Personen- en familierecht

Ouderlijk gezag, 1:253n BW: bekrachtiging bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing om het…

Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
20 oktober 2026
Datum publicatie
20 oktober 2026
Zaaknummer
200.365.704/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. N.S. van Es te Amsterdam, mr. I. Roos te Amsterdam
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2991
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Ouderlijk gezag, 1:253n BW: bekrachtiging bestreden beschikking voor wat betreft de beslissing om het gezamenlijk gezag van de ouders over de minderjarige te beëindigen en de moeder te belasten met het eenhoofdig gezag.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht

Team III (familie- en jeugdrecht)

zaaknummer: 200.365.704/01

zaaknummer rechtbank: C/13/1775279 / FA RK 25-6793

beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van

[de vader] ,

wonende te [plaats A] ,

verzoeker in hoger beroep,

hierna: de vader,

advocaat: mr. N.S. van Es te Amsterdam,

en

[de moeder] ,

wonende te [plaats A] ,

verweerder in hoger beroep,

hierna: de moeder,

advocaat: mr. I. Roos te Amsterdam.

Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:

- de minderjarige [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren [in] 2022 te [plaats A] .

In de procedure heeft een adviserende taak:

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Den Haag,

locatie Amsterdam,

hierna: de raad.

1 De zaak in het kort

De zaak gaat over het ouderlijk gezag van de ouders over [minderjarige] .

De rechtbank heeft het verzoek van de moeder om het gezamenlijk gezag te beëindigen en alleen belast te worden met het gezag over [minderjarige] , toegewezen. De vader is het daar niet mee eens en wil dat het gezamenlijk gezag wordt hersteld. De moeder is het wel eens met de beslissing van de rechtbank.

2 De procedure in hoger beroep

2.1

De vader is op 4 maart 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 4 december 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank).

2.2

De moeder heeft op 17 april 2026 een verweerschrift ingediend.

2.3

Het hof heeft daarnaast de volgende stukken ontvangen:

- een bericht van de zijde van de moeder van 20 maart 2026 met bijlagen,

- een mailbericht van de zijde van de moeder van 17 augustus 2026;

- een bericht van de zijde van de moeder van 20 augustus 2026 met bijlagen.

2.4

De zitting heeft op 7 september 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat, en door K. Lazar, tolk in de Arabische taal;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

- de raad, vertegenwoordigd door J. Ibrahim.

3 De feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de ouders van [minderjarige] . De ouders hebben tot 2024 een relatie met elkaar gehad. De vader heeft [minderjarige] erkend. Zij oefenen sinds 21 maart 2023 gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] woont bij de moeder. De moeder heeft uit een eerdere relatie een dochter, Libby van 16 jaar.

3.2

De vader is op 26 maart 2024 veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven van de moeder gericht. Daarbij zijn onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en bijzondere voorwaarden opgelegd. De bijzondere voorwaarden bestaan onder meer uit een meldplicht, een behandelplicht, een contactverbod en een locatieverbod. Contact onder begeleiding van een gecertificeerde jeugdzorginstantie of reclassering omwille van contact tussen de vader en [minderjarige] vormt hier een uitzondering op. Deze veroordeling is bij arrest van dit hof van 22 januari 2025 in stand gebleven, waarbij -met enkele aanpassingen- dezelfde bijzondere voorwaarden zijn opgelegd. Het cassatieberoep van de vader is op 20 januari 2026 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk verklaard.

3.3

Op 10 juli 2024 heeft de rechtbank bij wijze van provisionele voorziening op grond van artikel 223 Wetboek van Rechtsvordering bepaald dat onder regie van de gecertificeerde instelling JBRA (hierna: de GI) contactherstel en begeleide omgang tussen [minderjarige] en de vader zal plaatsvinden, waarbij de belastbaarheid en het tempo van [minderjarige] leidend zijn. Ten aanzien van de beslissing over een definitieve zorgregeling is de zaak door de rechtbank aangehouden en is een raadsonderzoek gelast.

