeds alsof de desbetreffende verbouwingen nog niet hebben plaatsgevonden
Eiduitspraak ECLI:NL:GHAMS:2026:1851
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Zaaknummer: 200.320.560/01
Zaaknummer rechtbank: C/13/715942 / FA RK 22-2081
Beschikking van de meervoudige kamer van 13 mei 2025 inzake
[de man] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in principaal hoger beroep,
verweerder in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de man,
advocaat: mr. A. Krim te Haarlem,
en
[de vrouw] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in principaal hoger beroep,
verzoekster in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,
verder te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.D. Leuftink te Amsterdam.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof verwijst voor het verloop van de procedure naar hetgeen is opgenomen in zijn beschikkingen van 19 maart 2024 en 8 oktober 2024. Bij de beschikking van 8 oktober 2024 is, voor zover thans van belang, de man in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden met betrekking tot de woonark in de gelegenheid gesteld om per verbouwingspost te specificeren en - zo mogelijk - met objectief verifieerbare stukken te onderbouwen wanneer de verbouwing heeft plaatsgevonden en wat de omvang van de kosten van de investeringen is geweest, waarbij het arbeidsloon dat de man aan derden heeft betaald, eveneens een rol speelt.
De vrouw is in de gelegenheid gesteld daarop schriftelijk te reageren.
Iedere verdere beslissing is aangehouden.
Door het hof zijn daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de man van 4 november 2024 met bijlagen;
- een bericht van de vrouw van 2 december 2024 met bijlagen.
2 De standpunten van partijen
De man heeft bij bericht van 4 november 2024 een nadere toelichting op en uitwerking van de door hem gestelde verbouwingen gegeven, zoals deze zijn weergegeven onder 2.20 van de beschikking van 8 oktober 2024. De man stelt dat hij in totaal aan alle verbouwingen over de jaren 2009 tot en met 2020 een bedrag heeft uitgegeven van € 183.870,07 exclusief btw en € 205.127,64 inclusief btw. Uitgewerkt per jaar gaat het volgens de man om - kort samengevat - de volgende verbouwingen:
Verbouwing 2009:
De vervallen schuur is vervangen en er is een kantoorruimte gebouwd waardoor een extra ruimte is ontstaan van 35 m2.
Volgens de man bedragen de totale kosten € 6.800,- exclusief btw en € 7.745,- inclusief btw.
Verbouwing 2010:
De man heeft de vloer van de woonkamer met 40 cm verlaagd, waardoor een extra verdieping kon worden gecreëerd. Er is een ruimte van 25 m2 ontstaan waarin voor de kinderen twee slaapkamers zijn gemaakt, een inloopkast en een badkamer.
De totale kosten bedragen € 14.025,05 exclusief btw en € 15.126,13 inclusief btw.
Verbouwing 2015:
De garage moest worden ingekort met 2 meter op last van de gemeente en er heeft een verduurzaming van de ark plaatsgevonden. Zo is de plastic gevelbekleding vervangen door sandwichpanels aan de waterzijde.
De totale kosten komen neer op een bedrag van € 14.501,20 exclusief btw en € 15.765,86 inclusief btw.
Verbouwing 2016:
In 2016 is de man begonnen met de aanbouw op de begane grond. Hiervoor is een betonfundering van 15x2 meter aangebracht. Deze fundering is verbonden met de bestaande ark met een staalconstructie aan de waterlijn en een staalkooiconstructie naar de eerste verdieping. Er is daardoor 24 m2 aan extra woonoppervlakte gecreëerd. Hier zijn een woonkeuken en een leeskamer gecreëerd. De gevelmuur is verwijderd, er is gebruik gemaakt van pvc kozijnen met HR+++ glas en er is een nieuwe cv-ketel geïnstalleerd.
De totale kosten bedragen € 69.341,50 exclusief btw en € 78.053,11 inclusief btw.
Verbouwing 2017:
In 2017 zijn alle kozijnen op de begane grond vervangen door openslaande dubbele deuren. Ook is de omlijsting van alle kozijnen vervangen van hout naar een gecoate zetprofiel (staal) in verband met betere isolatie en het onderhoudsvrije karakter. De houten steiger is vergroot met 30 m2 en voorzien van nieuwe steigerplanken.
De totale kosten komen neer op een bedrag van € 13.941,18 exclusief btw en € 16.035,13 inclusief btw.
