Personen- en familierecht
Ouderlijk gezag. Moeder is door de rechtbank alleen belast met het gezag over de kinderen. Het hof…
Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2989 · Gerechtshof Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2989
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.368.103/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. O. Asscher te Amsterdam, mr. F.J.J. ten Voorde te Utrecht (mr. Ten Voorde heeft zich op 6 oktober 2026 onttrokken aan de zaak)
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2989
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ouderlijk gezag. Moeder is door de rechtbank alleen belast met het gezag over de kinderen. Het hof bekrachtigt deze beslissing.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.368.103/01
zaaknummer rechtbank: C/13/770721 / FA RK 25-4406
beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoeker in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. O. Asscher te Amsterdam,
en
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verweerster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F.J.J. ten Voorde te Utrecht (mr. Ten Voorde heeft zich op 6 oktober 2026 onttrokken aan de zaak)
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ,
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
Als informant is aangemerkt:
- de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio [plaats A] , hierna: de GI.
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie [plaats A] ,
hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] (13 jaar) en [minderjarige 2] (11 jaar) (hierna: de kinderen). De rechtbank heeft de moeder alleen belast met het gezag over de kinderen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat het gezamenlijk gezag in stand blijft. De moeder is het wel eens met de bestreden beschikking.
Het hof bekrachtigt de beslissing van de rechtbank en legt hierna uit hoe het hof tot dit oordeel is gekomen.
2 De procedure in hoger beroep
De vader is op 23 april 2026 in hoger beroep gekomen (zaaknummer 200.368.103/01) van een beschikking van 13 februari 2026 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank). In zijn beroepschrift heeft de vader ook schorsing van de werking van een gedeelte van de bestreden beschikking verzocht (zaaknummer 200.368.103/02). Dat verzoek is ter zitting van 28 mei 2026 behandeld. Het hof heeft ter zitting uitspraak gedaan en het schorsingsverzoek afgewezen.
De moeder heeft op 24 juni 2026 een verweerschrift ingediend.
Het hof heeft daarnaast het volgende stuk ontvangen:
- een bericht van de zijde van de vader van 11 september 2026 met bijlagen.
Het door de vader ingediende bericht van 21 september 2026 met bijlagen is buiten de daarvoor gestelde termijn ingediend. Stukken die na die termijn of op de mondelinge behandeling in het geding worden gebracht, worden door het hof buiten beschouwing gelaten, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet. Van dit laatste is geen sprake, omdat de bijlagen omvangrijk en niet eenvoudig te doorgronden zijn. Het hof heeft deze stukken dus buiten beschouwing gelaten.
Het bericht van 21 september 2026 met bijlagen maakt dan ook geen onderdeel uit van het procesdossier.
De voorzitter heeft op 17 september 2026, in het bijzijn van de griffier, met [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gesproken. Ter zitting van 22 september 2026 heeft de voorzitter de inhoud van deze gesprekken zakelijk weergegeven. De ouders hebben de gelegenheid gekregen om daarop te reageren.
De zitting heeft op 22 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de vader, bijgestaan door zijn advocaat,
- de moeder,
- een vertegenwoordiger van de GI,
- de raad, vertegenwoordigd door mevrouw A. Touber.
De advocaat van de vader heeft op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3 De feiten
De vader en de moeder (hierna gezamenlijk: de ouders) zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2013 te [plaats B] , en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2015 te [plaats A] .
De ouders hebben tot februari 2022 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft de kinderen erkend. Tot de bestreden beschikking oefenden de ouders het gezamenlijk gezag uit over de kinderen. Als gevolg van de bestreden beschikking heeft de moeder alleen het gezag over de kinderen. De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.
De ouders zijn op 4 februari 2022 een ouderschapsplan overeengekomen, waarin zij hebben afgesproken dat de kinderen staan ingeschreven op het adres van de moeder en dat zij in het kader van een co-ouderschap de ene week bij de moeder verblijven en de andere week bij de vader, met overdracht op zondagavond 19.00 uur. De vakanties worden evenredig verdeeld.
