Personen- en familierecht

gezag artikel 1:253c BW. Omgangsregeling.

Gerechtshof Amsterdam, 15 september 2026

Zaakgegevens

Op 15 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
15 september 2026
Datum publicatie
15 september 2026
Zaaknummer
200.366.437/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. J.J.C Engels te Heerhugowaard, mr. F.S.C. Thijsse te Den Helder
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2628
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

gezag artikel 1:253c BW. Omgangsregeling.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.366.437/01

zaaknummer rechtbank: C/15/321123 / FA RK 21-4911

beschikking van de meervoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. J.J.C. Engels te Heerhugowaard,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. F.S.C. Thijsse te Den Helder.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ).

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag, locatie Alkmaar,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over het gezag over [minderjarige 1] (6 jaar oud) en de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] . De rechtbank heeft het verzoek van de vader om hem mede met het gezag over [minderjarige 1] te belasten afgewezen en heeft een omgangsregeling vastgesteld waarbij [minderjarige 1] om de week anderhalf uur deels onder begeleiding bij de vader verblijft. De vader is het daar niet mee eens. De moeder is het daar wel mee eens.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De vader is op 16 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 15 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de rechtbank).

2.2

De moeder heeft op 22 april 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de vader van 17 juli 2026 met bijlagen;

- een bericht van de zijde van de moeder van 23 juli 2026 met bijlagen.

2.4

De zitting heeft op 6 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De raad is, met bericht van afmelding, niet verschenen.

2.5

Tijdens de zitting is, met instemming van het hof, door de moeder een evaluatie van Esdégé-Reigersdaal overgelegd. Het hof heeft de mondelinge behandeling vervolgens geschorst om de vader en zijn advocaat in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van het stuk en dit onderling te bespreken. Daarna is de mondelinge behandeling voortgezet.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder hebben een relatie met elkaar gehad. Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige 1] , geboren [in] 2020 te [plaats B] ;

- [minderjarige 2] , geboren [in] 2020 te [plaats B] .

[minderjarige 2] is kort na de geboorte overleden. De vader heeft [minderjarige 1] op 3 oktober 2022 erkend.

3.2

Bij beschikking van de rechtbank van 25 november 2021 is in het kader van voorlopige voorzieningen bepaald dat partijen in onderling overleg en in overleg met de hulpverlening via team jeugd van de gemeente [plaats A] een begeleide omgangsregeling zullen opstarten tussen de vader en [minderjarige 1] , waarbij partijen in overleg met de hulpverlening zullen bekijken welke persoon deze omgangsregeling kan begeleiden.

3.3

Bij beschikking van de rechtbank van 31 mei 2022 is aan de vader vervangende toestemming tot erkenning van [minderjarige 1] verleend. De behandeling van de zaak met betrekking tot het gezag, de omgang en de hoofdverblijfplaats is aangehouden.

3.4

Via het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 3 februari 2023 zijn partijen doorverwezen naar het Uniform Hulpaanbod. Tijdens die zitting heeft de vader de verzoeken ten aanzien van het gezamenlijk gezag en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] ingetrokken. Bij beschikking van 17 februari 2023 heeft de rechtbank de behandeling van de zaak met betrekking tot de omgang pro forma aangehouden in afwachting van berichten over het resultaat van het uniform hulpaanbod.

3.5

De vader heeft bij bericht van 8 augustus 2023 zijn verzoek met betrekking tot het gezag opnieuw ingediend.

3.6

Bij beschikking van de rechtbank van 12 november 2024 is de behandeling van de zaak pro forma aangehouden in afwachting van bericht van partijen over het verloop van de omgang en over een definitieve omgangsregeling die in een eindbeschikking kon worden vastgelegd.

3.7

De rechtbank heeft vervolgens in de bestreden beschikking het verzoek van de vader om mede met het gezag over [minderjarige 1] te worden belast afgewezen. De rechtbank heeft een omgangsregeling bepaald waarbij [minderjarige 1] om de week anderhalf uur deels onder begeleiding van Esdégé-Reigersdaal (of een andere daarvoor in de plaats getreden hulpverlener) bij de vader verblijft, onder de voorwaarde dat de betrokken hulpverlening dit in het belang van [minderjarige 1] acht.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en zijn verzoek ten aanzien van het gezamenlijk gezag alsnog toe te wijzen. Daarnaast verzoekt de vader een omgangsregeling te bepalen waarbij [minderjarige 1] vanaf vrijdagmiddag 15:00 uur tot zondag 18:00 uur (inclusief avondeten) in de even weken bij de vader zal verblijven. De vader zal [minderjarige 1] ophalen bij school dan wel bij de moeder en de moeder zal [minderjarige 1] weer ophalen bij de vader. De vakanties- en feestdagen dienen bij helfte te worden verdeeld.