Verbouwing 2018 en 2019:
In 2018 is er een aanvang gemaakt met het vervangen van de houten kozijnen aan de voorzijde van de eerste verdieping door pvc kozijnen met HR +++glas. Ook is de gevelbekleding op de eerste verdieping aan de tuinzijde geïsoleerd en vervangen door een zinklook.
In 2019 is op de eerste verdieping een uitbouw van 14 m2 gecreëerd. De inloopkast is groter gemaakt tot een kamer en er is een derde badkamer gerealiseerd. Ook is er een ‘chillroom’ voor de kinderen gemaakt. Daarnaast is het dak volledig vervangen door duurzame dakbedekking met isolatie en zijn er 12 solarpanelen geïnstalleerd.
Ook zijn alle dakgoten en de hemelwaterafvoer vervangen door een zinken variant. Daarnaast is de ark getrimd door een duikteam.
De totale kosten bedroegen € 55.434,44 exclusief btw en € 62.386,19 inclusief btw.
Verbouwing 2020:
In 2020 is de tuin aangepakt. De schuine kant van de tuin naar de waterlijn is voorzien van een stalen constructie, waardoor de tuin is vergroot met 18 m2. Deze constructie is voorzien van een ‘groene muur’. De tuin is opgetrokken en voorzien van nieuwe bestrating en beplanting.
De kosten bedroegen € 9.826,70 exclusief btw en € 10.016,22 inclusief btw.
De man heeft de werkzaamheden samen met collega’s uitgevoerd die op zzp-basis voor zichzelf werken. Het hof begrijpt dat de man de kosten die deze personen in rekening hebben gebracht, in zijn overzicht heeft opgenomen onder het kopje “Onderaann.”. Het is gezien de omvang van de werkzaamheden ook niet mogelijk om die helemaal alleen te doen, aldus de man.
De vrouw betwist allereerst dat sprake is van investeringen die voor vergoeding in aanmerking komen. Het gaat volgens de vrouw veelal om kosten van de huishouding, welke term ruimer is dan onderhoud. Ook stelt zij dat de man geen gebruik heeft gemaakt van onderaannemers, maar dat het vrienden zijn geweest die partijen hebben geholpen. Daarnaast is de vrouw van mening dat de door de man gestelde uitgaven – anders dan het hof in zijn tussenbeschikking van 8 oktober 2024 heeft overwogen – niet zonder nadere onderbouwing kunnen worden gekwalificeerd als uitgaven die uit de winst van zijn onderneming zijn voldaan. Indien bijvoorbeeld uitgaven als kosten van de onderneming zijn genomen, is er geen sprake van overgespaarde inkomsten volgens de vrouw. Verder betwist de vrouw de hoogte van de opgevoerde kosten van de verbouwing en merkt zij op dat de man geen enkele factuur of bankmutatie heeft overgelegd. De door de man zelf opgemaakte staten van gestelde verrichte werkzaamheden en aangewende bouwmaterialen zijn volgens haar ondeugdelijk. Ze zijn kennelijk met terugwerkende kracht opgesteld met een prijspeil van nu, terwijl ook het huidige (21 %) btwtarief is opgevoerd door een Engelse vennootschap die ten tijde van het verrichten van de gestelde verbouwingen nog niet bestond en thans bij het opstellen van de staten, alweer twee jaar is opgeheven. Daarnaast dient bij het bepalen van de waarde van woonark onderscheid te worden gemaakt in de waarde van de ligplaats en woonark 'an sich'. Bovendien zijn er tal van gebreken aan de woonark.
De vrouw wijst verder erop dat zij allerlei kosten heeft moeten maken, bijvoorbeeld voor het aanvragen van vergunningen, waarmee rekening moet worden gehouden bij een eventuele verrekening.
De vrouw heeft een taxatierapport laten opmaken waaruit een waarde per peildatum volgt van € 715.000,-.
De werkzaamheden en arbeidsinspanningen van de man die zijn verricht aan de woonark plaatst de vrouw in de context dat zij alle lasten van de woonark heeft gedragen. Zij ziet de activiteiten als de uitvoering van een verplichting van moraal en fatsoen richting het gezin en in de context van het huwelijk.