Bij vonnis in kort geding van 27 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter de zorgregeling die in het ouderschapsplan is vastgelegd geschorst en de raad verzocht om ten behoeve van de door de moeder gestarte bodemprocedure onderzoek te doen naar de vraag of wijziging van de zorgregeling en het gezag in het belang van de kinderen is. Daarbij is bepaald dat de vader en de kinderen elkaar gedurende het raadsonderzoek twee uur per week onder begeleiding zien.
Op 27 oktober 2025 heeft de raad het raadsrapport afgerond.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank:
- het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder met het eenhoofdig gezag over de kinderen belast;
- de kinderen onder toezicht gesteld van de GI tot 13 juli 2026 en het verzoek tot ondertoezichtstelling voor de resterende periode aangehouden;
- bepaald dat de bij vonnis in kort geding van 27 juni 2025 vastgestelde voorlopige omgangsregeling wordt gecontinueerd en dat de beslissing over de definitieve omgang wordt aangehouden.
Bij beschikking van 16 juli 2026 heeft de rechtbank:
- een definitieve omgangsregeling vastgesteld en bepaald dat de vader omgang heeft met de kinderen onder begeleiding gedurende twee uur per week, waarbij de omgang onder regie en op geleide van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling zal plaatsvinden. De verdere invulling van de omgang zal onder regie van de GI nader vorm krijgen en de omgang kan worden uitgebreid indien dit volgens de GI in het belang van de kinderen is; en
- het verzoek tot ondertoezichtstelling ook voor het overige gedeelte verleend, te weten tot 13 februari 2027.
Door de rechtbank is in de bestreden beschikking uitvoerig ingegaan op overige feiten die de rechtbank uit de overgelegde stukken en vele e-mailberichten zijn gebleken.
Het hof stelt in het kader van de onderhavige gezagskwestie de volgende feiten vast:
- dat Veilig Thuis op 16 september 2022 een melding van de politie heeft ontvangen met zorgen over de veiligheid in het gezin of huishouden van de vrouw, waarbij is gebleken dat de vader bij de voordeur heeft staan schreeuwen tegen zijn kind ( [minderjarige 2] ) en haar naar binnen heeft geduwd;
- dat in november 2023 de viooldocente van [minderjarige 2] een melding bij de politie heeft gedaan nadat de vader verbaal agressief is geweest in haar richting;
- dat de moeder in oktober 2024 zelf een melding bij de politie heeft gedaan naar aanleiding van meerdere dreigende e-mailberichten van de vader in haar richting. Het Ouder- en Kindteam (hierna het OKT) is betrokken geraakt bij het gezin;
- dat het zeer omvangrijke procesdossier veel (lange) e-mails bevat die de vader aan de moeder heeft gestuurd;
- dat de vader in februari 2025 zijn toestemming voor de behandeling van [minderjarige 1] door haar toenmalige orthodontist heeft ingetrokken;
- dat de vader de door moeder gemaakte afspraak voor [minderjarige 1] bij het OLVG voor 6 maart 2025 (een dag waarop [minderjarige 1] bij de moeder zou zijn) eenzijdig heeft verzet naar 11 maart 2025 (een dag waarop [minderjarige 1] bij hem zou zijn) en een e-mail aan het OLVG heeft gezonden waarin hij kenbaar maakt dat hij geen toestemming aan de moeder verleent om zelfstandig behandelafspraken voor de kinderen te maken;
- dat de school van de kinderen bij e-mail van 12 juni 2025 aan partijen heeft laten weten een melding bij Veilig Thuis te gaan doen omdat school zich ernstig zorgen maakt over het welbevinden van de kinderen;
- dat bij vonnis in kort geding van de rechtbank van 27 juni 2025 aan de moeder vervangende toestemming is verleend om van 5 tot en met 16 augustus 2025 op vakantie te gaan naar Frankrijk met de kinderen, nu de vader deze toestemming weigerde;
- dat de politie een zogenoemd 'stopgesprek' heeft gevoerd met de vader en dat vaders reactie daarop was dat er niets was dat zou moeten worden gestopt;
- dat de moeder van de politie een AWARE-alarmsysteem heeft gekregen, wat ervoor moet zorgen dat de politie snel ter plaatse is als ze alarm slaat.
