Personen- en familierecht
zorgregeling Artikel: 1:253a lid 4 BW
Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2992 · Gerechtshof Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2992
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.365.097/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. F.D. van Damme te Beverwijk, mr. W.N. Sardjoe te Den Haag
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2992
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
zorgregeling
Artikel: 1:253a lid 4 BW
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.365.097/01
zaaknummer rechtbank: C/15/366580 / FA RK 25-3076
beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats 1] ,
verzoekster in hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. F.D. van Damme te Beverwijk,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats 2] ,
verweerder in hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. W.N. Sardjoe te Den Haag.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbende aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige] , hierna: [minderjarige] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep
Het hof heeft in deze zaak op 28 juli 2026 beschikking gegeven. Voor het procesverloop tot 28 juli 2026 wordt naar die beschikking verwezen.
In de beschikking van 28 juli 2026 heeft het hof vastgesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden en geoordeeld dat een wijziging van de zorgregeling – kort gezegd – in het belang van [minderjarige] is. Het hof heeft bepaald dat partijen in de gelegenheid worden gesteld zich uit te laten over de door de rechtbank bepaalde weekendregeling, waarbij [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van zaterdag 09.30 uur tot zondag 19.00 uur bij de moeder verblijft.
Het hof kwam hiertoe omdat het constateerde dat de zorgregeling die doordeweeks tussen de ouders zou kunnen gaan gelden, ertoe zou kunnen leiden dat de moeder [minderjarige] op zondag om 19.00 uur bij de vader zou moeten terugbrengen, waarna [minderjarige] de volgende ochtend om 07.30 weer door de moeder bij de vader zou moeten worden opgehaald. Het hof heeft de moeder verzocht zich uiterlijk 11 augustus 2026 over de weekendregeling uit te laten, waarna de vader zich uiterlijk 25 augustus 2026 hierover kon uitlaten. Het hof heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
Het hof heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
- een bericht van de zijde van de moeder van 7 augustus 2026 met bijlage, en
- een bericht van de zijde van de vader van 25 augustus 2026 met bijlage.
2 De verdere beoordeling van het hoger beroep
Het hof dient nog te beslissen op de verzoeken van de moeder omtrent de zorgregeling.
Ter zitting in hoger beroep (op 15 juni 2026) heeft de moeder haar verzoek gewijzigd, in die zin dat zij:
- primair verzoekt te bepalen dat de drie doordeweekse verblijfdagen bij haar worden aangevuld met overnachtingen, waarbij zij [minderjarige] op maandagochtend bij de vader ophaalt en de vader [minderjarige] op woensdagmiddag bij de moeder ophaalt;
- subsidiair verzoekt een door het hof in goede justitie te bepalen zorgregeling te bepalen;
- verzoekt de proceskosten te compenseren aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.
De vader heeft verzocht het hoger beroepschrift van de moeder niet-ontvankelijk, althans ongegrond te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.
Bij bericht van 7 augustus 2026 heeft de moeder, in aanvulling op de onder 2.1 vermelde verzoeken, verzocht te bepalen dat [minderjarige] , in de weken waarin zij in het weekend bij de moeder verblijft, vier aaneengesloten nachten bij de moeder verblijft, zonder tussentijdse overdrachten.
Bij bericht van 25 augustus 2026 heeft de vader verzocht te bepalen dat [minderjarige] doordeweeks bij de vader en drie van de vier weekenden, dan wel ieder weekend bij de moeder verblijft.