3 De beoordeling door het hof
Het hof zal allereerst ingaan op de stelling van de vrouw dat het hof heeft gemeend dat het verrekenbeding zoals dat tussen partijen geldt tevens een verrekening van ‘zwarte inkomsten’ omvat, hoewel daarvoor naar de letter van de huwelijkse voorwaarden geen ruimte is. Voor een nadere interpretatie van het inkomensbegrip is ook geen ruimte, omdat de bewoordingen van de bepaling ten aanzien van dat wat onder inkomen moet worden verstaan klip en klaar zijn, aldus de vrouw. Het hof begrijpt dat de vrouw hiermee verzoekt terug te komen op de bindende eindbeslissing onder 2.22 van de beschikking van 8 oktober 2024. Het hof heeft in bedoelde rechtsoverweging geoordeeld dat op grond van de huwelijkse voorwaarden van partijen als te verrekenen inkomen heeft te gelden hetgeen de man feitelijk aan de onderneming heeft kunnen onttrekken. Anders dan de vrouw stelt, gaat het daarbij niet alleen om de feitelijke geldstromen (contant of giraal uit de onderneming opgenomen geld), maar kan het ook gaan om feitelijk gebruik van materialen uit de onderneming ten behoeve van de verbouwing van de woonboot.
De stelling van de vrouw dat [X] Limited eerst op 21 februari 2020 is opgericht en per 5 april 2022 is beëindigd, maakt dit niet anders. Zoals het hof reeds heeft overwogen in zijn tussenbeschikking van 8 oktober 2024, staat vast dat partijen van de winst uit onderneming van de man leefden. Er kan dan ook vanuit gegaan worden dat de man met het door hem verdiende geld materialen heeft aangeschaft. Daarbij komt dat met deze uitleg van de huwelijkse voorwaarden een billijk resultaat wordt bereikt. Het hof ziet dan ook in het betoog van de vrouw geen aanleiding om terug te komen op de eerder door het hof genomen bindende eindbeslissing.
Wat betreft de stellingen van de vrouw over de waarde van de woonboot, en dan in het bijzonder het onderscheid tussen de waarde van de woonboot en de waarde van de ligplaats, overweegt het hof als volgt. Voor de vaststelling van de verrekenvordering in verband met de door partijen gedane aflossingen op de hypothecaire geldlening en het door de man gefinancierde deel van de aankoop, doet het door de vrouw gemaakte onderscheid hoe dan ook niet ter zake (zie 2.13 van de beschikking van 8 oktober 2024).
Voor wat betreft de door hof nog vast te stellen investeringen zal de taxateur telkens moet bepalen in hoeverre deze al dan niet hebben geleid tot een waardevermeerdering van de woonark inclusief ligplaats (het gehele te waarderen object). Hetzelfde geldt voor de door de vrouw gestelde gebreken aan de woonboot en ook de kwaliteit van de gebruikte materialen. Deze vertalen zich voor zover aanwezig of voorzienbaar op de peildata (13 juli 2021 en de hierna onder 3.8 genoemde jaartallen) in de waarde van de woonboot inclusief ligplaats.
De stelling van de vrouw dat er kosten voor de aanvraag van nieuwe vergunningen moeten worden gemaakt en al zijn gemaakt, waarmee rekening moet worden gehouden, laat het hof buiten beschouwing. Deze stelling is tardief en daarmee in strijd met de goede procesorde. Hetzelfde geldt voor de stelling op pagina 7 van het bericht van de vrouw van 2 december 2024, dat de klusactiviteiten van de man een natuurlijke verbintenis jegens de vrouw opleveren. Doordat de vrouw deze stellingen pas in haar reactie op 2 december 2024 heeft aangevoerd, heeft de man hiertegen geen verweer meer kunnen voeren. De man is daardoor in zijn procespositie geschaad, reden waarom het hof aan deze stellingen van de vrouw voorbij gaat.
Voor wat betreft hetgeen partijen inhoudelijk over de diverse werkzaamheden hebben aangevoerd, overweegt het hof als volgt. De door de man gegeven nadere toelichting en uitwerking van de verbouwingen in de brief van zijn advocaat van 4 november 2024 sluiten (nagenoeg geheel) aan bij de eerder door hem in de stukken genoemde werkzaamheden, die onder 2.20 van de beschikking van 8 oktober 2024 zijn opgesomd. De man heeft echter geen facturen of betaalbewijzen overgelegd van de door hem opgevoerde werkzaamheden. Het hof kan dan ook niet controleren of de opgevoerde kosten ook daadwerkelijk zijn gemaakt, of daadwerkelijk onderaannemers zijn ingeschakeld en, zo ja, welke bedragen aan hen zijn betaald. Wel constateert het hof op grond van de door de man overgelegde “voor en na” foto’s van de woonark, dat partijen in 2007 een eenvoudige en ietwat verouderde woonboot hebben gekocht. Deze was weliswaar geschikt voor bewoning, maar door de werkzaamheden van de man, die als zodanig onvoldoende door de vrouw zijn weersproken, was op de peildatum (13 juli 2021) sprake van een volledig gemoderniseerde woonboot met een aanzienlijk groter woonoppervlak dan ten tijde van de aankoop. Dat de door de man gestelde werkzaamheden hebben plaatsgevonden, acht het hof dan ook aannemelijk evenals de omstandigheid dat deze werkzaamheden ook daadwerkelijk tot een waardevermeerdering van de woonark hebben geleid.
