Personen- en familierecht

huurrecht voormalig echtelijke woning (art. 827 lid sub f Rv jo. art. 7:266 lid 5 BW)

Gerechtshof Amsterdam, 28 juli 2026

Zaakgegevens

Op 28 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
28 juli 2026
Datum publicatie
28 juli 2026
Zaaknummer
200.365.399/01 en 200.365.399/02
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J Breeveld te Amsterdam, mr. W. Matadien te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2059
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

huurrecht voormalig echtelijke woning (art. 827 lid sub f Rv jo. art. 7:266 lid 5 BW)

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummers: 200.365.399/01 en 200.365.399/02

zaaknummer rechtbank: C/13/756919 / FA RK 24-6329

beschikking van de meervoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoekster in hoger beroep en incident,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. J. Breeveld te Amsterdam,

en

[de man] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep en incident,

hierna: de man,

advocaat: mr. W. Matadien te Amsterdam.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over het huurrecht van de voormalig echtelijke woning van partijen. De rechtbank heeft bepaald dat het huurrecht van de woning aan de man toekomt. De vrouw is het daar niet mee eens. Zij wil dat het huurrecht van de woning aan haar wordt toegekend. De man is het wel eens met de beslissing van de rechtbank; hij wil het huurrecht van de woning behouden.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De vrouw is op 25 februari 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2025 (hierna: de bestreden beschikking). Zij heeft daarbij ook verzocht de werking van die beschikking gedeeltelijk te schorsen (zaaknummer 200.365.399/02).

2.2

De man heeft op 10 juni 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

De zitting heeft op 18 juni 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en een tolk Engels: de heer M. Mardo;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat en een tolk Engels: de heer P.A. Duijvekam.

3 De feiten

3.1

De man en de vrouw zijn in 2011 gehuwd te Uganda. Bij de - in zoverre niet bestreden - beschikking van 26 november 2025 heeft de rechtbank Amsterdam de echtscheiding tussen hen uitgesproken. Tijdens het huwelijk zijn geboren:

- [kind 1] [in] 2024 te [plaats B] (hierna: [kind 1] ), en

- [kind 2] , [in] 2012 te [plaats C] , Uganda (hierna: [kind 2] ).

Tussen de ouders is niet in geschil dat de vader niet de biologische vader van [kind 1] en [kind 2] is.

3.2

De vader heeft een minderjarige zoon: [kind 3] , geboren [in] 2010 te [plaats C] , Uganda (hierna: [kind 3] ). Daarnaast heeft de vader blijkens de Basisregistratie Personen (BRP) nog drie kinderen, die inmiddels meerderjarig zijn.

3.3

Partijen hebben (in ieder geval) de Nederlandse nationaliteit.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover in dit beroep van belang, bepaald dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] (hierna: de woning) met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dat de vrouw uiterlijk zes maanden na de ontbinding van het huwelijk de woning zal verlaten. Deze beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

4.2

De vrouw verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het huurecht van de woning aan haar toe te wijzen. Daarnaast verzoekt de zij de werking van de bestreden beschikking te schorsen voor zover daarbij het huurrecht van de woning aan de man is toegekend en verzoekt zij de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

4.3

De man verzoekt het door de vrouw verzochte af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van de procedure.

5 De motivering van de beslissing

Juridisch kader

5.1

In geval van echtscheiding kan de rechter op grond van artikel 827 lid 1 sub f van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) in verbinding met artikel 7:266 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van een echtgenoot bepalen wie van de echtgenoten huurder van de woonruimte zal zijn. In een situatie als deze, waarbij beide ex-echtgenoten om toedeling van het huurrecht verzoeken, dienen de belangen die partijen elk hebben bij het huurrecht van de woning tegen elkaar te worden afgewogen. Ook de belangen van hun minderjarige kinderen spelen daarbij een rol.