Het wettelijk kader
Uit artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover kan wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Deze gewijzigde regeling kan omvatten – voor zover hier van belang – een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De nadere standpunten van partijen
De moeder heeft bij bericht van 7 augustus 2026 laten weten dat het hof heeft gesignaleerd dat de huidige weekendregeling, gecombineerd met de nieuwe doordeweekse regeling, ertoe zou leiden dat [minderjarige] op zondagavond bij de vader wordt teruggebracht en de volgende ochtend al weer bij hem wordt opgehaald. Dat betekent feitelijk niet meer dan één overnachting bij de vader, met twee extra vervoersmomenten die voor [minderjarige] geen enkele functie hebben. De moeder wenst deze onwenselijke situatie op te lossen door in weken waarin het weekend bij haar valt, de bestaande weekendregeling en de doordeweekse regeling naadloos op elkaar te laten aansluiten. Concreet komt dit erop neer dat de moeder [minderjarige] in die weken zelf op zaterdagochtend bij de vader ophaalt. [minderjarige] verblijft vervolgens ononderbroken bij de moeder tot en met woensdag 17.00 uur, op welk moment de vader haar weer bij de moeder ophaalt, zoals ook al voor de reguliere doordeweekse regeling geldt. Met dit voorstel vervallen de overdrachten op zondagavond en het afzonderlijke ophaalmoment op maandagochtend. Het aantal vervoersmomenten in een weekendweek blijft daardoor beperkt tot twee: één door de moeder (op zaterdagochtend) en één door de vader (woensdagmiddag). Dat sluit aan bij het uitgangspunt dat het hof in rechtsoverweging 5.8 van de beschikking van 28 juli 2026 al tot leidraad heeft genomen voor de doordeweekse regeling, namelijk dat beide ouders één vervoersmoment per week voor hun rekening nemen. Het effect voor [minderjarige] is dat in plaats van één overnachting gevolgd door een onmiddellijke terugkeer naar de moeder, [minderjarige] in weekendweken vier aaneengesloten nachten bij de moeder verblijft, zonder tussentijdse, functieloze overdrachten.
De vader heeft bij bericht van 25 augustus 2026 laten weten naar aanleiding van het proces-verbaal (het hof begrijpt: de beschikking) van het hof en de reactie van de moeder van 7 augustus 2026 voorstellen gedaan te hebben aan de (advocaat van de) moeder, maar dat daar geen reactie op is komen. [minderjarige] gaat in november naar school en zij zit nu op de pre-school in [plaats 2] . De gedachtegang van het hof ten aanzien van de doordeweekse dagen, zou betekenen dat [minderjarige] voor anderhalve maand een tijdelijke regeling zal krijgen, wat onrustig voor haar zal zijn. De ouders wonen te ver uit elkaar om het halen van en het brengen naar school te combineren. Er is geen wijziging van de hoofdverblijfplaats aan de orde, dus het zwaartepunt van de zorg moet bij de vader blijven. Bij een andere regeling zal de vader in de problemen komen met de toeslagen en de BSO-inschrijving vanwege een wachtlijst. Daarnaast kan de moeder [minderjarige] niet inschrijven op scholen bij haar in de buurt, aangezien [minderjarige] bij de vader staat ingeschreven en inschrijvingen alleen gedaan kunnen worden in de omgeving waar [minderjarige] staat ingeschreven. De vader heeft zijn werkuren afgestemd op de dagelijkse zorg, heeft daardoor flexibele uren en kan dit goed combineren met school. Het was daarnaast ook de bedoeling dat [minderjarige] een extra dag naar de opvang zou gaan voor haar ontwikkeling ter voorbereiding van school, maar dat is bij een eventuele wijziging ook niet haalbaar. Indien het oordeel van het hof in ogenschouw wordt genomen is de oplossing die de vader aandraagt om [minderjarige] doordeweeks bij de vader en drie van de vier weekenden bij de moeder te laten verblijven. De raad heeft een soortgelijk advies gegeven ter zitting. Ook is het mogelijk om [minderjarige] dan ieder weekend in plaats van op doordeweekse dagen bij de moeder te laten verblijven. Tot [minderjarige] naar school gaat zal de vader [minderjarige] dan naar de moeder brengen en als school is begonnen, haalt de moeder [minderjarige] op vrijdagmiddag van school. Op zondag zal de vader [minderjarige] dan om 17.00 uur ophalen bij de moeder, wat ook in lijn is met het advies van de raad ter zitting in hoger beroep. Deze oplossing biedt de meeste rust voor de ouders, mede gelet op de moeizame communicatie waar de moeder de oorzaak van is. Dit voorstel van de vader komt ook overeen met de voorstellen die de moeder ter zitting heeft geopperd. Op deze wijze kan de moeder zorgeloos haar werkuren maken, die vaak plaatsvinden in de avonduren.