Het hof kwalificeert het overgrote deel van de door de man uitgevoerde werkzaamheden als investeringen en niet, zoals de vrouw stelt, als huishoudelijke kosten of noodzakelijk onderhoud, met uitzondering van de volgende posten. Naar het oordeel van het hof kan het inkorten van de garage op last van de gemeente in 2015 niet als investering worden aangemerkt. Los van de betwisting door de vrouw, acht het hof het ook niet aannemelijk dat de plaatsing van de cv-ketel in 2016 een investering betreft en geen vervanging in het kader van onderhoud. Daarnaast kunnen de werkzaamheden aan de tuin in 2020 naar het oordeel van het hof deels worden aangemerkt als investering, maar ook deels als onderhoud dan wel een vergroting van het gebruiksgenot. Als investering kan worden aangemerkt dat de tuin is vergroot met 18 m2 en is opgetrokken, waarbij deze constructie is voorzien van een ‘groene muur’. De nieuwe bestrating en beplanting worden aangemerkt als onderhoud.
De man heeft de kosten van zijn werkzaamheden op € 205.127,64 inclusief btw berekend. Het hof is van oordeel dat niet van dit bedrag kan worden uitgegaan. Allereerst blijkt uit de door de man gegeven nadere onderbouwing van de kosten niet of daarbij van de destijds geldende of de huidige kostprijs van de benodigde materialen e.d. is uitgegaan. Daarnaast ligt niet voor de hand dat gerekend wordt met prijzen inclusief btw, nu gesteld noch gebleken is dat de man de benodigde materialen in privé heeft aangeschaft. Belangrijker is echter dat de man, die zelf aannemer is en de werkzaamheden grotendeels zelf heeft verricht, de kosten van de werkzaamheden eerder op een bedrag van € 100.000,- schatte. De man heeft geen verklaring gegeven voor het feit dat dat hij thans op een veel hoger bedrag uitkomt, hetgeen naar het oordeel van het hof wel van hem verwacht had mogen worden.
Bij gebreke van een nadere onderbouwing van de opgevoerde kosten en in het licht van het voorgaande zal het hof de totale kosten van de door de man verrichte werkzaamheden naar redelijkheid en billijkheid op een bedrag van € 100.000,- bepalen, waarop het hof een bedrag van € 20.000,- in mindering zal brengen voor de werkzaamheden, die niet kunnen worden aangemerkt als investering, maar als onderhoud, zoals overwogen onder 3.5.
Het hof zal een onderscheid maken in drie perioden waarin de investeringen zijn gedaan, met in elke periode het zwaartepunt in het jaar waarin de meeste investeringen zijn verricht:
- de periode van 2009 tot en met 2010, met als zwaartepunt 2010, waarin de schuur is vervangen en een kantoorruimte, dan wel – zoals de vrouw heeft gesteld – een gastenverblijf is gebouwd, waardoor een extra ruimte is ontstaan van 35 m2. Daarnaast is de vloer in de woonkamer verlaagd en is een extra verdieping gecreëerd van 25 m2;
- de periode van 2015 tot en met 2017, met als zwaartepunt 2016, waarin de gevelbekleding aan de waterzijde is vervangen, een betonfundering van 15 bij 2 meter is aangebracht, die is verbonden met de bestaande ark door een staalconstructie aan de waterlijn en een staalkooiconstructie met de eerste verdieping, waardoor een aanbouw op de begane grond is gerealiseerd en een extra woonoppervlakte van 24 m2 is gecreëerd. Daarbij is onder andere de bestaande keuken uitgebreid naar een woonkeuken. Ook zijn alle kozijnen op de begane grond vervangen door dubbele deuren en is de omlijsting van alle kozijnen van hout vervangen door een gecoate zetprofiel (staal). Daarnaast is de houten steiger met 30 m2 vergroot en voorzien van nieuwe steigerplanken;
- de periode van 2018 tot en met 2020, met als zwaartepunt 2019, waarin de houten kozijnen aan de voorzijde van de eerste verdieping zijn vervangen, de gevelbekleding op de eerste verdieping aan de tuinzijde is vervangen en geïsoleerd. Ook is een uitbouw op de eerste verdieping van 14 m2 geplaatst, is het dak vervangen door een duurzame dakbedekking met isolatie en zijn 12 solarpanelen geïnstalleerd. Bovendien zijn alle dakgoten en de hemelwaterafvoer vervangen door een zinken variant en is de ark getrimd door een duikteam. Daarnaast is de tuin vergroot met 18 m2 en opgetrokken, welke constructie is voorzien van een ‘groene muur’.