Standpunten

5.2

De vrouw is van mening dat de rechtbank het huurrecht van de woning ten onrechte aan de man heeft toegewezen op de grond dat de vrouw in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd. De rechtbank heeft daarmee nagelaten een inhoudelijke belangenafweging te maken. Indien dat wel was gebeurd, had het huurrecht volgens de vrouw aan haar moeten worden toegekend. Hiertoe voert de vrouw aan dat de woning aan haar is toegewezen toen zij als statushouder vanuit het asielzoekerscentrum uitstroomde. De vrouw is in 2018 met [kind 2] en drie kinderen van de man uit Uganda naar Nederland gekomen in het kader van gezinshereniging. De woning is in die zin dus met haar en de kinderen verbonden. De man heeft inmiddels aangegeven dat hij geen zorg meer wil dragen voor [kind 2] en [kind 1] . Hij is ten aanzien van [kind 1] een procedure ontkenning vaderschap gestart bij de rechtbank. De vrouw heeft geen vervangende woonruimte en dreigt met [kind 2] en [kind 1] dakloos te raken als zij de woning moeten verlaten. De vrouw beschikt niet over een sociaal netwerk of vangnet in Nederland en heeft een afhankelijke sociaaleconomische positie. De vrouw en haar minderjarige kinderen zijn aanzienlijk kwetsbaarder dan de man en hebben een groter belang dan de man om in de woning te kunnen blijven. De man heeft nog slechts één minderjarig kind van vijftien jaar en is als economisch zelfstandig verblijvende partij minder afhankelijk van deze specifieke woning, aldus de vrouw.

5.3

De man voert verweer. Hij voert aan dat de vrouw in de procedure bij de rechtbank geen verweer heeft gevoerd, omdat zij het eens was met het verzoek van de man. Partijen hadden afgesproken dat de vrouw zich zou wenden tot de gemeente voor een urgentieverklaring en op zoek zou gaan naar een andere woning. Zij dachten dat de vrouw met haar twee minderjarige kinderen eerder dan de man in aanmerking zou komen voor vervangende woonruimte, mede omdat beschikbare woningen in [plaats A] vaker geschikt zijn voor kleinere gezinnen. De man stelt zich nog steeds op dit standpunt. De man woont samen met zijn minderjarige zoon [kind 3] en nog twee meerderjarige kinderen. Het zal voor hen haast onmogelijk zijn om binnen afzienbare tijd een nieuwe woning te krijgen. Daarnaast zal het voor de meerderjarige kinderen gelet op de huidige woningmarkt onmogelijk zijn om zelfstandig te gaan wonen. Het belang van de man om met zijn kinderen in de woning te kunnen blijven wonen weegt daarom zwaarder dan het belang van de vrouw. Daarnaast betwist de man dat de woning oorspronkelijk aan de vrouw is toegewezen. De woning is aan het gezin toegewezen in het kader van gezinshereniging en het gezin bestond destijds met name uit de minderjarige kinderen van de man. Ook betwist de man de stelling van de vrouw dat hij niet meer voor [kind 1] en [kind 2] zou willen zorgen.

Beoordeling hof

5.4

Het hof stelt voorop dat waar de vrouw mogelijke fouten en omissies in de behandeling van de procedure bij de rechtbank aan de orde stelt, het hoger beroep mede ertoe dient deze te herstellen. Zij heeft in eerste aanleg geen verweer gevoerd, maar is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld haar standpunt naar voren te brengen en te reageren op het standpunt van de man. Haar stelling dat de rechtbank het huurrecht van de woning ten onrechte aan de man heeft toegewezen op de grond dat de vrouw in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd en daarmee heeft nagelaten een belangenafweging te maken, behoeft dan ook geen verdere bespreking.

5.5

Beide partijen hebben een zwaarwegend belang bij het verkrijgen van het huurrecht van de woning. Zij hebben allebei inwonende, minderjarige, kinderen en voor beiden geldt dat het vinden van vervangende woonruimte naar verwachting lastig zal zijn. Wel kan ervan worden uitgegaan dat zowel de man als de vrouw in staat zullen zijn uit hun maandelijkse inkomen plus eventuele toeslagen de huur van de woning te betalen, zoals ter zitting in hoger beroep ook met partijen is besproken.