4.2

De moeder verzoekt het hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

Het wettelijk kader

5.1

Ingevolge artikel 1:253c van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde vader van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag over het kind te belasten.

Uit het tweede lid van voornoemd artikel volgt dat indien dit verzoek ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten en de andere ouder met dit gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten

5.2

De vader stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek om hem mede met het gezag over [minderjarige 1] te belasten ten onrechte is afgewezen. De vader is wel degelijk bereid om in overleg te treden met de moeder over alles wat [minderjarige 1] betreft. De vader wil een betrokken vader zijn en alle ontwikkelingsfasen van [minderjarige 1] beleven, het liefst met een goede verstandhouding met de moeder. Omdat de moeder zich vanaf de geboorte van [minderjarige 1] heeft verzet tegen de rol van de vader, is kort na de geboorte van [minderjarige 1] hulpverlening betrokken geraakt. De onderlinge verstandhouding is op dit moment echter niet zodanig slecht dat dit de uitvoering van het ouderschap zou kunnen belemmeren. De vader wil nog steeds samen met de moeder uitvoering geven aan het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] . Het wettelijk uitgangspunt is gezamenlijk ouderlijk gezag en de vader ziet niet in waarom hier geen uitvoering aan kan worden gegeven. Gezamenlijk gezag doet bovendien recht aan de belangen van [minderjarige 1] en kan in zijn belang worden geacht.

5.3

De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft besloten het verzoek van de vader af te wijzen. De moeder is van mening dat het niet in het belang van [minderjarige 1] is als de vader mede met het gezag over hem wordt belast. Om op een goede manier samen invulling te geven aan het ouderlijk gezag moet sprake zijn van een basis waarbij de onderlinge communicatie tussen de ouders voldoende is. Daar is geen sprake van. De onderlinge communicatie tussen partijen is zodanig ondermaats dat het niet mogelijk is om samen invulling te geven aan het ouderlijk gezag. De hulpverlening heeft zich in het begin ingezet om de communicatie tussen de ouders te verbeteren maar is hiermee gestopt omdat verbetering niet haalbaar zou zijn. Partijen communiceren al jarenlang nauwelijks met elkaar. De afgelopen jaren heeft de moeder ervaren dat de vader voor langere periodes niet bereikbaar is. De moeder ergert zich aan het feit dat de vader de afgelopen jaren nooit naar [minderjarige 1] heeft gevraagd en geen enkel initiatief toont in het onderhouden van communicatie betreffende [minderjarige 1] . De vader is ook niet betrokken bij school of andere activiteiten van [minderjarige 1] hoewel de moeder hem in het verleden wel in de gelegenheid daartoe heeft gesteld en hem daarbij heeft proberen te betrekken. De moeder is van mening dat een onaanvaardbaar risico bestaat dat [minderjarige 1] klem of verloren zal raken tussen partijen als de vader mede met het gezag over hem wordt belast. Het valt niet te verwachten dat hier binnen een afzienbare tijd voldoende verbetering in zal komen.

Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder aanvullend verklaard dat [minderjarige 1] kampt met gedragsproblematiek. De moeder moet tijdig en goed met de hulpverlening kunnen communiceren. Dat zal gecompliceerder worden als de vader mede met het gezag wordt belast. Bovendien is de vader niet in staat om gezagsbeslissingen te nemen omdat hij niet op de hoogte is van alle zaken rondom [minderjarige 1] .

De beoordeling door het hof

5.4

Het hof overweegt dat sinds de relatie van de ouders is verbroken sprake is van een moeizame verstandhouding tussen hen. Kort na het verbreken van de relatie is hulpverlening betrokken geraakt en zijn er in de afgelopen jaren diverse hulpverlenende instanties ingeschakeld. Tot op heden heeft dit helaas niet geleid tot een structurele verbetering in de communicatie tussen de ouders. De moeder verwijt de vader dat hij te weinig initiatief toont in het leven van [minderjarige 1] en op zijn beurt geeft de vader daarover aan dat hij graag betrokken wil zijn in het leven van [minderjarige 1] . Desgevraagd heeft hij ter zitting verklaard niet goed te weten wat het hebben van gezag inhoudt.