Het hof bepaalt de investeringen per periode in redelijkheid op een bedrag van:
- € 10.000,- over de periode 2009-2010 (zwaartepunt begin 2010);
- € 45.000,- over de periode 2015-2017 (zwaartepunt medio 2016);
- € 25.000,- over de periode 2018-2020 (zwaartepunt medio 2019).
In totaal houdt het hof dus rekening met een door de man gedane investering van € 80.000,- over de gehele periode.
Zoals in de beschikking van 8 oktober 2024 is overwogen, is het hof voornemens een makelaar als deskundige te benoemen om een taxatie te verrichten ter vaststelling van de waarde van de woonark per peildatum 13 juli 2021. Deze taxatie is allereerst van belang om de hoogte van de verrekenvordering in verband met de investering bij de aankoop van de woonark en de aflossing op de hypothecaire geldlening te kunnen vaststellen (vgl. 2.13 in de beschikking van 8 oktober 2024). De vrouw heeft weliswaar op eigen initiatief een taxatierapport op laten maken op 15 november 2024, maar nu dit taxatierapport opnieuw niet mede in opdracht van de man is opgesteld, zal het hof hieraan voorbij gaan.
Naast deze waarde is het hof voor de berekening van het aandeel in de waardevermeerdering ook voornemens te vragen de waarde van de woonark te schatten per 1 januari 2010, 1 juli 2016 en 1 juli 2019, en dan steeds alsof de desbetreffende verbouwingen nog niet hebben plaatsgevonden. Bij de taxatie in 2016 moet wel rekening worden gehouden met de verbouwingen in 2010. Hetzelfde geldt voor de taxatie in 2019, waarbij de verbouwingen in 2010 en 2016 moeten worden meegenomen. Bij de laatste taxatie moet rekening worden gehouden met alle verbouwingen, waarbij wordt uitgegaan van de staat van de woonark op 13 juli 2021. Het te verrekenen bedrag in verband met de door de man gedane investeringen wordt dan volgens de volgende formule berekend: X: (Y+X) x Z. Daarbij staat X voor de kosten van de verbouwingen per respectievelijk 2010, 2016 en 2019, Y betreft de nog te taxeren waarde van de woonark per 1 januari 2010, 1 juli 2016 en 1 juli 2019 voor de verbouwing, en Z staat voor de waarde van de woonark op de peildatum, te weten 13 juli 2021.
Het hof is voornemens aan de deskundige de volgende vragen te stellen:
1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de woonark gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] :
- vóór de verbouwing in 2010, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 januari 2010;
- vóór de verbouwing in 2016, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2016;
- vóór de verbouwing in 2019, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2019;
- op 13 juli 2021.
Bij de taxatie is uitgangspunt dat de werkzaamheden genoemd in rechtsoverweging 3.7 per periode op de genoemde taxatiedatum nog niet hebben plaatsgevonden, zoals hiervoor onder 3.10 uiteen gezet is. Ook dient u ervan uit te gaan dat de woonark voldoet aan alle eisen van de gemeente, er sprake is van een ligplaatsvergunning en de benodigde vergunningen voor de verbouwing/uitbreiding van de woonark;
2. Heeft u overigens nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang kunnen zijn?
Het hof heeft woonbootmakelaar de heer [naam] , werkzaam bij [Y] bereid gevonden deze taxatie te verrichten. Gelet op de van de deskundige verkregen voorlopige begroting wordt het voorschot voor zijn kosten bepaald op € 3.500,- inclusief btw. Deze kosten kunnen hoger uitvallen. Deze benoeming, waaronder de aan de deskundige te stellen vragen, worden definitief tenzij partijen uiterlijk op 10 juni 2025 daartegen schriftelijk bezwaar hebben gemaakt dan wel aanvullende vragen voor de deskundige hebben geformuleerd, in welk geval het hof nader zal beslissen. Het door de deskundige te berekenen voorschot op zijn kosten zal door partijen ieder bij helfte dienen te worden voldaan. In de einduitspraak zal het hof beslissen wie van partijen deze kosten zal dienen te dragen.
