Personen- en familierecht
Gedeeltelijke wijziging zorg- en vakantieregeling.
Gerechtshof Amsterdam, 20 oktober 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:2993 · Gerechtshof Amsterdam · 20 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/civiel-recht/personen-en-familierecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2993
Zaakgegevens
Op 20 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over personen- en familierecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 20 oktober 2026
- Datum publicatie
- 20 oktober 2026
- Zaaknummer
- 200.363.356/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Personen- en familierecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. S. Toughza te Amsterdam, mr. H. Loonstein te Amsterdam
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2993
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Gedeeltelijke wijziging zorg- en vakantieregeling.
Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
zaaknummer: 200.363.356/01
zaaknummer rechtbank: C/15/335576 / FA RK 22-6229
beschikking van de meervoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak van
[de moeder] ,
wonende te [plaats A] ,
verzoekster in principaal hoger beroep,
verweerster in incidenteel hoger beroep,
hierna: de moeder,
advocaat: mr. S. Toughza te Amsterdam,
en
[de vader] ,
wonende te [plaats B] ,
verweerder in principaal hoger beroep,
verzoeker in incidenteel hoger beroep,
hierna: de vader,
advocaat: mr. H. Loonstein te Amsterdam.
Het hof heeft daarnaast als belanghebbenden aangemerkt:
- de minderjarige [minderjarige 1] , hierna: [minderjarige 1] ;
- de minderjarige [minderjarige 2] , hierna: [minderjarige 2] .
In de procedure heeft een adviserende taak:
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Den Haag, locatie Haarlem,
hierna: de raad.
1 De zaak in het kort
De zaak gaat over de zorgregeling voor de zoons [minderjarige 1] (9 jaar) en [minderjarige 2] (5,5 jaar). De rechtbank heeft (voor zover hier van belang) bepaald dat de kinderen – kort gezegd – ieder weekend vanaf vrijdagavond tot zondagavond en de helft van de kerst- en zomervakantie bij de vader verblijven.
De moeder is het daar mee eens maar wil dat de kinderen op vrijdagmiddag uit school worden opgehaald door de vader in plaats van in de avond bij haar thuis en dat de herfst- en meivakantie ook worden verdeeld. De vader is het ook eens met de bestreden beschikking, behalve dat hij wil dat de kerstvakantie niet bij helfte wordt gedeeld maar dat de reguliere zorgregeling dan doorloopt.
2 De procedure in hoger beroep
De moeder is op 6 januari 2026 in hoger beroep gekomen van een gedeelte van de beschikking van 9 oktober 2025 (hierna: de bestreden beschikking) van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de rechtbank).
De vader heeft op 5 maart 2026 een verweerschrift met daarin ook een incidenteel hoger beroep ingediend.
De moeder heeft op 23 april 2026 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.
Het hof heeft [minderjarige 1] de gelegenheid gegeven om te laten weten wat hij van de zaak vindt. Hij heeft daar geen gebruik van gemaakt.
De zitting heeft op 27 augustus 2026 plaatsgevonden. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
- de vader, bijgestaan door een waarnemer van zijn advocaat, mr. J.R. Núñez Casanova;
- de raad, vertegenwoordigd door R. Planting.
Mr. Núñez Casanova heeft namens de vader op de zitting een pleitnotitie overgelegd.
3 De feiten
De vader en de moeder zijn de ouders van:
- [minderjarige 1] , geboren [in] 2017, en
- [minderjarige 2] , geboren [in] 2020.
De ouders zijn getrouwd geweest en zijn op 16 maart 2026 gescheiden door inschrijving van de in zoverre niet bestreden (echtscheidings-)beschikking. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over de kinderen.
Bij beschikking van 18 april 2023 heeft de rechtbank bij wijze van voorlopige voorzieningen bepaald dat de kinderen ieder weekend van vrijdag na school (14.15 uur) tot zondag 19.00 uur bij de vader verblijven. De vader zal de kinderen op vrijdag ophalen en, zolang de moeder (het hof begrijpt dat hier ontbreekt: geen) eigen vervoer heeft, op zondag brengen naar het adres [A-straat] te [plaats B] .
