Personen- en familierecht
bekrachtiging ondertoezichtstelling, artikel 1:255 lid 1 BW
Gerechtshof Amsterdam, 13 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2926 · Gerechtshof Amsterdam · 13 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2926
Zaakgegevens
Op 13 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 13 oktober 2026
- Datum publicatie
- 13 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.371.349/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B. Bos te Hoorn
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2926
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
bekrachtiging ondertoezichtstelling, artikel 1:255 lid 1 BW
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.371.349/01
zaaknummer rechtbank: C15/375918 / JU RK 26-469
beschikking van de meervoudige kamer van 13 oktober 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende op een bij het hof bekend adres,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. B. Bos te Hoorn,
en
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Haarlem,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de raad.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] ,
- [de vader] , hierna: de vader, en
- de gecertificeerde instelling Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering (hierna: de GI).
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over de ondertoezichtstelling van [minderjarige] (7 maanden oud). De kinderrechter heeft [minderjarige] op verzoek van de raad onder toezicht van de GI gesteld tot 22 oktober 2026. De moeder is het daar niet mee eens en vindt dat het verzoek van de raad om [minderjarige] onder toezicht te stellen alsnog moet worden afgewezen. De raad wil dat de ondertoezichtstelling in stand blijft.
2 De procedure in hoger beroep
De moeder is op 7 juli 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
8 april 2026, hersteld bij beschikking van 1 september 2026, (hierna: de bestreden beschikking) van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar (hierna: de kinderrechter).
De raad heeft op 28 augustus 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 2 september 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 4 september 2026;
- een bericht van de zijde van de moeder van 14 september 2026 met bijlage;
- een bericht van de zijde van de moeder van 15 september 2026 met bijlagen.
De zitting heeft op 16 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat vergezeld van een stagiaire;
- een vertegenwoordiger van de GI, en
- de raad, vertegenwoordigd door R. Bark.
De vader was, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet bij de zitting aanwezig.
De advocaat van de moeder heeft bij bericht van 14 september 2026 een pleitnotitie overgelegd.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige] , geboren [in] 2026 te [plaats] .
De vader heeft [minderjarige] erkend, waardoor de ouders gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uitoefenen. [minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 22 januari 2026 heeft de kinderrechter – de toen nog ongeboren – [minderjarige] voorlopig onder toezicht van de GI gesteld tot 22 april 2026.
Bij beschikking van 8 april 2026 heeft de rechtbank voor de duur van de ondertoezichtstelling een zorgregeling vastgesteld waarbij [minderjarige] eenmaal per week gedurende één uur begeleide omgang heeft met de vader, waarbij de regie over de verdere invulling en eventuele uitbreiding van de zorgregeling aan de GI wordt toegekend.
4 De omvang van het hoger beroep
De kinderrechter heeft in de bestreden beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI tot 22 oktober 2026.
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de raad om de ondertoezichtstelling voor de duur van één jaar te verlenen voor het overige, te weten voor de resterende zes maanden, aangehouden tot begin oktober 2026. Het hoger beroep ziet niet op dit deel van de beschikking.
De moeder verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] alsnog af te wijzen.
De raad verzoekt het verzoek van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
5 De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de kinderrechter een minderjarige onder toezicht kan stellen van een gecertificeerde instelling indien die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:
a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en
b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW, in staat zijn te dragen.