De deskundige zal de opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris.
Partijen zullen nadat het taxatierapport is uitgebracht, de gelegenheid krijgen (eerst de man, daarna de vrouw) zich uit te laten over het rapport en de consequenties daarvan voor de verrekenvordering.
Het hof houdt partijen voor dat de hiervoor opgesomde vragen aan de makelaar uitgebreide taxaties zullen opleveren en dat daaraan ook de nodige kosten zijn verbonden. Partijen kunnen eenvoudigheidshalve ook ervoor kiezen om samen één datum in het midden van de periode van investeringen van 2009 tot en met 2020 te kiezen. Partijen dienen dit uiterlijk op 10 juni 2025 aan het hof te berichten.
Het hof wil partijen tot slot in overweging geven met elkaar in overleg te treden om te kijken of zij alsnog tot overeenstemming kunnen komen, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen alsmede de uitvoerige processuele handelingen die nog zullen moeten volgen bij de benoeming van een deskundige en de kosten en tijd die hierbij zullen komen kijken.
Het vorengaande leidt tot de volgende beslissing.
4 De beslissing
Het hof:
zaaknummer 200.320.560/01:
ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden:
beveelt een onderzoek door een deskundige ter beantwoording van de volgende vragen:
1. Wat is de onderhandse verkoopwaarde van de woonark gelegen aan de [A-straat] te [plaats A] :
- vóór de verbouwing in 2010, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 januari 2010;
- vóór de verbouwing in 2016, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2016;
- vóór de verbouwing in 2019, waarbij de taxatiedatum wordt gesteld op 1 juli 2019;
- op 13 juli 2021.
Bij de taxatie is uitgangspunt dat de werkzaamheden genoemd in rechtsoverweging 3.7 per periode op de genoemde taxatiedatum nog niet hebben plaatsgevonden, zoals hiervoor onder 3.10 uiteen gezet is. Ook dient u ervan uit te gaan dat de woonark voldoet aan alle eisen van de gemeente, er sprake is van een ligplaatsvergunning en de benodigde vergunningen voor de verbouwing/uitbreiding van de woonark;
2. Geeft het onderzoek u aanleiding tot aanvullende opmerkingen? Zo ja, welke?
benoemt voor het geval geen van partijen uiterlijk op 10 juni 2025 aan het hof heeft aangegeven zich hierover nog te willen uitlaten tot deskundige om dit onderzoek te verrichten:
de heer [naam] ,
[Y] ,
[adres]
;
wijst de deskundige op het bepaalde in artikel 198 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met name op de verplichting om bij het onderzoek partijen in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen en om in het schriftelijk bericht te doen blijken dat aan dit voorschrift is voldaan, onder vermelding van de inhoud van de opmerkingen en/of verzoeken;
bepaalt dat de deskundige het onderzoek overigens zelfstandig - in de zin van artikel 198 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dat wil zeggen niet onder leiding van het hof - zal verrichten;
bepaalt dat de deskundige een voorschot toekomt van minimaal € 3.500,- (inclusief btw);
bepaalt dat partijen ieder een bedrag van € 1.750,- binnen twee weken na ontvangst van de na te noemen nota, als voorschot van de deskundige zullen voldoen;
bepaalt dat partijen van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak een nota met betaalinstructies zullen ontvangen;
bepaalt dat de griffier onmiddellijk na betaling van het desbetreffende voorschot de deskundige hiervan in kennis zal stellen en dat de deskundige pas dan met het onderzoek behoeft te beginnen;
benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. A.R. Sturhoofd;
bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;
bepaalt dat de (advocaat van de) vrouw en/of de man voor 10 juni 2025 een afschrift van de overige processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen en dat partijen alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;
bepaalt dat de deskundige een schriftelijk, ondertekend bericht zal inleveren ter griffie van het hof vóór 12 augustus 2025;
stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk vier weken na ontvangst van het deskundigenbericht hun reactie op het deskundigenbericht bij het hof in te dienen;
houdt de zaak daartoe aan tot zondag 5 september 2025 pro forma;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Sturhoofd, mr. H.A. van den Berg, en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. A. Blijleven als griffier en is op 13 mei 2025 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.