Personen- en familierecht
wijziging zorgregeling en vaststelling hoofdverblijfplaats.
Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2984 · Gerechtshof Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2984
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.370.398/01 en 200.370.398/02
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. C. Boussidi te Amsterdam, mr. O. Asscher te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2984
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
wijziging zorgregeling en vaststelling hoofdverblijfplaats.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummers: 200.370.398/01 en 200.370.398/02
zaaknummer rechtbank: C/13/758011 / FA RK 24-6933
beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
verzoeker in het incident,
hierna: de vader,
advocaat: mr. C. Boussidi te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , geboren [in] 2018, hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , geboren [in] 2021, hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorgregeling en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] (8 jaar) en [minderjarige 2] (5 jaar). De rechtbank heeft – onder meer – bepaald dat de kinderen om de week van vrijdag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijven, waarbij de vader hen ophaalt en naar school brengt. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen de helft van de vakanties bij iedere ouder verblijven, door de ouders zelf onderling te verdelen.
De vader is het hier niet mee eens en wil – kortgezegd – dat de kinderen volgens een
2-2-3 regeling afwisselend bij de ouders verblijven. Ook wil hij dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader wordt bepaald en van [minderjarige 2] bij de moeder.
Het hof zal een 2-2-3 zorgregeling vaststellen. Ook zal het hof bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader is en de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 2] bij de moeder.
2 De procedure in hoger beroep
De vader is op 15 juni 2026 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
13 maart 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank). Dit hoger beroep is ingeschreven onder zaaknummer 200.370.398/01.
De vader heeft bij dat beroep tevens een verzoek gedaan tot schorsing van de werking van
– een gedeelte van – de bestreden beschikking en subsidiair een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ex artikel 223 van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv) ingediend. Deze verzoeken zijn ingeschreven onder zaaknummer 200.370.398/02.
De moeder heeft op 3 augustus 2026 een verweerschrift in beide zaken ingediend.
Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:
- op 21 juli 2026 van de vader het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 28 januari 2026;
- op 31 juli 2026 het door [minderjarige 1] ingevulde formulier bij kindgesprek;
- een bericht van de vader van 7 augustus 2026, met als bijlage productie H1.
[minderjarige 1] heeft bij brief van 29 juli 2026 laten weten wat hij van de zaak vindt. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van deze brief met partijen besproken. Partijen hebben daarop kunnen reageren.
De zitting heeft op 18 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en L.K. Mitzman, een tolk in de Engelse taal;
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en J.M. van der Boom, een tolk in de Portugese taal;
- de raad, vertegenwoordigd door V.D. Aelbers.
Ter zitting hebben de advocaten van partijen het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, die aan het procesdossier zijn toegevoegd.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn met elkaar getrouwd [in] 2020 op het Braziliaanse consulaat te [plaats A] . Het huwelijk is op 30 juni 2026 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 13 maart 2026 in de registers van de burgerlijke stand.
Partijen zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2018 te [plaats A] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2021 te [plaats A] .
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden hierna gezamenlijk ‘de kinderen’ genoemd.
De ouders zijn belast met het gezamenlijk gezag over de kinderen.
De ouders hebben de Portugese en Braziliaanse nationaliteit.
Bij beschikking voorlopige voorzieningen van de rechtbank van 13 september 2024 is – voor zover hier van belang – een voorlopige zorgregeling vastgesteld waarbij de kinderen in het kader van een tweewekelijkse zorgregeling de ene week op maandag uit school worden opgehaald door de vader en bij hem verblijven tot woensdagochtend naar school, en op vrijdag door de vader uit school worden gehaald en zij tot de daaropvolgende week woensdagochtend door de vader naar school worden gebracht. De overige tijd verblijven de kinderen bij de moeder.
In de beschikking van de rechtbank van 13 maart 2026 is, voor zover niet in hoger beroep bestreden:
-
de echtscheiding tussen de ouders uitgesproken;
-
de behandeling van de verzoeken ten aanzien van de onderhoudsbijdrage pro forma aangehouden tot 3 april 2026, voor overlegging van nadere stukken;
-
iedere verdere beslissing met betrekking tot de kinder- en partnerbijdrage aangehouden;
-
voor recht verklaard dat het huwelijksvermogensregime waaronder partijen zijn gehuwd wordt beheerst door het recht van Nederland;
-
de beslissing met betrekking tot de afwikkeling van het huwelijkse vermogen pro forma aangehouden tot 24 april 2026 voor indiening door partijen van aanvullende verzoeken, waarna deze zaak onder een ander procedurenummer zal worden voortgezet;
-
de beslissing met betrekking tot de proceskosten aangehouden.