3.4

Er bevindt zich een raadsrapport van 3 juli 2025 in het dossier.

3.5

[minderjarige] is op 8 juli 2025 onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, tot

8 juli 2026. Het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling is op 7 juli 2026 door de kinderrechter afgewezen.

3.6

Op advies van de raad heeft de rechtbank op 17 juli 2025 de beslissing over een definitieve zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader aangehouden tot juni 2026, dit om de moeder en [minderjarige] in de gelegenheid te stellen de voor hen benodigde (trauma)behandelingen te volgen. De vader is in de gelegenheid gesteld psycho-educatie te volgen om een beeld te kunnen krijgen van de impact van de gebeurtenissen op [minderjarige] en om inzicht te krijgen in zijn aandeel hierbij.

3.7

Bij de in zoverre niet bestreden beschikking van 4 december 2025 heeft de rechtbank een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder, via de GI, eens per kwartaal informatie over het welzijn en de ontwikkeling van [minderjarige] aan de vader verstrekt, met daarbij een foto van [minderjarige] .

3.8

Bij beschikking van 7 juli 2026 heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot het vaststellen van een definitieve zorgregeling tussen hem en [minderjarige] afgewezen.

4 De omvang van het hoger beroep

4.1

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat het gezamenlijk gezag van de ouders over [minderjarige] wordt beëindigd en de moeder voortaan wordt belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] .

4.2

De vader verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, te bepalen dat het gezamenlijk ouderlijk gezag in stand blijft.

4.3

De moeder verzoekt afwijzing van het verzoek van de vader en bekrachtiging van de in zoverre bestreden beschikking.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof dient te beoordelen of er gronden bestaan voor beëindiging van het gezamenlijk gezag van de ouders en om de moeder alleen met het gezag over [minderjarige] te belasten.

Het wettelijk kader

5.2

Uit artikel 1:253n van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of van een van hen het gezamenlijk gezag kan beëindigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing op grond van waarvan het gezamenlijk gezag is ontstaan van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter kan dan bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

De standpunten

5.3

De vader stelt dat het gezamenlijk gezag ten onrechte is beëindigd en voert hiertoe het volgende aan. Volgens de vader heeft de rechtbank het Verdrag van Istanbul verkeerd uitgelegd en dient een strafrechtelijke veroordeling er niet automatisch toe te leiden dat het gezag wordt beëindigd. De strafrechtelijke veroordeling komt voort uit een eenmalig incident van ruim twee jaar geleden; volgens de vader is door de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het tijdsverloop sinds dat incident en met de recente positieve ontwikkelingen aan zijn kant. De vader houdt zich aan het locatie- en contactverbod, volgt psycho-educatie en werkt actief mee met de hulpverlening. Deze omstandigheden wijzen niet op een verhoogd recidive risico, wat ook blijkt uit het verslag van de reclassering. Ook heeft hij geen gezagsbeslissingen gefrustreerd. Verder moet rekening worden gehouden met het feit dat gedurende de samenleving van de ouders sprake was van goed contact tussen de vader, de moeder en [minderjarige] en de dochter van de moeder. Niet duidelijk is waarom de moeder niet met de vader in overleg zou kunnen treden. Bovendien hoeft zij niet rechtstreeks met de vader te communiceren; dat verloopt via de hulpverlening. De rechtbank had eerst minder ingrijpende alternatieven moeten onderzoeken, aangezien beëindiging van het ouderlijk gezag van de vader ook gevolgen heeft voor zijn verblijfstatus in Nederland. Volgens de vader is er geen sprake van dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen de ouders, omdat de vader de afgelopen jaren altijd in het belang van [minderjarige] heeft gehandeld.