5.5

Het hof is van oordeel dat de rechtbank het verzoek van de vader om mede met het gezag over [minderjarige 1] te worden belast terecht heeft afgewezen. De vader stelt zich niet actief op ten aanzien van [minderjarige 1] en is daardoor niet op de hoogte van alles wat er speelt in zijn leven. Dit maakt het nemen van gezagsbeslissingen moeilijk. De vader heeft sinds april van dit jaar wel weer op regelmatige basis (beperkt) omgang met [minderjarige 1] maar hieruit kan niet worden afgeleid dat de vader op dit moment in staat is gezagsbeslissingen te nemen over [minderjarige 1] . Het hof is daarom van oordeel dat het in het belang van [minderjarige 1] is dat de moeder op dit moment met het eenhoofdig gezag over [minderjarige 1] belast blijft. Dit betekent dat het hof de bestreden beschikking op dit punt zal bekrachtigen.

Omgang

5.6

Op grond van artikel 1:377a, eerste lid, BW heeft het kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. Op grond van het tweede lid stelt de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt hij, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

De standpunten

5.7

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij om de week onder begeleiding anderhalf uur contact mag hebben met [minderjarige 1] . Hij vindt dit te weinig. De vader meent dat hij wel degelijk in staat is om goed voor [minderjarige 1] te zorgen en aansluiting te vinden bij zijn ontwikkelingsniveau. Dit blijkt uit de opgestelde omgangsverslagen. Het is onduidelijk waarom de vader een zeer summiere omgangsregeling heeft en waarom deze contactmomenten niet in de loop van de tijd kunnen worden uitgebreid naar een reguliere regeling van een weekend per twee weken. De vader is zelfstandig ondernemer, heeft geen verstandelijke beperking, heeft geen gedrags-/emotieregulatie dan wel agressieproblematiek, geen verslavingsproblematiek en is in staat goed voor zichzelf en [minderjarige 1] te zorgen. De vader wil graag een omgangsregeling zoals geformuleerd in het petitum van zijn verzoekschrift met dien verstande dat de vader in eerste instantie vaststelling van een co-ouderschapsregeling verzocht en dit verzoek wil beperken tot een zogenaamde weekendregeling omdat de moeder zoveel weerstand heeft.

5.8

De moeder is van mening dat de rechtbank de omgangsregeling terecht heeft vastgesteld. In december 2024 is de omgang door de hulpverlening opgepakt nadat de vader [minderjarige 1] sinds begin 2024 niet had gezien. Onder begeleiding van Esdégé-Reigersdaal was de omgang opgebouwd naar anderhalf uur om de week en werd deze nog deels begeleid. Vanaf medio 2025 kwam de omgang weer stil te liggen. De vader is na het laatste omgangsmoment op 22 juli 2025 een maand op vakantie geweest en heeft na zijn terugkomst geen contact meer opgenomen met de hulpverlening en ook niet meer naar [minderjarige 1] gevraagd. Ook waren grote gedragsveranderingen zichtbaar bij [minderjarige 1] . [minderjarige 1] werd een stuk rustiger toen de omgang weer stil kwam te liggen. De omgang is pas zeer recent weer opgepakt en herstart. Het contact tussen de vader en [minderjarige 1] moet nu eerst weer worden hersteld en opgebouwd. Daarbij moet eerst sprake zijn van regelmaat en structuur in de omgang voordat over uitbreiding kan worden gesproken. [minderjarige 1] heeft nooit langer dan een paar uur bij de vader verbleven (waarbij telkens sprake is geweest van deels begeleide omgang) en heeft nog nooit bij de vader overnacht. Eerst moet duidelijk worden wat de mogelijkheden van partijen en [minderjarige 1] zijn.

De beoordeling

5.9

Uit de door de begeleiding opgestelde omgangsverslagen is gebleken dat de omgang tussen de vader en [minderjarige 1] goed verloopt, wat ook door partijen ter zitting is bevestigd. Uit de evaluatie van 16 oktober 2025 van Esdégé-Reigersdaal blijkt ook dat de contactmomenten tussen de vader en [minderjarige 1] goed verlopen en dat de vader de adviezen van de hulpverlening opvolgt. Volgens de betrokken hulpverleners zijn er tijdens de contactmomenten geen terugkerende aandachtspunten of zorgen. en is het een leuk moment voor beiden.

De moeder heeft ter zitting een recent evaluatieverslag van de omgang overgelegd. In deze evaluatie staat dat het goed is om de omgang op te bouwen in uren zolang de omgang goed gaat. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat niet is gebleken van contra-indicaties. De door de moeder gestelde zorgen over het gedrag van [minderjarige 1] rondom omgangsmomenten zijn niet onderbouwd met stukken van bijvoorbeeld een neutrale betrokkene. Het hof trekt uit dit alles de conclusie dat uitbreiding van de omgangsregeling zoals de rechtbank heeft bepaald, geoorloofd is.