Sinds het vonnis in kort geding is er gedurende twee uren per week omgang tussen de kinderen en de vader, onder begeleiding van LeefSterk.
4 De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, het gezamenlijk gezag van de ouders beëindigd en de moeder alleen met de uitoefening van het gezag over de kinderen belast.
De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, het inleidende verzoek van de moeder om het gezag van de vader over de kinderen te beëindigen en haar met het eenhoofdig gezag te belasten, alsnog af te wijzen.
De moeder verzoekt het verzoek van de vader in hoger beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
De moeder heeft tijdens de zitting in hoger beroep nog diverse mondelinge verzoeken gedaan, waaronder het stellen van kaders bij de huidige omgangsregeling en het opnemen van consequenties in de door het hof te geven beschikking als de omgang niet correct wordt nagekomen. Het hof overweegt dat gegriefd is ten aanzien van de beslissing die ziet op het gezag. Dat onderwerp ligt nu voor, en niet de omgang. De pas ter zitting gedane verzoeken zien op omgang en zijn te laat voorgelegd. Het hof zal deze mondeling ter zitting gedane verzoeken buiten beschouwing laten.
5 De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:
a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
De standpunten
De vader stelt dat de rechtbank de feiten en uitgangspunten waarop de beslissing is gebaseerd onjuist heeft vastgesteld door het eenzijdig volgen van de stellingen van de moeder. Moeder schept een beeld dat sprake zou zijn (geweest) van intieme terreur. Dit wordt door de vader ten stelligste betwist. Over de door de rechtbank genoemde feiten merkt de vader het volgende op. Ten aanzien van de e-mail van de vader aan de moeder van 16 december 2021 merkt de vader op dat hij juist zelfreflectie toont. Bij de melding van de buurvrouw bij Veilig Thuis in september 2022 was duidelijk dat er geen directe onveiligheid was en interventie door de politie niet nodig was. Het incident met de vioollerares in 2023 betrof een miscommunicatie. Er is bovendien geen sprake van controle en stalking door de vader, zoals de moeder stelt, en er is geen sprake van onveiligheid. De raad heeft immers geconcludeerd dat er geen kindveiligheidsrisico’s zijn, aldus de vader. Het door moeder geschetste beeld wordt daarom niet ondersteund door objectieve bronnen.
De vader voert verder aan dat de rechtbank de beslissing van de kort gedingrechter zonder voldoende motivering heeft overgenomen en dat het afwijken van het advies van de raad onvoldoende is gemotiveerd.
Door onjuiste toepassing van de literatuur heeft de rechtbank ten onrechte geconcludeerd dat sprake is van intieme terreur. Er is geen patroon van dominantie en controle door vader en er is geen sprake geweest van dreiging richting de moeder, dan wel het onderdrukken van kinderlijke uitingen. Er worden hoge eisen gesteld aan het aannemen van een dergelijke term en dit moet consistent en langdurig zijn toegepast, daarvan is volgens de vader geen sprake.
Bij de bestreden beschikking is voorts het verdrag van Istanbul verkeerd toegepast en is ten onrechte niet gekeken naar de handelingen van de moeder in dit verband.
De vader voert daarnaast aan dat de rechtbank ten onrechte niet aan fundamentele normen heeft getoetst en ten onrechte niet minder vergaande maatregelen zijn onderzocht. Daarbij zijn de belangen en de mening van de kinderen onvoldoende betrokken in de beoordeling. De beschikking is volgens de vader innerlijk tegenstrijdig en onvoldoende gemotiveerd zodat deze niet in stand kan blijven.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de vader verder aangevoerd dat hij in 2024 hulp heeft gezocht bij Gz-psycholoog Jessica Terwiel, vanwege haar specialisme op het gebied van dwingende controle en trauma. Daarnaast heeft hij zich – naar aanleiding van het advies van de raad - aangemeld bij De Waag voor therapie gericht op prikkelverwerking, emotieregulatie en communicatie onder stress, in samenhang met zijn autismespectrumstoornis. Deze therapie verloopt goed. De vader benoemt tot slot dat de begeleide omgang zeer goed verloopt – ondanks dat de verslaglegging door LeefSterk te wensen overlaat - en er geen incidenten zijn.