5.4

De moeder is het eens met de beëindiging van het gezamenlijk gezag en voert hiertoe het volgende aan. De moeder betwist dat de rechtbank enkel het Verdrag van Istanbul als zelfstandige grondslag voor gezagsbeëindiging heeft gehanteerd. De bedreiging door de vader van de moeder met een mes, terwijl zij [minderjarige] in haar armen hield, heeft geleid tot een ernstig verstoorde verhouding tussen partijen. De problematiek tussen partijen blijft in stand door het gebrek aan erkenning door de vader van wat er heeft plaatsgevonden en hoe dit voor de moeder en [minderjarige] is geweest. Gelet op de lopende behandelingen en het uitblijven van gedragsverandering bij de vader is het onmogelijk om tot een constructieve samenwerking te komen die vereist is voor gezamenlijk gezag. Dat de vader zich houdt aan de behandeladviezen maakt niet dat gezamenlijk gezag weer uitvoerbaar is; van vertrouwen en een constructieve samenwerking is geen sprake. Bovendien is de vader ook na het contactverbod blijven proberen contact te zoeken, onder andere via sociale media, waardoor de moeder ook twijfelt aan een gedragsverandering bij de vader. De moeder merkt dat zij en [minderjarige] sinds de bestreden beschikking meer rust ervaren en dat dat hen goed doet, maar zij ervaart ondanks het locatie- en contactverbod nog steeds gevoelens van onveiligheid richting de vader. De moeder is van mening dat niet van haar verwacht kan worden dat zij in overleg treedt met vader, nog los van het geldende contact- en locatieverbod. De moeder geeft aan dat als er in de toekomst sprake is van een veranderde situatie, de vader alsnog de mogelijkheid heeft om te verzoeken weer met het gezag belast te worden.

Het advies van de raad

5.5

De raad heeft ter zitting in hoger beroep geadviseerd de bestreden beschikking te bekrachtigen. Volgens de raad houdt uitoefening van gezag meer in dan alleen medewerking aan gezagsbeslissingen. De vader moet in staat zijn om zelfstandig een beeld te vormen van [minderjarige] en op basis daarvan kunnen afwegen welke beslissingen in het belang van [minderjarige] zijn. Het lijkt er volgens de raad op dat moeder en [minderjarige] sinds de bestreden beschikking de rust ervaren, die zij nodig hebben om tot verwerking te komen van wat er is gebeurd. De raad meent dat van de moeder in deze situatie niet kan worden verwacht dat zij in overleg treedt met vader, hetgeen wel een vereiste is voor het gezamenlijk uitoefenen van gezag.

De beoordeling door het hof

5.6

Het hof overweegt als volgt.

Gezamenlijk gezag veronderstelt dat de ouders in staat zijn tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening waarbij zij beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen, althans tenminste in staat zijn vooraf afspraken te maken over situaties die zich rond hun kind kunnen voordoen.

5.7

Naar het oordeel van het hof is daaraan in de onderhavige zaak niet voldaan. Uit de stukken in het dossier en hetgeen is besproken op de zitting volgt dat er al langere tijd sprake is van een verstoorde verstandhouding tussen de ouders. Tijdens de relatie tussen de ouders is er sprake geweest van agressief gedrag van de vader jegens de moeder, waarbij de vader de moeder op enig moment heeft bedreigd met een mes terwijl de moeder [minderjarige] vasthield. De vader is door de strafrechter hiervoor onherroepelijk veroordeeld en hij heeft daarvoor onder andere een locatie- en contactverbod opgelegd gekregen, inhoudende dat hij zich niet in de buurt van de moeder mag bevinden en geen contact met haar mag zoeken.

Het geweld waaraan de moeder en [minderjarige] zijn blootgesteld hebben bij beiden tot traumaklachten geleid. Zij volgen hiervoor momenteel ook beiden traumabehandeling. [minderjarige] heeft nadien in de eerste contacten met de vader heftige reacties laten zien, wat er

uiteindelijk toe heeft geleid dat de omgang met de vader is beëindigd. In de beschikking van 7 juli 2026 heeft de rechtbank overwogen dat zowel [minderjarige] als de moeder onvoldoende draagkracht hebben om het contact met de vader weer op te starten. Op de zitting in hoger beroep van deze zaak geeft de moeder aan tot op heden gevoelens van onveiligheid te ervaren en geen rechtstreeks contact met de vader te kunnen hebben; de informatie-verstrekking over [minderjarige] vindt (sinds de beëindiging van de ondertoezichtstelling) plaats via de Ouder-Kind-Lijn.