De standpunten
De moeder vindt dat de kinderrechter ten onrechte de ondertoezichtstelling van [minderjarige] heeft verleend. Er is geen sprake geweest van een ernstige ontwikkelingsbedreiging ten aanzien van [minderjarige] . Er is geen enkele onveiligheid in de opvoedsituatie bij de moeder en er hebben zich geen veiligheidsincidenten voorgedaan. De zorgen die worden genoemd zijn niet gebaseerd op onderzoek door deskundigen, maar op meldingen uit het verleden die onjuiste beschuldigingen bevatten. Bij de moeder is geen sprake van psychische problematiek en deze is ook niet gediagnosticeerd en zij heeft ook geen behandeling nodig gehad. Moeders opvoedcapaciteiten zijn voldoende, [minderjarige] groeit op in een stabiele omgeving, de moeder heeft een steunend netwerk en neemt hulp van anderen aan. Zij heeft zelf hulpverlening ingeschakeld en wil ook dat de hulp doorgaat. Ook de communicatie tussen de ouders rechtvaardigt geen ondertoezichtstelling. De ouders zijn op de goede weg met mediation. Ook is de moeder bereid om mee te werken aan omgang van [minderjarige] met de vader. De ondertoezichtstelling lijkt te zijn ingezet om informatie van en over de moeder te verkrijgen, maar zij heeft gegronde redenen om hierin terughoudend te zijn; zij heeft eerder negatieve ervaringen gehad met instanties en hecht waarde aan haar privacy. De ondertoezichtstelling werkt juist contraproductief, omdat deze veel stress en spanning bij de moeder veroorzaakt. Dat is ook niet in [minderjarige] belang en de maatregel verstoort zijn rust en stabiliteit. Een minder ingrijpende maatregel zou volstaan. De ondertoezichtstelling is dan ook niet proportioneel en de maatregel vormt een ongerechtvaardigde inbreuk op moeders gezinsleven.
De raad is van mening dat de kinderrechter [minderjarige] terecht onder toezicht heeft gesteld. De raad heeft ernstige zorgen over de emotionele beschikbaarheid van de moeder voor [minderjarige] . Hierbij verwijst de raad naar de voorgeschiedenis van de moeder. De afgelopen jaren zijn veel meldingen gedaan over psychisch instabiel gedrag van de moeder, afkomstig van verschillende personen en instanties. Die meldingen zijn in het verleden gedaan maar ook nog meer recent, tijdens de zwangerschap (in 2025 en januari 2026). De moeder geeft geen duidelijke verklaringen over de gebeurtenissen van de afgelopen jaren die de zorgen weg zouden kunnen nemen, zij wil belangrijke informatie niet delen met de raad en/of de GI en zij heeft in het verleden tegenstrijdige verhalen aan hulpverleners verteld. Door haar terughoudende opstelling geeft de moeder geen enkel zicht in haar situatie en haar welzijn, terwijl er wel zeer zorgelijke signalen zijn. Daarmee heeft de moeder de zorgen niet weggenomen, maar juist vergroot. Ook heeft de raad zorgen over de verstoorde relatie tussen de ouders. Het lukt hen niet om op een goede manier invulling te geven aan hun gezamenlijk ouderschap en er samen voor te zorgen dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met beide ouders. De moeder betrekt de vader niet als ouder van [minderjarige] bij zijn opvoeding. Zij heeft hem ook niet geïnformeerd over [minderjarige] geboorte. Ook is de omgang met de vader wisselend verlopen; op dit moment is er wel contact, maar er is nog ondersteuning nodig om te zorgen dat dat goed verloopt. Zonder een dwingend kader bestaat nu nog het risico dat [minderjarige] onvoldoende een beeld krijgt van de vader en geen hechtingsrelatie met hem kan opbouwen. Dit alles heeft tot gevolg dat [minderjarige] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Daar komt bij dat de moeder onvoldoende hulp accepteert. Op dit moment is er hulp van Voorzorg en POEK, maar de raad heeft geen zicht op de ontwikkelingen daarvan. Over de verzorging worden geen zorgelijke meldingen gedaan, maar de raad heeft nog steeds wel grote zorgen over het gedrag en de houding van de moeder, met name richting de vader en de betrokken hulpverlening. Ook loopt de samenwerking met de GI moeizaam.
De GI heeft ter zitting in hoger beroep het volgende verklaard. Er is veel onduidelijk over de omstandigheden van de ouders en de GI krijgt geen zicht op wat bij hen speelt. Dat geldt onder meer voor hun onderlinge dynamiek; de ouders spreken niet met elkaar of maken over en weer verwijten. Het is nodig dat er rust is voor [minderjarige] in het contact met zijn vader. Om die reden vond de GI het nodig dat de omgang met de vader begeleid zou plaatsvinden. Zonder ondertoezichtstelling bestaat het risico dat het de ouders niet lukt om de omgang zelf te regelen, op een manier die ook voldoende rust biedt voor [minderjarige] . Daarnaast heeft de GI zorgen rondom (het ontbreken van zicht op) de familiebanden van de ouders. De moeder is niet duidelijk over hoe haar familie eruit ziet en wie daarvan betrokken is bij haar en [minderjarige] . De vader heeft zijn familie nog niet verteld dat hij vader is geworden. Dat terwijl het voor [minderjarige] ontwikkeling belangrijk is dat er een duidelijk beeld is van de families van beide kanten. Wel gaan er ook dingen goed. Hoewel het soms moeilijk is om afspraken te plannen met de moeder, lukt het de ouders wel altijd om de gemaakte afspraken met de GI na te komen. Daarnaast is een stijgende lijn in het verloop van de omgang te zien. Toch blijft de situatie vanwege de genoemde omstandigheden, in combinatie met het gebrek aan informatieverschaffing door de moeder, nog zorgelijk.
