Materieel strafrecht
afpersing terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen, bevestiging vonnis EA muv de duur van…
Gerechtshof Amsterdam, 18 juni 2026
ECLI:NL:GHAMS:2026:1637 · Gerechtshof Amsterdam · 18 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/materieel-strafrecht/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1637
Zaakgegevens
Op 18 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over materieel strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 18 juni 2026
- Datum publicatie
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- 23-001421-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Materieel strafrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1637
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
afpersing terwijl het feit gepleegd wordt door twee of meer personen, bevestiging vonnis EA muv de duur van de proeftijd en beslissing op vordering tenuitvoerlegging.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001421-25
datum uitspraak: 18 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 5 juni 2025 in gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-319417-24 (zaak A) en 15-272835-24 (zaak B) , alsmede 13-225978-24 (TUL) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 2005,
adres: [adres] .
Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Noord-Holland vrijgesproken van wat hem in zaak B is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dus ook gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op het artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissing geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte dus niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak voor zaak B.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 4 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Namens de verdachte is hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en wat de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - en zal dit dus bevestigen, behalve ten aanzien van
- de duur van de opgelegde proeftijd; gelet op het feit dat in eerste aanleg de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14c, zesde lid van het Wetboek van Strafrecht (verder: Sr) uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn verklaard, zal de proeftijd op 1 jaar worden vastgesteld, en
- de beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging.
In zoverre zal het vonnis worden vernietigd. Daarnaast houdt het hof rekening met het bepaalde in artikel 63 Sr en vult de toepasselijke wettelijke voorschriften daarmee aan.
Vordering tenuitvoerlegging
Het openbaar ministerie heeft gevorderd de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van Noord-Holland van 22 juli 2024 met parketnummer 13.225978.24 opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand. Deze vordering is in hoger beroep opnieuw aan de orde.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal gevorderd de proeftijd met een periode van 1 jaar te verlengen.
De raadsman heeft ter terechtzitting primair verzocht de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, subsidiair de proeftijd te verlengen.
Verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig gemaakt. Daarom kan de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast.
Het hof ziet, op grond van hetgeen over de veroordeelde bij het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, aanleiding om in plaats van een last tot tenuitvoerlegging van deze vrijheidsstraf, een taakstraf van hierna te melden duur te gelasten.
In wat de raadsman heeft betoogd, ziet het hof geen aanleiding de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen dan wel de proeftijd te verlengen.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 15-272835-24 tenlastegelegde.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep in de zaak met parketnummer 15-319417-24 ten aanzien van de proeftijd die aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf is verbonden en doet in zoverre opnieuw recht.
Verbindt aan het voorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf een proeftijd, die wordt gesteld op 1 jaar.
Gelast in plaats van het bevelen van de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van Noord-Holland van met parketnummer 13-225978-24, voorwaardelijk opgelegde, een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, bij gebreke van het naar behoren verrichten te vervangen door 1 (één) maand hechtenis.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.J. van Eekeren, mr. H.A. van Eijk en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 18 juni 2026.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]