4 De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, een zorgregeling bepaald waarbij de kinderen om de week van vrijdag uit school tot woensdag naar school bij de vader verblijven, waarbij de vader hen van school ophaalt en weer naar school brengt. Ook heeft de rechtbank bepaald dat de kinderen de helft van de vakanties bij iedere ouder verblijven, door de ouders zelf onderling te verdelen. De beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen heeft de rechtbank aangehouden.
In de zaak met zaaknummer 200.370.398/01
De vader verzoekt in hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover daarin (I):
a. onder r.o. 3.2 en 3.3 een zorgregeling is vastgesteld en uitvoerbaar bij voorraad is verklaard;
b. onder r.o. 2.6.3 is overwogen dat gelet op de vastgestelde zorgregeling het in de rede ligt de hoofdverblijfplaats bij de moeder te bepalen;
en opnieuw beschikkende:
II. primair: een zorgregeling vast te stellen waarbij de kinderen bij de vader verblijven volgens een 2-2-3 regeling, in die zin dat zij:
-
van maandag na school tot woensdagmorgen bij de vader verblijven;
-
van woensdag na school tot vrijdagmorgen bij de moeder verblijven;
-
de weekenden om en om bij de ene dan wel de andere ouder verblijven;
-
waarbij de schoolvakanties bij helfte tussen partijen worden verdeeld.
Subsidiair, voor het geval het hof het primaire verzoek afwijst, een zorgregeling vast te stellen inhoudende dat de kinderen:
a. de ene week volledig bij de vader en de andere week volledig bij de moeder verblijven, waarbij het wisselmoment op maandag na school is;
waarbij de schoolvakanties bij helfte tussen de ouders worden verdeeld;
III. te bepalen dat, voor zover overdrachtsmomenten niet samenvallen met schooldagen, de overdracht tussen de ouders plaatsvindt om 08.45 uur;
IV. te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader is en die van [minderjarige 2] bij de moeder, althans een beslissing te nemen over de hoofdverblijfplaats zoals het hof in het belang van de kinderen juist acht, met dien verstande dat uit die beslissing niet mag worden afgeleid dat het zwaartepunt van de verzorging bij één ouder ligt.
De moeder verzoekt in hoger beroep, voor zover uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te bekrachtigen en de grieven van de vader te verwerpen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure in de hoofdzaak.
In de zaak met zaaknummer 200.370.398/02 (incident)
De vader verzoekt in het incident:
(V) primair hangende het hoger beroep, bij wijze van voorlopige voorziening, de werking te schorsen van hetgeen in de bestreden beschikking in r.o. 3.2 en 3.3 is overwogen, voor zover het de vastgestelde zorgregeling en de uitvoerbaarverklaring bij voorraad daarvan betreft, en te bepalen dat in afwachting van de eindbeschikking in hoger beroep de zorgregeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de beschikking van de rechtbank van 13 september 2024 ten aanzien van de voorlopige voorzieningen;
(VI) subsidiair, voor het geval het hof het primaire verzoek tot schorsing niet of niet geheel toewijst, bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 223 Rv een zorgregeling te bepalen in de zin van een 2-2-3-regeling als omschreven in het primaire petitum (hof: zie r.o. 4.2), dan wel een zodanige voorlopige regeling als het hof in het belang van de kinderen juist acht;
(VII) althans ten aanzien van het voorgaande te beslissing zoals het hof juist acht.
De moeder verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- ( I) de vader niet-ontvankelijk te verklaren in, althans af te wijzen, het primaire incidentele verzoek tot schorsing van de werking van r.o. 3.2 en 3.3 van de bestreden beschikking ex artikel 360 Rv;
- ( II) de vader niet-ontvankelijk te verklaren in, althans af te wijzen, het subsidiaire incidentele verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening ex artikel 223 Rv;
- ( III) de vader te veroordelen in de kosten van dit incident.
5 De motivering van de beslissing
In de zaak met zaaknummer 200.370.398/02 (incident)
De vader heeft ter zitting in hoger beroep zijn verzoeken in het incident tot schorsing van de werking van de bestreden beschikking en tot het treffen van een voorlopige voorziening ingetrokken. Deze verzoeken behoeven daarom geen beoordeling door het hof. De vader zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn incidentele verzoeken.