De vader is het dan ook niet eens met de overweging van de rechtbank dat er in de situatie ‘geen verbetering binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn is te verwachten’ zoals de rechtbank heeft overwogen en wil het medegezag over de kinderen terug. De vader voldoet naar zijn mening aan alle eisen die aan hem gesteld zijn.
De moeder voert aan dat sprake is geweest van een lange periode van ernstig huiselijk geweld van de vader richting de moeder en de kinderen. De moeder heeft, onder verwijzing naar de factsheet intieme terreur, gesteld dat sprake is van onder meer de volgende ‘rode vlaggen’ die de moeder herkent in haar situatie, te weten stalking (de vader heeft de moeder onder andere gevolgd via Google Maps), bedreiging met de dood, angst dat haar leven of dat van haar kinderen in gevaar is, angst voor escalaties bij overdracht van de kinderen, niet durven te spreken in de buurt van de vader en/of angst voor de vader, angst voor verbale en non-verbale agressie, toenemende escalatie van ernst en/of frequentie van geweld, het uitschelden, vernederen en bekritiseren van de moeder, jaloezie en chantage, de kinderen tegen de moeder opzetten, derden gebruiken of opzetten tegen de moeder en deze misleiden, het bewust angst inboezemen bij de moeder, controle willen uitoefenen over de moeder en kinderen (in 2019 heeft vader het hele huis volgehangen met camera’s) en economische uitbuiting (de moeder heeft jarenlang de kosten voor het gezin gedragen).
Het huiselijk geweld dat zich al voordeed tijdens de relatie heeft zich na het uiteengaan van partijen voortgezet in ex-partnergeweld. Zo stuurde vader volgens de moeder ontelbare dwingende e-mails aan haar, heeft de vader zich intimiderend en agressief gedragen richting de viooldocente van [minderjarige 2] en blijft de vader opduiken op plekken waar de moeder is en/ of de kinderen zijn.
De rechtbank heeft volgens de moeder dan ook terecht overwogen dat sprake is van een structureel patroon van controlerend, intimiderend en grensoverschrijdend gedrag van de vader en dat dit niet langer van de moeder kan worden gevergd, hetgeen heeft geleid tot toewijzing van haar verzoek om het eenhoofdig gezag over de kinderen.
De moeder heeft tijdens de zitting in hoger beroep toegelicht dat er geen communicatie is tussen partijen. Wel informeert zij de vader eenmaal per maand per e-mail over belangrijke zaken betreffende de kinderen. Zij houdt deze berichten kort, omdat in het verleden is gebleken dat te veel tekst tot escalatie leidt. Sinds de bestreden beschikking is er volgens moeder meer rust, nu zij voor belangrijke beslissingen voor de kinderen niet meer de toestemming van de vader nodig heeft. [minderjarige 1] is inmiddels van school gewisseld, er is hulp voor de kinderen ingeschakeld en de moeder is zonder problemen met de kinderen met vakantie geweest. Het gaat ook beter met de kinderen op school.
De moeder is blij met het eenhoofdig gezag, maar onderstreept wel het belang van de kinderen van contact met de vader. Het is volgens de moeder goed voor hen als de omgang op de huidige wijze wordt voortgezet en hierin op dit moment niet te veel wijzigingen plaatsvinden.