Kort na 18 april 2023 zijn partijen overeengekomen dat de vader de kinderen de ene week komt ophalen voor het vrijdagmiddaggebed en de andere week na het vrijdagmiddaggebed.
4 De omvang van het hoger beroep
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking, voor zover hier van belang, bepaald dat de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling als volgt zal zijn:
- de kinderen verblijven ieder weekend van vrijdag 19.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader. De vader haalt de kinderen op vrijdag op bij de moeder. De ene week haalt de moeder de kinderen op zondag op bij de vader en de andere week brengt de vader de kinderen op zondag terug naar de moeder;
- in de kerstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de moeder en de tweede helft van de vakantie bij de vader. In de oneven jaren wordt dit omgedraaid;
- in de zomervakantie verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder;
- gedurende de overige vakanties en feestdagen loopt de reguliere zorgregeling door.
De moeder verzoekt in principaal hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende te bepalen dat de zorg-, vakantie- en feestdagenregeling als volgt zal worden gewijzigd:
- de kinderen verblijven ieder weekend van vrijdag na school (14.15 uur) tot zondag 19.00 uur bij de vader;
- de vader haalt en brengt de kinderen;
- in de zomervakantie verblijven de kinderen de eerste drie weken bij de vader en de laatste drie weken bij de moeder
- in de kerstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de moeder en de tweede helft van de vakantie bij de man. In de oneven jaren wordt dit omgedraaid;
- in de herfstvakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de moeder en de tweede helft van de vakantie bij de vader. In de oneven jaren wordt dit omgedraaid;
- in de meivakantie verblijven de kinderen in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de moeder en de tweede helft van de vakantie bij de vader. In de oneven jaren wordt dit omgedraaid;
- gedurende de overige vakanties en feestdagen loopt de reguliere zorgregeling door.
De vader verzoekt in principaal hoger beroep de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met uitzondering van de verdeling van de kerstvakantie.
De vader verzoekt in incidenteel hoger beroep, met vernietiging van de bestreden beschikking in zoverre, opnieuw rechtdoende te bepalen dat de reguliere zorgregeling tijdens de kerstvakantie doorloopt.
De moeder verzoekt in incidenteel hoger beroep het verzoek van de vader af te wijzen.
5 De motivering van de beslissing
Het wettelijk kader
De ouders hebben samen het gezag. Uit artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan – voor zover hier van belang – omvatten: a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
De standpunten
De moeder vindt in principaal hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte meer gewicht heeft toegekend aan de wens van de vader om het vrijdagmiddaggebed in zijn eigen moskee te kunnen bijwonen dan het belang van de kinderen bij continuïteit. Sinds de beschikking houdende voorlopige voorzieningen van 18 april 2023 haalde de vader de kinderen iedere vrijdagmiddag op. Hieraan zijn de kinderen gewend geraakt. Ook is de huidige ophaaltijd op vrijdag om 19.00 uur niet in het belang van de kinderen. Zij zitten de hele vrijdagmiddag te wachten en vallen vaak in slaap op de bank voordat zij worden opgehaald of in de auto onderweg naar de vader. Bovendien kan de vader in de winter nog steeds naar het vrijdagmiddaggebed in een moskee in de buurt van de school van de kinderen, omdat het gebed dan altijd om 12.30 uur begint.
Bovendien kan van de vader worden verwacht dat hij als ZZP’er zijn werktijden zo organiseert dat deze te combineren zijn met zijn zorgtaken voor de kinderen. Ook kan van de vader worden verwacht dat hij zijn ‘probleem’ zelf oplost. Bijvoorbeeld door de school te vragen of de kinderen een paar minuten op het schoolplein kunnen spelen, zijn netwerk in te zetten of BSO te regelen. De rest van de week draagt de moeder al de volledige zorg voor de kinderen, naast de volledige financiële last voor de kinderen.