De verdere beoordeling
[minderjarige] wordt op 27 november 2026 vier jaar en zal vanaf dat moment naar school gaan. Gebleken is dat zij nu al naar de pre-school in [plaats 2] gaat. Het hof dient bij de te nemen beslissing over de zorgregeling dan ook rekening te houden met de omstandigheid dat [minderjarige] vanaf november 2026 naar de basisschool gaat en zal daarom een regeling vaststellen die geënt is op die situatie.
Het hof acht, zoals reeds in r.o. 5.8 van de tussenbeschikking van 28 juli 2026 is overwogen, een zorgregeling met zo min mogelijk overdrachtsmomenten in het belang van [minderjarige] . [minderjarige] is nog jong en de huidige zorgregeling bestaat naar het oordeel van het hof uit te veel doordeweekse wisselmomenten voor [minderjarige] , wat belastend voor haar is. Daarnaast overweegt het hof dat het niet in het belang van [minderjarige] wordt geacht om haar in het weekend dat zij bij de moeder verblijft op zondagavond door de moeder terug te laten brengen naar de vader, waarna zij de volgende ochtend om 7.30 uur weer door de moeder zou worden opgehaald. Het hof zal daarom een zorgregeling vaststellen waarbij [minderjarige] de ene week van maandag uit school tot en met woensdag 17.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de vader [minderjarige] op woensdagmiddag bij de moeder ophaalt. Daarnaast zal het hof bepalen dat [minderjarige] in de andere week van zaterdag 9.30 uur tot woensdag 17.00 uur bij de moeder verblijft, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de vader en de vader [minderjarige] op woensdag ophaalt bij de moeder. Deze doordeweekse (en weekend)overnachtingen zullen naar het oordeel van het hof bijdragen aan meer rust en voorspelbaarheid voor [minderjarige] , wat in haar belang wordt geacht nu zij binnenkort naar school zal gaan. Zoals het hof in de hiervoor genoemde tussenbeschikking van 28 juli 2026 heeft overwogen, is niet gebleken dat er contra-indicaties zijn voor doordeweekse overnachtingen van [minderjarige] bij de moeder. Voor zover de vader heeft aangevoerd dat er geen wijziging van de hoofdverblijfplaats aan de orde is en dat het zwaartepunt van de zorgregeling bij de vader dient te blijven, omdat hij bij een andere regeling in de problemen zal komen met de toeslagen en de BSO-inschrijving, overweegt het hof dat daarmee rekening is gehouden in de hiervoor genoemde regeling. De door het hof vast te stellen regeling brengt namelijk met zich dat [minderjarige] per twee weken in totaal zes en een halve dag bij de moeder zal verblijven, waarmee het zwaartepunt van de zorg (net) bij de vader blijft liggen.
Het hof zal, zoals de moeder heeft verzocht, de proceskosten in hoger beroep tussen partijen compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
3 De beslissing
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij vastgestelde zorgregeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
stelt de volgende zorgregeling vast:
- [minderjarige] verblijft de ene week van maandag uit school tot en met woensdag 17.00 uur bij de moeder, waarbij de vader [minderjarige] op woensdagmiddag bij de moeder ophaalt;
- [minderjarige] verblijft de andere week van zaterdag 9.30 uur tot woensdag 17.00 uur bij de moeder, waarbij de moeder [minderjarige] op zaterdag ophaalt bij de vader en de vader [minderjarige] op woensdag ophaalt bij de moeder.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van de procedure in hoger beroep draagt;
wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. H.A. van den Berg en
mr. A.R. van Wieren, in tegenwoordigheid van de griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.