Het advies van de raad
Uit het raadsrapport van 27 oktober 2025 blijkt dat de raad, als gevolg van de dynamiek tussen de ouders, zorgen heeft over beide opvoedsituaties. De raad concludeert dat het in het belang van de kinderen noodzakelijk is dat de huidige (negatieve) dynamiek tussen de ouders wordt doorbroken. Omdat duidelijk is dat de ouders al heel lang niet in staat zijn tot constructief direct overleg, vindt de Raad het passend dat iedere ouder een eigen pad volgt binnen een vorm van Parallel Solo Ouderschap (verder: PSO). Dit voorkomt dat de kinderen belast worden met de voortdurende onmacht tussen de ouders en het kan de ouders de ruimte geven om zich te richten op hun eigen opvoedsituatie. Naast het traject PSO ziet de Raad er meerwaarde in dat de vader meer hulp krijgt bij het loslaten van de moeder en de kinderen wanneer zij bij moeder zijn en bij het reguleren van zijn emoties.
De raad heeft tijdens de zitting bij de rechtbank op basis van het raadsrapport geadviseerd het verzoek tot wijziging van het gezag aan te houden zodat binnen de ondertoezichtstelling er meer zicht komt op de wijze waarop de ouders binnen PSO of met behulp van derden afspraken kunnen maken en uitvoeren.
Tijdens de zitting in hoger beroep heeft de raad laten weten dat voor de raad voorop staat dat er goed gekeken wordt naar de omgang tussen de vader en de kinderen. Die is er nu op de begeleide manier. Het is belangrijk dat daarin op dit moment niet te veel wisselingen zijn. Hoe deze omgang er in de toekomst uit moet zien kan de raad nog niet zeggen; daarvoor moet eerst het belang van de kinderen duidelijk worden. Het doel is wel om de omgang goed vorm te geven en uit breiden in de toekomst.
De raad laat weten de beslissing van de rechtbank ten aanzien van het gezag te begrijpen, zodat de raad niet iets anders adviseert.
De raad ondersteunt het dat LeefSterk betrokken blijft bij de uitvoering van de omgang.
Het standpunt van de GI
De GI laat weten de klachten van de vader over de verslaglegging bij de begeleiding van de omgang door LeefSterk te erkennen. De GI is druk doende hierin verandering aan te brengen door de samenwerking beter te laten verlopen. De GI kan op dit moment nog geen uitlatingen doen over uitbreiding van de omgang, hiervoor moet eerst meer zicht op het verloop van de begeleide omgang komen. Het is daarbij van het grootste belang dat LeefSterk, waarmee op korte termijn het contract afloopt, betrokken blijft om de omgang te begeleiden.
Voorop staat dat de omgang moet blijven plaatsvinden in het belang van de kinderen.
Over het gezag kan de GI geen uitspraken doen.
De beoordeling door het hof
Deze procedure ziet op het ouderlijk gezag. Het uitgangspunt van de wet is dat ouders het gezag over hun kinderen gezamenlijk uitoefenen. Van dat uitgangspunt kan slechts worden afgeweken indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen klem of verloren raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, dan wel indien wijziging van het gezag anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is.
Volgens vaste rechtspraak is voor gezamenlijk gezag vereist dat de ouders daadwerkelijk in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening en dat zij beslissingen van enig belang over hun kinderen in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans ten minste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich ten aanzien van de kinderen voordoen, zodanig dat de kinderen niet klem of verloren raken. Daarbij geldt dat het enkele ontbreken van goede communicatie op zichzelf onvoldoende is voor een gezagswijziging. Beslissend is of het gebrek aan communicatie zodanig is dat het de kinderen daadwerkelijk schaadt en of te verwachten valt dat daarin op afzienbare termijn verbetering komt.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de verhouding tussen partijen al geruime tijd ernstig en structureel is verstoord. Uit de door de moeder in de procedure bij de rechtbank overgelegde correspondentie blijkt op welke wijze de vader zich tot haar verhoudt. De kern van zijn vele e-mails is dat de moeder psychische hulp behoeft, dat zij niet tot communicatie in staat en niet eerlijk zou zijn, en dat zij de vader en de kinderen geestelijk zou mishandelen door af te wijken van het ouderschapsplan en overleg te weigeren. De toonzetting van deze berichten is dwingend. Indien de moeder niet handelt overeenkomstig zijn wens, verbindt de vader daaraan de conclusie dat de beslissingen op zijn manier moeten worden genomen. Van een opstelling die gericht is op het bereiken van overeenstemming is in deze correspondentie geen sprake.