Doordat de moeder het grootste deel van de zorg voor de kinderen draagt is het voor haar moeilijk om een eigen leven op te bouwen. De gemeente heeft er nu bij haar op aangedrongen om een baan te zoeken in verband met haar uitkering op grond van de Participatiewet.
De vader heeft bovendien geen alternatieven aangeboden. De moeder staat er wel voor open maar geeft er niet de voorkeur aan als de kinderen tot maandag naar school bij de vader zouden verblijven, omdat dit een onrustig begin van de schoolweek zou zijn.
De moeder maakte eerder geen punt van de verdeling van de vakanties en het halen en brengen omdat zij ervan uitging dat de vader de kinderen op vrijdag zou ophalen uit school. Nu dat niet het geval is vindt zij dat de vader de kinderen meer zou moeten zien in de vakanties en hen meer moet halen en brengen.
De vader vindt in principaal hoger beroep dat de verzoeken van de moeder moeten worden afgewezen. Het wisselmoment op vrijdag om 19.00 uur schaadt de belangen van de kinderen niet. De ouders waren na de beschikking inzake de voorlopige voorzieningen op 18 april 2023 al overeengekomen dat de vader de kinderen de ene week ophaalt van school en de andere week bij de moeder ophaalt na het vrijdagmiddaggebed. De kinderen waren dus al grotendeels gewend aan de regeling zoals de rechtbank die heeft bepaald. Bovendien is het verrichten van het vrijdagmiddaggebed in zijn eigen moskee van groot belang voor de vader. Het gebed in de winter in een moskee in de buurt van de school van de kinderen bijwonen volstaat dan ook niet. Het idee van de moeder dat de kinderen op het schoolplein kunnen spelen tot de vader ze ophaalt is niet praktisch uitvoerbaar en niet in het belang van de kinderen. De vader heeft geprobeerd om BSO te regelen maar dat is niet gelukt omdat hijzelf in [plaats B] staat ingeschreven en de kinderen in [plaats A] . Het is de vader bovendien onduidelijk waarom de moeder alleen op vrijdagmiddag privé-afspraken kan plannen aangezien zij niet werkt en beide kinderen naar school gaan.
Het wisselmoment op vrijdag om 19.00 uur stelt de vader in de gelegenheid om vrijdagmiddag te werken waardoor hij wat extra inkomsten kan verwerven die hij kan gebruiken ten behoeve van de kinderen. De vader loopt al genoeg inkomsten mis doordat hij in de weekenden niet kan werken. Daarom verzoekt hij ook om de verzoeken van de moeder ten aanzien van het gelijk verdelen van de herfst- en de meivakantie af te wijzen. Hij wil de kinderen in die vakanties in de weekenden zien omdat de kinderen in het weekend bij de vader naar zwemles en de moskee gaan. Bovendien zou hij door ook doordeweeks voor hen te moeten zorgen te veel inkomsten mislopen.
Tot slot vindt de vader het belangrijk dat de kinderen ook zien dat de moeder hen weleens naar de vader brengt. Het is dan ook redelijk als de moeder om de week de kinderen naar de vader brengt.
De vader vindt in incidenteel hoger beroep dat niet van hem kan worden verwacht dat hij de helft van de kerstvakantie de kinderen bij zich heeft. Het is niet de bedoeling geweest van de wetgever om de vakanties tussen de ouders gelijk te verdelen, zo blijkt uit Tekst & Commentaar bij artikel 1:247 BW. Tot de bestreden beschikking liep de reguliere zorgregeling door tijdens de kerstvakanties. De kinderen zijn gewend om de vader in de weekenden te zien en dat loopt door tijdens de vakanties. Daardoor zien zij hun vader wel tijdens de vakanties. Het is in het belang van de kinderen dat de gang van zaken ook tijdens de kerstvakantie doorloopt zoals zij gewend zijn. Daarnaast is het in het belang van de vader en de kinderen dat de vader tijdens de kerstvakantie kan doorwerken. Feestdagen, weekenden en bijzondere evenementen zijn namelijk financieel belangrijke dagen om als taxichauffeur te werken. Door tijdens de kerstvakantie door te werken kan de vader de misgelopen inkomsten in de weekenden compenseren.