De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de kosten van het incident (III). Het hof ziet daartoe geen aanleiding. Gelet op de aard van de procedure zal het hof de proceskosten in het incident compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
In de zaak met zaaknummer 200.370.398/01
De standpunten
De vader stelt dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling niet in het belang van de kinderen is en dat moet worden teruggekeerd naar een gelijkwaardige verdeling van de zorg. Hij voert hiertoe aan dat de kinderen gedurende bijna twee jaar volgens een 2-2-3 zorgregeling bij de ouders verbleven. De ouders stonden aanvankelijk beiden achter deze regeling en de kinderen waren daaraan gewend. In de huidige regeling verblijven de kinderen aanzienlijk minder tijd bij de vader en zijn ze om de week negen dagen achtereen van hem gescheiden. De vader merkt sinds de gewijzigde regeling dat de kinderen aanhankelijker zijn en vaker aangeven hem te missen. De rechtbank heeft de zorgregeling gewijzigd omdat de vader voor zijn toenmalige werk regelmatig en soms onverwachts naar het buitenland moest reizen. Sinds maart 2026 heeft de vader echter een andere functie waarbij hij voornamelijk vanuit huis in [plaats A] werkt en meer controle heeft over zijn eigen agenda. De vader acht zich in staat een 2-2-3 zorgregeling uit te voeren waarbij hij geen zorgdagen hoeft te missen. Dat de vader voor de zorg gedeeltelijk een oppas inschakelt, staat hieraan niet in de weg. De oppas helpt de vader bij praktische ondersteuning rondom de kinderen, maar de dagelijkse zorg voor de kinderen ligt bij hem. De vader wil betrokken blijven bij het dagelijks leven van de kinderen, waaronder school en sport- en buitenschoolse activiteiten, en niet een weekendvader zijn. Een 2-2-3 regeling sluit bovendien aan bij de leeftijd van de kinderen omdat zij dan niet lang van een van beide ouders gescheiden zijn.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats stelt de vader dat bij een gelijkwaardige zorgregeling, zoals door hem is verzocht, het zwaartepunt van de verzorging niet bij één van de ouders ligt. Daarom wenst de vader de huidige situatie te handhaven, waarin [minderjarige 1] staat ingeschreven op het adres van de vader en [minderjarige 2] op het adres van de moeder. Hierdoor zullen ook beide ouders kindgebonden budget ontvangen. Dat beide kinderen bij de moeder hun hoofdverblijfplaats zouden hebben, enkel omdat zij onder de huidige zorgregeling meer bij haar verblijven, doet geen recht aan de gelijkwaardige rol die beide ouders in hun leven vervullen.
De moeder stelt dat de rechtbank de zorgregeling terecht heeft gewijzigd. Zij voert hiertoe aan dat de eerdere 2-2-3 zorgregeling in de praktijk niet naar behoren door de vader werd uitgevoerd. De vader kon vanwege zijn werktrips naar het buitenland regelmatig niet zelf voor de kinderen zorgen en deed dan op het laatste moment een beroep op de moeder of op derden. Dit was geen incidenteel, maar een structureel probleem. Ook schakelde de vader tijdens zijn zorgtijd regelmatig een oppas in voor de kinderen zonder de moeder daarvan op de hoogte te brengen. De betrekkelijk recente wijziging van de werksituatie van de vader neemt de zorgen niet weg. De moeder heeft onvoldoende vertrouwen dat de vader bij hervatting van de 2-2-3 zorgregeling daadwerkelijk zelf beschikbaar zal zijn voor de kinderen. Haar ervaringen uit het verleden maken dat zij terughoudend is om vertrouwen te hebben in de stelling van de vader dat zijn (werk)situatie structureel is veranderd. De moeder werkt ook fulltime, maar zij kan haar werkzaamheden flexibel over de week verdelen en meer werken op de dagen waarop de kinderen niet bij haar zijn. De huidige zorgregeling biedt de kinderen meer rust, continuïteit en duidelijkheid. Een exacte 50/50 verdeling van de zorg is niet nodig om de vader een volwaardige rol in het leven van de kinderen te laten vervullen. Een nieuwe wijziging van de zorgregeling brengt onrust mee en de moeder maakt zich zorgen over de belasting van de kinderen door het conflict tussen de ouders. De kinderen vertonen signalen van een loyaliteitsconflict en zij merkt bij [minderjarige 1] dat hij druk ervaart in de aanloop naar de procedure.