De beoordeling door het hof
Het hof is van oordeel dat aan de gronden voor ondertoezichtstelling van [minderjarige] is voldaan. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Uit de stukken in het dossier en uit wat op de zitting bij het hof is besproken is het volgende gebleken. De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] . [minderjarige] is geboren [in] 2026. De vader heeft [minderjarige] voor zijn geboorte erkend. De ouders hebben nooit in gezinsverband met [minderjarige] gewoond en hebben nooit samengewoond. Sinds zijn geboorte woont [minderjarige] bij de moeder. In januari 2026 is de toen nog ongeboren [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden. Aanleiding daarvoor waren ernstige zorgen over het psychisch welbevinden van de moeder, waarover zij onvoldoende openheid gaf, en het effect daarvan op de toen nog ongeboren [minderjarige] . In de raadsrapporten van 21 januari 2026 (ter onderbouwing van het verzoek om de voorlopige ondertoezichtstelling) en 30 maart 2026 is gerapporteerd dat de afgelopen tien jaar veel zorgmeldingen door verschillende personen en instanties zijn gedaan over de moeder. Die meldingen zagen op onder meer instabiel en verward gedrag, (geluids)overlast, huiselijk geweld tussen de ouders en stalking. In de periode na [minderjarige] geboorte was er geen contact tussen hem en de vader. In april 2026 heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld waarbij de vader en [minderjarige] wekelijks één uur begeleide omgang hebben, waarbij de GI de regie heeft. Volgens de raad is de omgang daarna een periode stopgezet. Op dit moment vindt wekelijks op vrijdagmiddag gedurende een uur omgang plaats tussen de vader en [minderjarige] , bij de moeder thuis en onder begeleiding van de GI. De ouders zijn in een mediationtraject bezig met het opstellen van een ouderschapsplan.
Er is hulpverlening betrokken bij de moeder en [minderjarige] , onder meer van POEK. De moeder heeft zich in de laatste weken van haar zwangerschap bij POEK gemeld voor hulp bij het ouderschap en die hulp is gestart in januari 2026. De moeder stelt dat zij op 14 september 2026 heeft vernomen dat het traject bij POEK zal stoppen, omdat de behandeldoelen zijn behaald. Volgens de GI heeft POEK aangegeven dat het traject goed is verlopen en dat binnenkort een evaluatie zal plaatsvinden waarin wordt gekeken of de hulp afgesloten kan worden of dat er nieuwe doelen moeten komen. Daarnaast biedt VoorZorg ondersteuning bij de moeder thuis. Ook krijgt de moeder hulp van haar moeder en tante.