De moeder vindt dat het verzoek van de vader in incidenteel hoger beroep moet worden afgewezen. Zij vindt dat de vader als zelfstandig ondernemer juist meer dan mensen in loondienst een aanzienlijke mate van vrijheid heeft om zijn werkzaamheden en werktijden zelf in te delen. Het ligt dan ook op zijn weg om zijn werk zodanig te organiseren dat hij invulling kan geven aan een gelijkwaardige zorgverdeling, ook tijdens vakanties. Als de vader echt moet werken, ligt de verantwoordelijkheid bij hem om voor passende opvang van de kinderen te zorgen. Hij woont bij zijn moeder, die zou de kinderen voor hem kunnen opvangen.
De moeder betwist dat de kerstvakantie een drukkere periode is in de taxibranche. Voor zover er sprake zou zijn van piekmomenten, zijn die er ook op andere momenten in het jaar. Dit weerhoudt de vader er niet van om dan wel voor de kinderen te zorgen. Bovendien zorgt de moeder financieel voor de kinderen, dus de kinderen hebben geen belang bij een hoger inkomen van de vader.
Het is in het belang van de kinderen dat zij met beide ouders substantieel tijd doorbrengen tijdens vakanties omdat dat juist momenten zijn waarin ruimte is voor ontspanning en het versterken van de ouder-kindrelatie.
De moeder vindt dat de vader tegenstrijdig handelt en haar lijkt te willen tegenwerken. Hij geeft haar namelijk geen toestemming om met de kinderen naar haar familie in [plaats C] te verhuizen. Terwijl hij haar zo min mogelijk wil ondersteunen in de zorg voor de kinderen. Partijen hebben samen gekozen voor kinderen, het ouderschap is geen kwestie van cherrypicking, aldus de moeder.
Het advies van de raad
De raad heeft zich ter zitting in hoger beroep onthouden van het geven van een advies omdat de verzoeken van de ouders dichtbij elkaar liggen en daarin beiden tegemoetkomen aan de belangen van de kinderen. In deze procedure staan de belangen van de ouders tegenover elkaar. Daar kunnen zij alleen uitkomen door de ander wat te gunnen en zelf wat water bij de wijn te doen. Dat dat de ouders niet lukt baart de raad zorgen omdat het voeren van procedures niet in het belang van de kinderen is door de spanningen die dat geeft. De raad heeft de hoop uitgesproken dat bij een volgend moment waarop een wijziging in de zorgregeling nodig is partijen daar zelf uitkomen en daar anders hulp bij vragen vanuit hun netwerk of door middel van hulpverlening via de gemeente.
De beoordeling door het hof
De ouders leven sinds augustus 2022 gescheiden, getuige hun BRP-uittreksels. De kinderen zijn bij de moeder in [plaats A] blijven wonen. Sinds de beschikking inzake de voorlopige voorzieningen van 18 april 2023 zijn de ouders en de kinderen gewend geraakt aan de zorgregeling zoals zij die nadien zijn overeengekomen, waarbij de kinderen ieder weekend bij de vader verblijven van vrijdag tot zondag. De ene week kwam de vader de kinderen voor het vrijdagmiddaggebed ophalen en de andere week daarna.