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen stelt de moeder dat de rechtbank hierover nog geen eindbeslissing heeft genomen, maar deze beslissing heeft aangehouden. De vader is daarom niet-ontvankelijk in zijn verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats. Voor zover het hof wel een beslissing neemt over de hoofdverblijfplaats, voert de moeder aan dat een verdeling van de kinderen over de adressen van de ouders kan leiden tot praktische problemen met belangrijke correspondentie, bijvoorbeeld van school, en financiële regelingen. Daarom acht zij het wenselijk dat de kinderen op één adres ingeschreven staan.
De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd bij de vaststelling van de zorgregeling zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regeling die in de praktijk het meest bestendig is uitgevoerd door de ouders. Voor de kinderen zijn continuïteit, voorspelbaarheid en emotionele veiligheid van belang. Daarbij betekent gelijkwaardig ouderschap niet dat de zorg exact gelijk tussen de ouders moet worden verdeeld. Van belang is dat de kinderen met beide ouders voldoende tijd doorbrengen zodat zij een zelfstandig beeld van beide ouders kunnen vormen. De wens van [minderjarige 1] om de ene week bij de vader te verblijven en de andere week bij de moeder laat vooral zien dat beide ouders belangrijk voor hem zijn. Gelet op zijn leeftijd kan hij de gevolgen van een dergelijke regeling nog niet overzien. Verder adviseert de raad de ouders om ieder afzonderlijk hulp te zoeken bij het verbeteren van de wijze waarop zij met elkaar communiceren en hoe zij met het ouderschap na de scheiding omgaan. Door middel van hulpverlening kan de belasting van de kinderen door het conflict tussen de ouders zoveel mogelijk worden beperkt.
De beoordeling
Het wettelijk kader
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;
c. de wijze waarop informatie omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind wordt verschaft aan de ouder bij wie het kind niet zijn hoofdverblijfplaats heeft dan wel de wijze waarop deze ouder wordt geraadpleegd;
d. de wijze waarop informatie door derden overeenkomstig artikel 377c, eerste en tweede lid, wordt verschaft.
De zorgregeling en de verdeling van de vakanties
Het hof is van oordeel dat een 2-2-3 zorgregeling, zoals omschreven in het verzoek van de vader, weergegeven onder r.o. 4.2, het meest in het belang van de kinderen is. Ook zal het hof bepalen dat de kinderen de helft van de vakanties bij iedere ouder verblijven, door de ouders zelf onderling te verdelen. Het hof overweegt daartoe als volgt.
De ouders hebben na hun uiteengaan uitvoering gegeven aan een nagenoeg gelijkwaardige verdeling van de zorg over de kinderen. In april 2024 zijn zij de 2-2-3 zorgregeling met elkaar overeengekomen, welke regeling bij beschikking van 13 september 2024 door de voorzieningenrechter in de rechtbank is vastgelegd. De ouders hebben vervolgens gedurende bijna twee jaar volgens de 2-2-3 zorgregeling de zorg voor de kinderen verdeeld. Het hof is niet gebleken dat de 2-2-3 zorgregeling toentertijd niet in het belang van de kinderen was. De bezwaren die de moeder kreeg en waarom zij de rechtbank heeft verzocht de regeling te wijzigen, hielden verband met de buitenlandse reizen van de vader in verband met zijn vorige baan en de gevolgen daarvan voor de invulling en uitvoering van zijn zorgtijd voor de kinderen. De werktrips van de vader naar het buitenland waren voor de rechtbank de voornaamste reden om de zorgregeling te wijzigen. De vader moest regelmatig en soms op korte termijn voor meerdere dagen naar het buitenland voor werk, waardoor hij tijdens zijn zorgtijd regelmatig een beroep deed op de moeder of op derden. De rechtbank achtte de 2-2-3 regeling om die reden niet meer passend.