Het hof komt na afweging van de aangevoerde belangen van partijen tot het oordeel dat het huurrecht van de woning aan de vrouw dient toe te komen. Daarbij is doorslaggevend dat de vrouw de zorg draagt voor twee minderjarige kinderen, waarvan de jongste pas twee jaar oud is. De man is niet de biologische vader van de kinderen. Hij is ten aanzien van [kind 1] een procedure ontkenning vaderschap begonnen. Het hof gaat er daarom van uit dat [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw zullen blijven wonen en zij de volledige verantwoordelijkheid over hun verzorging en opvoeding zal dragen. Dat de man stelt zich over [kind 2] en [kind 1] te zullen ontfermen, maakt dat niet anders. Zijn juridische acties om tot ontkenning van het vaderschap van [kind 1] te komen, weerspreken deze uitlatingen van de man. De vrouw heeft verder nog aangevoerd dat [kind 2] en [kind 1] geworteld zijn in de omgeving van de woning en daar naar school en naar de kinderopvang gaan. Het hof acht het in hun belang om te kunnen blijven wonen in de woning en in de omgeving waar zij (grotendeels) zijn opgegroeid en het centrum van hun leven hebben. Dat de jongste dochter van de vrouw, [kind 1] , pas twee jaar oud is weegt voor het hof zwaar mee in de belangenafweging. Zij is voor haar emotionele en fysieke veiligheid en ontwikkeling volledig afhankelijk van de vrouw. Dit maakt dat de belangenafweging doorslaat naar de kant van de vrouw in plaats van naar de man. De man heeft weliswaar ook een minderjarige zoon, [kind 3] , maar hij is vijftien jaar oud en daarmee minder kwetsbaar en afhankelijk van de man dan [kind 1] is van de vrouw. Dit neemt niet weg dat ook [kind 3] er belang bij heeft om in de woning te kunnen blijven wonen. De vrouw heeft [kind 3] jarenlang samen met de man verzorgd en opgevoed. Het hof gaat er daarom vanuit dat ook de vrouw zich ervoor zal inspannen dat hij niet op straat zal komen te staan en hem onderdak zal bieden, zolang de man nog geen andere woonruimte heeft gevonden. Dit geldt eveneens voor de inwonende meerderjarige kinderen van de man, al kan van hen worden verwacht dat zij zich ook zelf zullen inspannen om zelfstandige woonruimte te zoeken. Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat de vrouw sneller in aanmerking komt voor een urgentieverklaring, althans vervangende woonruimte, omdat hij deze stelling naar het oordeel van het hof onvoldoende heeft onderbouwd. Niet gebleken is dat de man met zijn minderjarige zoon (en meerderjarige kinderen) minder snel in aanmerking zou komen voor een urgentieverklaring, althans vervangende woonruimte dan de vrouw met haar minderjarige kinderen.

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en het huurrecht van de woning alsnog aan de vrouw toekennen.

Schorsingsverzoek

5.6

Aangezien het hof in deze beschikking tot een eindbeslissing komt met betrekking tot het huurrecht van de woning, heeft de vrouw geen belang meer bij schorsing van de werking van de bestreden beschikking. Het hof zal het verzoek van de vrouw dan ook afwijzen.

Proceskosten

5.7

Beide partijen hebben verzocht om de ander in de proceskosten te veroordelen. Het hof ziet, gelet op de familierechtelijke aard van de procedure, geen aanleiding voor een veroordeling van een van partijen in de proceskosten. Het hof zal de proceskosten compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.8

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummer 200.365.399/01:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat de man huurder zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] , en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de vrouw huurder zal zijn van de woning aan het adres [A-straat] te [plaats A] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, en dat de man uiterlijk zes maanden na de ontbinding van het huwelijk de woning zal verlaten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte;

in de zaak met zaaknummer 200.365.399/02:

wijst het schorsingsverzoek van de vrouw af;

in beide zaken:

bepaalt dat ieder van partijen zijn eigen proceskosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.C. Louwinger-Rijk, mr. J.F. Miedema en mr. J.W. Brunt, in tegenwoordigheid van mr. A. Paats als griffier en is op 28 juli 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.