Het hof begrijpt de standpunten van beide ouders, waarbij de vader het belangrijk vindt om op vrijdagmiddag naar het gebed in de moskee te gaan en de moeder behoefte heeft aan eigen tijd om haar eigen leven op te bouwen na de scheiding, naast de intensieve zorg die zij doordeweeks helemaal alleen draagt voor de kinderen, in een omgeving waarin zij geen vangnet heeft. Daarom ziet het hof aanleiding om aan te sluiten bij de regeling zoals partijen die in onderling overleg in 2023 zijn overeengekomen en waaraan zij tot aan de bestreden beschikking uitvoering gaven, waarbij de kinderen de ene week voor het vrijdagmiddaggebed door de vader worden opgehaald en de andere week daarna. Het hof is van oordeel dat het belang van de kinderen zich ertegen verzet om op maandagochtend door de vader naar school te worden gebracht. Dat zou een onrustig begin van de week voor hen betekenen. Door de kinderen om de week op vrijdagmiddag van school te halen, kan de vader op een informeel moment contact met de docenten van de kinderen en de ouders van vriendjes en vriendinnetjes van de kinderen uit hun klas hebben, Dat acht het hof in het belang van de kinderen. Daarnaast maakt deze regeling dat de kinderen op vrijdagen niet laat worden opgehaald waardoor zij niet na een lange schoolweek al in slaap vallen thuis op de bank of in de auto. Ook heeft de moeder hierdoor meer eigen tijd terwijl tegelijkertijd tegemoet wordt gekomen aan de wens van de vader om zo vaak mogelijk bij het vrijdagmiddaggebed te zijn. Daarbij overweegt het hof, in overeenstemming met het standpunt van de moeder, dat dit van de vader mag worden verwacht omdat partijen samen hebben gekozen voor kinderen en samen de verantwoordelijkheid delen om hen op te voeden en te laten opgroeien. Daarbij constateert het hof wel dat het zwaartepunt van de zorg voor de kinderen door de weeks onverminderd bij de moeder ligt.
Ten aanzien van het halen en brengen, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen. Het is in het belang van de kinderen dat zij de moeder ook bij de vader thuis zien. De moeder weet op die manier ook waar zij verblijven wanneer zij bij de vader zijn.
Ten aanzien van de verdeling van de vakanties, begrijpt het hof dat de kerstvakantie een grote inkomstenbron kan zijn voor de vader als taxichauffeur. Het hof zal daarom op verzoek van de vader de reguliere zorgregeling laten doorlopen in de kerstvakanties. Ten aanzien van de mei- en herfstvakantie heeft de vader zich eveneens op het standpunt gesteld dat hij dan inkomen misloopt, van piekinkomsten zoals tijdens de kerstvakantie is echter niet gebleken. Bovendien geldt ook ten aanzien van de vakanties dat van de vader wordt verwacht dat hij zijn verantwoordelijkheid als ouder van de kinderen neemt. Ook betekent vakantie een andere setting waarin de kinderen hun vader leren kennen en zal het de moeder ontlasten. Het hof zal het verzoek van de moeder ten aanzien van de mei- en herfstvakantie toewijzen. De misgelopen zwemlessen en moskeebezoeken in de gemiste vakantieweekenden bij de vader, zijn met een verdeling van de mei- en herfstvakantie bij helfte betrekkelijk gering.
Dit alles leidt tot de volgende beslissing.
6 De beslissing
Het hof:
vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 9 oktober 2025, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en daarbij is beslist over de aanvangstijd van de omgang op vrijdag en de verdeling van de mei-, herfst- en kerstvakantie;
bepaalt inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, van 18 april 2023:
- dat de vader de kinderen in de oneven weken vrijdag voor aanvang van het vrijdagmiddaggebed ophaalt en in de even weken direct na afloop daarvan;
- dat de kinderen in de mei- en de herfstvakantie in de even jaren de eerste helft van de vakantie bij de moeder verblijven en de tweede helft van de vakantie bij de vader, in de oneven jaren wordt dit omgedraaid;
- tijdens de kerstvakantie loopt de reguliere zorgregeling door;
bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. P.F.E Geerlings, mr. J.M.C. Louwinger-Rijk en mr. S. van Gestel, in tegenwoordigheid van mr. W.J. Boon als griffier en is op 20 oktober 2026 in het openbaar uitgesproken door de voorzitter.