Het hof stelt vast dat de (werk)omstandigheden inmiddels wezenlijk zijn gewijzigd. De vader heeft tijdens de zitting verteld dat hij per maart 2026 een nieuwe functie heeft en sindsdien werkzaam is als leidinggevende bij [X] (hierna: [X] ) in Duitsland als Chief Financial Officer. Waar zijn eerdere functie meebracht dat hij (internationale) reizen moest maken, onder meer naar Maleisië en Chili, houdt hij zich in zijn huidige functie als leidinggevende bezig met het toezicht op de financiën van [X] . Hij werkt daarbij voornamelijk vanuit huis in [plaats A] . Voor zijn werkzaamheden in Duitsland reist hij naar [plaats B] . Deze werkreizen zijn volgens de vader voorspelbaar en hij heeft meer controle over zijn eigen agenda. In de eerste periode na zijn baanwisseling is de vader vaker naar [plaats B] gereisd, onder meer om zijn nieuwe team en de werkprocessen te leren kennen. De vader stelt echter dat hij in deze periode geen zorgdag heeft gemist en de moeder heeft dit niet betwist. Volgens de vader kan hij zijn werkreizen zo plannen dat deze niet tijdens zijn zorgtijd plaatsvinden en zou dit ook zo zijn geweest als de 2-2-3 zorgregeling nog had gegolden. Het hof overweegt dat deze stellingen van de vader steun vinden in de door hem overgelegde verklaring van zijn werkgever van 15 juli 2026. Zijn werkgever heeft verklaard dat de vader zijn werkzaamheden, vergaderingen en reizen flexibel kan organiseren rondom zijn ouderlijke verantwoordelijkheden. Het hof heeft daarom geen aanleiding te twijfelen aan de toelichting van de vader over zijn veranderde werksituatie.
Dat de vader gedurende een deel van zijn zorgtijd gebruikmaakt van een oppas maakt het voorgaande niet anders. Beide ouders hebben een fulltimebaan en maken voor de opvang van de kinderen zo nodig gebruik van een oppas. Ter zitting is bovendien gebleken dat de ouders gebruikmaken van dezelfde oppas. Het hof ziet daarin dan ook geen aanleiding om aan te nemen dat de vader niet in staat is de zorg voor de kinderen op zich te nemen. Gesteld noch gebleken is dat de vader de zorg volledig overlaat aan de oppas en niet zelf ook zorg draagt voor de kinderen. Het gebruik van dezelfde oppas door de ouders biedt de kinderen bovendien een zekere continuïteit en voorspelbaarheid.
Het hof neemt verder in aanmerking dat de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling ten tijde van de behandeling in hoger beroep nog maar enkele maanden door de ouders werd uitgevoerd, waarbij een aanzienlijk deel van die periode in de schoolvakantie(s) viel. Aan de stelling van de moeder dat de kinderen inmiddels aan de door de rechtbank vastgestelde regeling gewend zijn, komt daarom beperkt gewicht toe. Daartegenover staat namelijk dat de ouders gedurende bijna twee jaar voor de bestreden beschikking uitvoering hebben gegeven aan een 2-2-3 zorgregeling. Bovendien sluit de 2-2-3 zorgregeling aan bij de leeftijd van de kinderen. Binnen een 2-2-3 zorgregeling verblijven de kinderen regelmatig bij beide ouders en zijn ze niet gedurende langere tijd gescheiden van één van de ouders.
Uit de stukken in het dossier en ter zitting is gebleken dat de communicatie tussen de ouders moeizaam verloopt. Dit vormt echter naar het oordeel van het hof geen contra-indicatie voor een 2-2-3 zorgregeling. Het is gebleken dat de ouders in staat zijn praktische afspraken over de kinderen te maken en informatie over hen met elkaar uit te wisselen. Het hof acht de ouders daarom in staat opnieuw een 2-2-3 zorgregeling met elkaar vorm te geven, zoals zij voor de bestreden beschikking ook hebben gedaan. Van belang is wel, zoals de raad ter zitting de ouders ook heeft meegegeven, dat de ouders zich ervan bewust zijn dat de kinderen opgroeien in twee verschillende huishoudens. Van de ouders mag worden verwacht dat zij de kinderen niet belasten met hun onderlinge geschillen en dat zij relevante informatie over de kinderen met elkaar delen. Dit betreft niet het afleggen van verantwoording aan de andere ouder over de wijze waarop de ene ouder zijn of haar zorgtijd invult, maar het informeren van elkaar over relevante gebeurtenissen en ontwikkelingen van de kinderen. Daarnaast is het van belang dat de ouders het mogelijk maken dat de kinderen tijdens de vakanties onbelast contact met de andere ouder kunnen onderhouden, als ze die voor langere tijd fysiek moeten missen.
De vader heeft daarnaast verzocht (III) te bepalen dat overdrachten die niet samenvallen met een schooldag om 08.45 uur plaatsvinden. Tegen dit verzoek heeft de moeder geen verweer gevoerd. Het hof zal dit verzoek daarom eveneens toewijzen. De schoolvakanties worden bij helfte tussen de ouders verdeeld.