Communicatie en samenwerking ontbreken inmiddels vrijwel volledig. Ter zitting in hoger beroep hebben beide partijen bevestigd dat er momenteel in het geheel geen contact tussen hen bestaat, afgezien van de maandelijkse e-mails van de moeder aan de vader met uitsluitend de hoogstnoodzakelijke informatie over de kinderen. De moeder heeft hierover verklaard dat het geven van meer informatie tot escalatie leidt. De vader heeft verklaard op die e-mails niet te reageren, omdat hij niets in te brengen heeft.
Uit het rapport van de raad van 27 oktober 2025 blijkt dat sprake is van een ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de kinderen. Die bedreiging bestaat eruit dat de kinderen al langere tijd getuige zijn van spanningen en incidenten tussen hun ouders. Zij vertonen signalen van internaliserende problematiek, waaronder krabben, buikpijn en in elkaar krimpen, en zij ervaren gevoelens van schuld en minderwaardigheid en zij voelen zich verantwoordelijk. De raad concludeert dat de kinderen klem zitten tussen hun ouders en dat zij worden belast met negatieve uitingen en onvoorspelbaar gedrag van beide ouders.
Het hof neemt deze bevindingen over. De vader heeft niets ingebracht dat aan de juistheid hiervan afdoet. De signalen die de kinderen afgeven laten zien dat de strijd tussen de ouders hun belangen aanzienlijk schaadt. De kinderen zitten daarmee klem tussen hun ouders.
Dat de verhoudingen zich op afzienbare termijn ten goede zullen keren, is niet aannemelijk geworden. De inzet van hulpverlening heeft niet tot enige verbetering in de onderlinge verhouding geleid. Partijen communiceren op dit moment niet meer met elkaar. De vader heeft ook geen concreet aanknopingspunt aangedragen waaruit zou kunnen volgen dat hierin binnen afzienbare tijd verandering komt en ook anderszins is dat niet gebleken.
Daar komt bij, dat het OKT reeds in oktober 2024 heeft geadviseerd tot traumabehandeling voor de kinderen. Die behandeling is tot aan de bestreden beschikking echter niet in gang gezet. Daarmee is gedurende bijna 1,5 jaar de noodzakelijke zorg voor de kinderen uitgebleven. Dit is niet het gevolg van een incidenteel meningsverschil, maar van de structurele onmogelijkheid voor partijen om gezamenlijk tot een beslissing te komen.
Naast het klemcriterium is de gezagswijziging ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk. Uit de vaststaande feiten volgt dat de vader in het verleden herhaaldelijk niet heeft meegewerkt aan beslissingen die in het belang van de kinderen noodzakelijk waren. Hij heeft noodzakelijke medische afspraken afgezegd, zijn toestemming voor behandeling door de orthodontist geweigerd en geen toestemming verleend voor vakanties van de moeder met de kinderen. Het gaat hier niet om een eenmalig incident, maar om een patroon dat zich gedurende langere tijd heeft voorgedaan. Het gevolg hiervan is geweest dat niet tijdig de voor de kinderen noodzakelijke beslissingen konden worden genomen, hetgeen niet in het belang van de kinderen is.
Het hof beoordeelt de zaak ook naar de stand van zaken ten tijde van deze beschikking. In dat verband overweegt het hof dat de moeder ter zitting in hoger beroep onbetwist heeft verklaard dat er sinds de wijziging van het gezag meer rust is voor de kinderen en de kinderen inmiddels hulpverlening ontvangen omdat zij daarvoor niet langer de toestemming van de vader nodig had. Hierdoor is het hof gebleken is dat het eenhoofdig gezag het belang van de kinderen gediend heeft.