5.10

Partijen hebben ter zitting overeenstemming bereikt over de opbouw van een uitgebreidere omgangsregeling tussen de vader en [minderjarige 1] . De vader en [minderjarige 1] zullen omgang hebben op de volgende momenten (die tot aan de verdere opbouw plaats zullen vinden op de dinsdag, vanaf 12:00 uur):

- 11 augustus 2026 deels begeleid, duur omgang: 2 uur in totaal;

- 25 augustus 2026 deels begeleid, duur omgang: 2,5 uur in totaal;

- 8 september 2026 deels begeleid, duur omgang: 3 uur in totaal;

- 6 oktober 2026 deels begeleid, duur omgang: 4 uur in totaal.

Bovenstaande omgangsmomenten zullen deels begeleid worden door Esdégé-Reigersdaal.

5.11

Na 6 oktober 2026 zullen de omgangsmomenten plaatsvinden op de zaterdag, gelet op de duur van de omgangsmomenten. Het streven is daarbij dat met ingang van het omgangsmoment van 10 oktober 2026 geen omgangsbegeleiding meer nodig is. Bij de daaropvolgende omgangsmomenten zullen de tijdens de begeleide omgang gegeven aanwijzingen en doelen van Esdégé-Reigersdaal als uitgangspunt dienen. De vader en [minderjarige 1] zullen omgang hebben op de volgende momenten (op de zaterdagen, vanaf 12:00 uur):

- 10 oktober 2026, duur omgang: 4 uur in totaal (van 12:00 uur tot 16:00 uur waarbij [minderjarige 1] tussen de middag eet bij de vader);

- 24 oktober 2026, duur omgang: 4 uur in totaal (van 12:00 uur tot 16:00 uur waarbij [minderjarige 1] tussen de middag eet bij de vader);

- 7 november 2026, duur omgang 4 uur in totaal (van 12:00 uur tot 16:00 uur waarbij [minderjarige 1] tussen de middag eet bij de vader);

- 21 november 2026, duur omgang 5 uur in totaal (van 12:00 uur tot 17:00 uur waarbij [minderjarige 1] tussen de middag eet bij de vader);

- 12 december 2026, duur omgang 5 uur in totaal (van 12:00 uur tot 17:00 uur waarbij [minderjarige 1] tussen de middag eet bij de vader);

- 23 december 2026 (eenmalig op woensdag), duur omgang 6 uur in totaal (van 11:00 uur tot 17:00 uur);

- 9 januari 2027, duur omgang 6 uur in totaal (van 11:00 uur tot 17:00 uur);

- 23 januari 2027, duur omgang 6 uur in totaal (van 11:00 uur tot 17:00 uur);

- 6 februari 2026, duur omgang 7 uur in totaal (van 10:00 uur tot 17:00 uur);

- 20 februari 2026, duur omgang 7 uur in totaal (van 10:00 uur tot 17:00 uur).

5.12

Hierna zal de regeling zijn dat [minderjarige 1] om de week op zaterdag van 10:00 uur tot 17:00 uur bij de vader is, onder voorwaarde dat het goed gaat met [minderjarige 1] . Voor alle omgangsmomenten geldt dat de moeder [minderjarige 1] naar de vader brengt en dat de vader [minderjarige 1] weer terugbrengt naar de moeder als het omgangsmoment voorbij is. De moeder heeft ter zitting toegezegd een rooster te zullen maken voor de omgang op de zaterdagen waarbij dus te gelden heeft dat de omgang plaatsvindt van 10:00 uur tot 17:00 uur en om het weekend plaatsvindt. De intentie van deze opbouwende omgangsregeling is dat wordt toegewerkt naar een weekendregeling waarbij [minderjarige 1] bij de vader overnacht. De vader heeft ter zitting in hoger beroep toegezegd [minderjarige 1] niet te zullen vervoeren met de auto en rekening te houden met het feit dat [minderjarige 1] lactose-intolerant is. Bij de ter zitting overeengekomen regeling merkt het hof op dat het belangrijk is dat vakanties en dergelijke door partijen zoveel mogelijk worden gepland om de afgesproken data heen, zodat [minderjarige 1] er op kan vertrouwen dat de omgang loopt zoals die thans is afgesproken en zodat er regelmaat is. Dit is in zijn belang.

5.13

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank, voor zover de beschikking ziet op de door de rechtbank bepaalde omgangsregeling, en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat een (opbouwende) omgangsregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige 1] zoals is weergegeven onder r.o. 5.10 en 5.11;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Troost, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 15 september 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.