De hoofdverblijfplaats van de kinderen
Ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen overweegt het hof als volgt. De moeder voert aan dat de vader niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep ten aanzien van de hoofdverblijfplaats, omdat de rechtbank de beslissing aangaande de hoofdverblijfplaats in het dictum heeft aangehouden.
Het hof volgt de moeder hierin niet. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een eindbeslissing gegeven over onder meer de zorgregeling en de beslissing op het verzoek over de hoofdverblijfplaats in het dictum aangehouden. Voor zover in de bestreden beschikking is beslist op de verzoeken ten aanzien van de zorgregeling, is sprake van een eindbeschikking. Voor zover de beslissing over de hoofdverblijfplaats is aangehouden, is sprake van een tussenbeschikking. Uit het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1924) volgt dat indien hoger beroep wordt ingesteld tegen het einduitspraakgedeelte van een deeluitspraak, in dat hoger beroep ook het tussenuitspraakgedeelte kan worden betrokken (r.o. 3.2.2, sub d). De Hoge Raad heeft bepaald dat deze regel van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures op grond van artikel 358 lid 4 Rv (r.o. 3.2.6). Omdat de vader hoger beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank over de zorgregeling, kan hij in zijn hoger beroep ook opkomen tegen het aangehouden onderdeel van de bestreden beschikking betreffende de hoofdverblijfplaats. De vader is dan ook ontvankelijk in hoger beroep in zijn verzoek betreffende de hoofdverblijfplaats van de kinderen.
Het hof zal de hoofdverblijfplaats van [minderjarige 1] bij de vader bepalen en die van [minderjarige 2] bij de moeder. De rechtbank heeft in r.o. 2.6.3 overwogen dat het, gelet op de door haar vastgestelde zorgregeling, in de rede lag de hoofdverblijfplaats van beide kinderen bij de moeder te bepalen omdat bij die regeling het zwaartepunt van de verzorging bij de moeder lag. Omdat het hof de door de rechtbank vastgestelde zorgregeling vernietigt en een 2-2-3 zorgregeling vaststelt, is het uitgangspunt waarop de rechtbank haar overweging over de hoofdverblijfplaats heeft gebaseerd komen te vervallen. Binnen de door het hof vastgestelde 2-2-3 zorgregeling is de zorg nagenoeg gelijkwaardig tussen de ouders verdeeld en ligt het zwaartepunt van de verzorging niet bij één van hen. De huidige situatie is dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder. Het hof acht het, gelet op de beslissing om de gelijkwaardige verdeling van de zorg te laten herleven, niet passend om in deze situatie verandering aan te brengen. Het hof zal daarom het verzoek van de vader onder IV toewijzen en bepalen dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft en [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Nu het hof in hoger beroep een eindbeslissing geeft op de door de rechtbank aangehouden verzoeken ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van de kinderen, zijn deze verzoeken in hoger beroep definitief afgedaan. De rechtbank hoeft hierover geen beslissing meer te nemen.
De proceskosten
Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure ziet het hof aanleiding de proceskosten in hoger beroep te compenseren. Dit betekent dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het verzoek van de moeder om de vader in de proceskosten te veroordelen zal worden afgewezen.
6 De beslissing
Het hof:
in de zaak met zaaknummer 200.370.398/01:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2026, voor zover daarin een zorgregeling is vastgesteld en de beslissing over de hoofdverblijfplaats van de kinderen is aangehouden, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
bepaalt dat de kinderen volgens een 2-2-3 regeling bij de ouders verblijven, waarbij zij:
-
van maandag na school tot woensdagochtend naar school bij de vader verblijven;
-
van woensdag na school tot vrijdagochtend naar school bij de moeder verblijven;
-
de weekenden afwisselend bij de vader en de moeder verblijven;
bepaalt dat, voor zover een overdrachtsmoment niet samenvalt met een schooldag, de overdracht van de kinderen om 08.45 uur plaatsvindt;
bepaalt dat de kinderen de helft van de schoolvakanties bij iedere ouder verblijven, door de ouders in onderling overleg te verdelen;
bepaalt dat [minderjarige 1] zijn hoofdverblijfplaats bij de vader heeft;
bepaalt dat [minderjarige 2] haar hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
In de zaak met zaaknummer 200.370.398/02:
verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoeken in het incident;
compenseert de proceskosten in het incident, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. J. Schoemaker, mr. P.F.E. Geerlings en mr. M.C. Schenkeveld, in tegenwoordigheid van mr. F. de Jongh als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.