Strafrecht overig
Ontneming. Geen vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn, daarmee is al…
Gerechtshof Amsterdam, 26 januari 2023
ECLI:NL:GHAMS:2023:151 · Gerechtshof Amsterdam · 26 januari 2023
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2023-151
Zaakgegevens
Op 26 januari 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 januari 2023
- Datum publicatie
- 27 januari 2023
- Zaaknummer
- 23-003687-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2023:151
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Ontneming. Geen vermindering betalingsverplichting wegens overschrijding redelijke termijn, daarmee is al rekening gehouden in de strafzaak.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003687-18
datum uitspraak: 26 januari 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 19 oktober 2018 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 15-870957-14 tegen de betrokkene
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1967,
adres: [adres01] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.125,50.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 29 december 2022 in de strafzaak -kort gezegd- veroordeeld ter zake van
feit 1: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 2: medeplegen van in de uitoefening van een beroep/bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;
feit 3: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
feit 4: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
De rechtbank Noord-Holland heeft de betrokkene bij vonnis van 19 oktober 2018 de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.125,50 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 15 december 2022 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Grondslag van de ontneming
De betrokkene is, voor zover voor de ontnemingsprocedure van belang, in de hiervoor genoemde strafzaak veroordeeld voor strafbare feiten in de periode 1 augustus 2013 tot en met 15 juni 2014 (feiten 1 en 2).
In het Rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel (hierna: ontnemingsrapport) is het voordeel berekend over de periode 26 april 2013 tot 5 juni 2014. De eerste bijschrijving die in de berekening is meegenomen is van 25 juli 2013.
Uit het dossier volgt dat de betrokkene samen met [medeverdachte01] gedurende langere tijd medicijnen verkocht . Op de rekening met IBAN rekeningnummer [rekeningnummer01] ten name van [medeverdachte01] eo [naam01] (€ 72.314,34) en de rekening met IBAN rekeningnummer [rekeningnummer02] ten name van [medeverdachte01] (€ 1.088,50) zijn bijschrijvingen aangetroffen in de periode 25 juli 2013 tot en met 5 juni 2014 die het hof op basis van het dossier in verband brengt met de verkoop van medicijnen.
Gelet op het voorgaande bestaan er voldoende aanwijzingen dat de betrokkene baten heeft verkregen uit andere strafbare feiten dan die door de rechtbank zijn bewezen. Het hof baseert de ontnemingsvordering gelet op het voorgaande op artikel 36e, eerste en tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Het verweer van de verdediging, dat slechts de periode van de bewezenverklaring van de strafbare feiten als uitgangspunt kan worden genomen, wordt verworpen.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in navolging van zijn schriftelijke conclusie van 28 november 2022, gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene, conform de beslissing in eerste aanleg, wordt geschat op een bedrag van EUR 10.125,50.
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de betrokkene heeft zich wat betreft de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel aangesloten bij de conclusie van de advocaat-generaal.
Oordeel van het hof
In hoger beroep heeft de verdediging geen argumenten aangedragen die afdoen aan de berekening in het ontnemingsrapport. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel werd gekozen voor een eenvoudige berekening gebaseerd op bankafschriften en een contante transactie pseudokoop (€ 250,00). Het totaal bedrag aan omzet is op basis daarvan vastgesteld op € 73.652,84.
De verkoopprijs per doosje medicijnen is gesteld op € 40,-. Op basis van de laagst gebleken inkoopprijs (€ 14,50) en de hoogst gebleken inkoopprijs (€ 19,-) en rekening houdend met bemiddelingskosten van [naam02] (€ 10,-) werd de winst per doosje onder de minst gunstigste omstandigheden vastgesteld op € 11,-. Het bedrag van de omzet van € 73.652,84 gedeeld door € 40,- winst levert op 1.841 eenheden/doosjes medicijnen. Dit aantal vermenigvuldigd met € 11,- levert een totale winst op van € 20.251,- waarvan de helft is toegerekend aan de betrokkene.
Het hof bepaalt het geschatte bedrag aan door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel in overeenstemming hiermee op € 10.125,50.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Standpunt van advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep, in navolging van zijn schriftelijke conclusie van 28 november 2022, aangevoerd dat bij het vaststellen van de betalingsverplichting rekening gehouden moet worden met overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Het hoger beroep tegen het ontnemingsvonnis is ingesteld op 22 oktober 2018 terwijl de inhoudelijke zitting in deze zaak heeft plaatsgevonden op 15 december 2022 waarmee de redelijke termijn met ruim twee jaar is overschreden. De advocaat-generaal stelt dat de vordering moet worden verminderd met € 5.000,- en heeft gevorderd dat de betalingsverplichting wordt gesteld op € 5.125,50.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich in hoger beroep aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal om op de vordering € 5.000,- in mindering te brengen vanwege overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Oordeel van het hof
Met de advocaat-generaal en de verdediging is het hof van oordeel dat de redelijke termijn bij de behandeling van het hoger beroep (twee jaar) is overschreden met ruim twee jaar. Deze overschrijding leidt echter niet tot vermindering van de betalingsverplichting in de ontnemingszaak. Het hof heeft bij arrest van 29 december 2022 immers in de strafzaak al rekening gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in die zaak (zowel in eerste aanleg als in hoger beroep). Bij deze stand van zaken zal het hof dan ook geen matiging toepassen op de betalingsverplichting.
Aan de betrokkene wordt, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.125,50.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 10.125,50 (tienduizend honderdvijfentwintig euro en vijftig cent) .
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.125,50 (tienduizend honderdvijfentwintig euro en vijftig cent) .
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 202 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P. Greve en mr. S.M.M. Bordenga, in tegenwoordigheid van
mr. T. Weij, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 januari 2023.
Mr. Bordenga is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.