Het hof constateert dat bij de vader, ondanks zijn strafrechtelijke veroordeling, de erkenning ontbreekt van wat er is gebeurd en welke gevolgen dit voor de moeder en [minderjarige] heeft gehad en nog steeds heeft. De omstandigheden dat de vader psycho-educatie volgt, in contact is met de reclassering en een traject is gestart bij Family Supporters, maakt dat niet anders omdat niet vastgesteld kan worden dat dit ook heeft geleid tot verandering van inzichten en houding aan de kant van de vader. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs niet van de moeder worden verwacht dat ze in overleg treedt met de vader over belangrijke (gezags)zaken die betrekking hebben op [minderjarige] . Omdat communicatie tussen partijen niet mogelijk is, ontbreekt naar het oordeel van het hof de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking de uit het Verdrag van Istanbul voortvloeiende verplichtingen van de Nederlandse rechter om bij het nemen van beslissingen rekening te houden met huiselijk geweld en dat de veiligheid van de ouder en het kind centraal moet staan bij de vraag welke beslissing over het gezag in het belang van het kind is.

Daarbij komt dat de vader geen contact heeft met [minderjarige] en, zoals de raad ook in zijn advies meegeeft, geen zelfstandig beeld van hem kan vormen en daardoor niet voldoende inzicht heeft welke gezagsbeslissingen in zijn belang zijn.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de ouders niet tot een behoorlijke gezamenlijke gezagsuitoefening in staat zijn en ook niet te verwachten is dat de verhouding tussen partijen binnen afzienbare tijd voldoende zal verbeteren. Het in stand houden van gezamenlijk gezag zou een onaanvaardbaar risico opleveren dat [minderjarige] klem of verloren raakt tussen zijn ouders.

5.8

Het hof realiseert zich dat de vader erop heeft gewezen dat de beëindiging van zijn ouderlijk gezag ook onevenredige gevolgen voor zijn verblijfsrecht heeft en daarmee voor [minderjarige] . Zonder herstel van het gezag wordt zijn feitelijke afstand tot [minderjarige] alleen maar groter en wordt het in de praktijk onmogelijk om nog invulling te geven aan zijn gezinsleven met [minderjarige] . In dat kader wijst de vader ook op de ten tijde van het indienen van zijn beroepschrift nog geldende ondertoezichtstelling en op de toen nog bij de rechtbank lopende procedure over een omgangsregeling. Bij beschikking van 7 juli 2026 is de ondertoezichtstelling door de kinderrechter echter niet verlengd en bij beschikking van eveneens 7 juli 2026 is het verzoek van de vader om een omgangsregeling vast te stellen door de rechtbank afgewezen. Deze beschikkingen brengen met zich dat de vader thans vader op afstand is die door de moeder, via een derde, wel regelmatig wordt geïnformeerd over [minderjarige] . Gegeven deze situatie laat het hof het belang van [minderjarige] bij een veilige en voorspelbare opvoedomgeving het zwaarst wegen en stelt het hof dit belang boven het belang van de vader bij zijn verblijfsrecht.

Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

5.9

Het hof ziet aanleiding om de bestreden beslissing voor zover deze ziet op het gezag alsnog ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

5.10

Dit leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

verklaart de beslissing tot beëindiging van het gezamenlijk gezag en belasting van de moeder met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] uitvoerbaar bij voorraad;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het openbaar register;

Deze beschikking is gegeven door mrs. F. Kleefmann, J.M. van Baardewijk en

S.E. Landheer, in tegenwoordigheid van mr. V.A.M. Willemsen als griffier en is op

20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.