Personen- en familierecht
uitwerking verkorte (‘kop staart’) beschikking. Het hof acht een machtiging tot uithuisplaatsing…
Gerechtshof Amsterdam, 4 augustus 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2140 · Gerechtshof Amsterdam · 4 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2140
Zaakgegevens
Op 4 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 augustus 2026
- Datum publicatie
- 4 augustus 2026
- Zaaknummer
- 200.370.103/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.I. Takens te Amsterdam.
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2140
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
uitwerking verkorte (‘kop staart’) beschikking. Het hof acht een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. Het hof wijst het inleidend verzoek van de GI (alsnog) toe en verleent een machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.370.103/01
zaaknummer rechtbank: C/13/784224 / JE RK 26-175
beschikking van de meervoudige kamer van 4 augustus 2026 in de zaak van
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio [plaats A] ,
gevestigd te [plaats A] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de GI,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. R.I. Takens te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ).
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over de vraag of een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (9 jaar) noodzakelijk is. De kinderrechter heeft het inleidende verzoek van de GI om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen, afgewezen. De GI is het daarmee niet eens en wil dat haar inleidende verzoek alsnog wordt toegewezen. De moeder is het wel eens met de beslissing van de kinderrechter.
2 De procedure in hoger beroep
De GI is op 11 juni 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 19 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter).
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de GI van 20 juli 2026, met bijlagen;
- een bericht van de zijde van de moeder van 21 juli 2026, met bijlagen.
- een bericht van de zijde van de GI van 21 juli 2026, met bijlagen.
De zitting heeft op 23 juli 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- een tweetal vertegenwoordigers van de GI (de gezinsmanager en een collega);
- de moeder, bijgestaan door mr. C.E.D. de Koning, advocaat te Amsterdam (waarnemend voor mr. Takens).
De raad was, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet aanwezig ter zitting.
Het hof heeft [minderjarige] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat zij van de zaak vindt. Op 27 juli 2026 heeft zij een gesprek gevoerd met de voorzitter, in het bijzijn van de griffier. Aan partijen is een zakelijk verslag van dit gesprek verzonden. Zij zijn daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk donderdag 30 juli 2026 om 17.00 uur op het verslag te reageren.
De GI heeft op 28 juli 2026 per e-mail op het verslag gereageerd. Namens de moeder heeft mr. C.E.D. de Koning bij brief van 29 juli 2026 gereageerd.
Ter zitting is duidelijk geworden dat op 17 augustus 2026 een zitting zal plaatsvinden bij de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam, waar een (nieuw) verzoek van de GI zal worden behandeld om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen. Gelet hierop is aan partijen ter zitting in hoger beroep medegedeeld dat de uitspraak in deze zaak zal worden bepaald 4 augustus 2026, in de vorm van een verkorte (zogenoemde) ‘kop staart’ beschikking die later nog nader uitgewerkt zal worden.
3 De feiten
De zaak heeft betrekking op [minderjarige] , geboren [in] 2016 te [plaats A] .
[minderjarige] is een kind van de moeder. De moeder oefent het gezag over [minderjarige] alleen uit.
[minderjarige] woont bij de moeder.
De moeder heeft naast [minderjarige] nog een dochter, [minderjarige 2] (geboren [in] 2012). [minderjarige 2] verblijft op dit moment in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder in [plaats] .
[minderjarige] en [minderjarige 2] zijn op 18 oktober 2024 voorlopig onder toezicht gesteld en met spoed uit huis geplaatst.
Bij beschikking van de kinderrechter van 30 oktober 2024 zijn [minderjarige] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling van beide kinderen is inmiddels verlengd tot 30 oktober 2026.
Bij voornoemde beschikking van 30 oktober 2024 is ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] en [minderjarige 2] verleend voor de duur van vijf maanden tot 30 maart 2025.
De GI heeft in februari 2025 besloten om [minderjarige] en [minderjarige 2] weer bij de moeder te plaatsen met intensief compenserende hulpverlening en ondertussen te zoeken naar behandeling die noodzakelijk werd geacht voor de moeder.
Op 10 december 2025 is [minderjarige 2] , de zus van [minderjarige] , opnieuw met spoed uit huis geplaatst. Bij beschikking van 11 december 2025 heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 25 december 2025. Bij beschikking van de kinderrechter van 23 december 2025 is aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot – zo begrijpt het hof – 25 juni 2026.
Sinds november 2025 gaat [minderjarige] één keer per maand naar een weekendpleeggezin.
4 De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking het inleidende verzoek van de GI, om een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling, afgewezen.
De GI verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek een machtiging te verlenen tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg (alsnog) toe te wijzen.
De moeder verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5 De motivering van de beslissing
(nadere overwegingen volgen bij de uitwerking van de beschikking)
6 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Amsterdam van 19 maart 2026;
en opnieuw rechtdoende:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling, tot 30 oktober 2026;
verklaart deze beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.V.T. de Bie en mr. M. Overmars, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 4 augustus 2026 in verkorte vorm in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.