Het hof onderkent dat de wijziging van het gezag een ingrijpende maatregel is die inbreuk maakt op het recht van de vader op eerbiediging van zijn gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Die inbreuk is in dit geval echter gerechtvaardigd en noodzakelijk ter bescherming van de rechten en belangen van de kinderen. Een minder verstrekkende voorziening is niet voorhanden gebleken, nu hulpverlening gericht op herstel van de communicatie geen resultaat heeft gehad en partijen op dit moment in het geheel niet meer met elkaar in gesprek zijn. Daarbij weegt het hof mee dat de gevolgen van de maatregel beperkt blijven tot de besluitvorming over de kinderen. De positie van de vader als ouder blijft onaangetast, hij houdt zijn recht op omgang en de moeder blijft op grond van artikel 1:377b BW gehouden hem te informeren over belangrijke aangelegenheden die de kinderen betreffen en hem te raadplegen over daaromtrent te nemen beslissingen.
Op grond van het voorgaande, komt het hof tot het oordeel dat de kinderen klem zitten tussen hun ouders, dat niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt, en dat de wijziging van het gezag ook anderszins in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De bestreden beschikking wordt dan ook bekrachtigd.
De vader heeft nog aangevoerd dat de rechtbank de feiten en uitgangspunten onjuist heeft vastgesteld door eenzijdig het standpunt van de moeder te volgen en de beslissing onvoldoende heeft gemotiveerd, zodat deze niet in stand kan blijven. Deze grieven falen. Het hof is hiervoor immers zelfstandig, op basis van het gehele dossier, tot een eigen vaststelling gekomen van de feiten die voor de onderhavige gezagskwestie van belang zijn. Het hof heeft zich daarbij niet uitsluitend gebaseerd op hetgeen de moeder naar voren heeft gebracht, maar mede op de gedane aangiften, het raadsrapport, op de door de vader zelf verzonden correspondentie en op hetgeen beide partijen ter zitting in hoger beroep hebben verklaard.
Een aanzienlijk deel van het debat tussen partijen heeft betrekking gehad op de vraag of sprake is of is geweest van intieme terreur. Het hof laat die vraag onbeantwoord. Het oordeel over het gezag berust op de hiervoor genoemde informatie en behoeft voor zijn dragende kracht geen beantwoording van die vraag.
Een groot deel van de grieven van de vader ziet verder op de omgang tussen hem en de kinderen. Aan deze grieven zijn echter geen verzoeken verbonden. Zij missen daarmee zelfstandige betekenis en kunnen niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, zodat het hof daarop niet verder ingaat.
Dat neemt niet weg dat het hof, gelet op het belang van de kinderen, hierover ten overvloede het volgende opmerkt. Het is, zoals ook de raad ter zitting naar voren heeft gebracht, van groot belang dat de omgang tussen de vader en de kinderen onder begeleiding van LeefSterk doorgang blijft vinden, ook na afloop van het huidige contract met LeefSterk. De kinderen hebben zelf laten weten hun vader vaker te willen zien, terwijl de begeleide vorm waarborgt dat dit contact plaatsvindt zonder dat zij opnieuw worden belast met de spanningen tussen hun ouders. De wijziging van het gezag strekt er immers niet toe de band tussen de vader en de kinderen te beperken, maar uitsluitend om de besluitvorming over hen buiten het conflict tussen de ouders te plaatsen. Het hof gaat er dan ook van uit dat de GI en beide ouders zich zullen inspannen om dit begeleide contact te laten voortduren en slagen en dat de bevoegde instanties voor ononderbroken voortgang van de begeleide omgang zullen zorgdragen.
Kindbrieven
Op verzoek van de kinderen wordt tegelijk met de onderhavige beschikking een brief aan hen gestuurd, waarin de beslissing aan hen wordt uitgelegd.
Deze brief is als bijlage aan deze beschikking gehecht.
6 De beslissing
Het hof:
- bekrachtigt de beschikking waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
- wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. D.H. Steenmetser-Bakker, mr. J.F. Miedema en
mr. G.J. Baken, in tegenwoordigheid van mr. E.W.K. Bosman als griffier en is op
20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.