Uit het voorgaande blijkt dat de raad al lange tijd zorgen heeft over de moeder en daarmee over de opvoedomgeving van [minderjarige] bij de moeder. De moeder betwist de juistheid van de meldingen uit de raadsrapporten. Daarnaast stelt zij dat de kinderrechter, zonder zorgvuldig onderzoek te doen, de onjuiste meldingen heeft meegenomen bij de beslissing. Het hof ziet dat anders. Uit de raadsrapporten volgt een groot aantal zorgelijke meldingen, die afkomstig zijn van veel verschillende personen en instanties. Daarnaast kan het hof ervan uitgaan dat de instanties die de meldingen hebben gedaan objectieve bronnen zijn. Hoewel een deel van de meldingen ziet op gebeurtenissen in het verleden, zijn die meldingen wel zeer zorgelijk van inhoud. Daar komt bij dat de moeder daarvoor geen verklaringen geeft die de zorgen weg kunnen nemen en onvoldoende is gebleken dat de situatie is verbeterd. Ook meer recentelijk zijn nog meldingen gedaan. In het raadsrapport van 30 maart 2026 wordt gerapporteerd dat de politie te kennen heeft gegeven dat eind januari 2026 meldingen zijn gedaan omtrent overlast vanuit moeders woning. Daarnaast blijkt uit het rapport dat de politie in een gesprek van
4 maart 2026 met de raad heeft aangegeven dat buurtbewoners recent hebben aangegeven dat de vader zich ’s ochtends vroeg ophoudt bij de woning van de moeder en dat de politie het beeld heeft dat de vader zich niet kan losmaken van moeders invloed. Verder heeft de kraamzorg, die in februari 2026 bij de moeder betrokken was, aangegeven zorgen te hebben over haar psychisch welbevinden. Ook voor deze meldingen biedt de moeder geen duidelijke verklaringen en de raad heeft daarop in de onderzoeken geen zicht kunnen krijgen. Ook de GI geeft aan geen zicht te krijgen op wat speelt. Ter zitting in hoger beroep heeft de moeder, bij vragen van het hof over de gebeurtenissen, ook geen duidelijkheid verschaft en stelde zij zich afhoudend op. Het hof ziet, evenals de raad, dat daardoor geen enkel zicht kan worden verkregen op wat er precies is gebeurd, terwijl de meldingen zeer verontrustend zijn en leiden tot zorgen over moeders emotionele beschikbaarheid voor [minderjarige] . Dat vormt een ontwikkelingsbedreiging voor [minderjarige] , die nog een jonge baby is en voor zijn ontwikkeling volledig afhankelijk van zijn moeder.
Naar het oordeel van het hof volstaat het vrijwillig kader niet, omdat de moeder onvoldoende inzicht geeft in haar thuissituatie en daarmee een inhoudelijke samenwerking met de GI uit de weg gaat. Ook is de ondertoezichtstelling nodig zodat er stabiele omgang tussen de vader en [minderjarige] tot stand komt. Er is inmiddels omgang, maar eerder lukte het de ouders niet om hun gezamenlijk ouderschap op een bestendige wijze vorm te geven. Gezien de complexe verhouding tussen de ouders en het ontbreken van voldoende zicht daarop heeft het hof, evenals de GI, er nog onvoldoende vertrouwen in dat de ouders er samen voor kunnen zorgen dat [minderjarige] onbelast contact kan hebben met zijn beide ouders. Gelet op al het voorgaande is er voldaan aan de wettelijke gronden voor een ondertoezichtstelling.
Naar het oordeel van het hof heeft de kinderrechter de duur van de ondertoezichtstelling terecht op zes maanden vastgesteld, zodat daarna opnieuw kan worden gekeken naar de situatie. Na verloop van de huidige ondertoezichtstelling kan worden bezien of bij de moeder meer ruimte is ontstaan voor samenwerking, nu is gebleken is dat zij gezien haar verleden wantrouwend is naar instanties en tijd nodig heeft om zich open te stellen. Daarnaast was de moeder ten tijde van de zitting bij de kinderrechter bereid om mee te werken met de omgangsafspraken en vindt er inmiddels omgang tussen de vader en [minderjarige] plaats, waaraan de moeder meewerkt. Rond de afloop van de huidige termijn kan ook de stand van zaken rondom de omgang worden geëvalueerd.
Voor zover de moeder zich beroept op artikel 8 EVRM, overweegt het hof als volgt. Uit het voorgaande zijn voldoende omstandigheden gebleken die een inbreuk op het familie- en gezinsleven van de moeder en [minderjarige] , zoals wordt beschermd door artikel 8 EVRM, rechtvaardigen. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk ter bescherming van de ontwikkeling van [minderjarige] .
Het hof komt tot de conclusie dat de ondertoezichtstelling terecht is verleend tot
22 oktober 2026. Het hof zal het verzoek van de moeder dan ook afwijzen en de bestreden beschikking bekrachtigen.
Dit leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht, ter attentie van het openbaar register.
Deze beschikking is gegeven door mr. F. Kleefmann, mr. J.M. van Baardewijk en
mr. M.C. Braak, in tegenwoordigheid van mr. B.F. Beijderwellen als griffier en is op
13 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.