Strafrecht overig

Profijtontneming. Drugsbestellijn.

Zaakgegevens

Op 26 oktober 2023 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
26 oktober 2023
Datum publicatie
26 oktober 2023
Zaaknummer
23-002945-21
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2023:2543
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. Drugsbestellijn.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002945-21

datum uitspraak: 26 oktober 2023

TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)

Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 10-660293-16 tegen de betrokkene

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ([geboorteland]) op [geboortedag] 1975,

adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft bij inleidende vordering gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 55.968,06.

De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019 veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 april 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 16.450,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag € 15.627,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2023 veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van

12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Het standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op € 16.450,00.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft het hof primair verzocht de ontnemingsvordering af te wijzen in verband met de door hem in de strafzaak bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsman betwist dat de betrokkene enig voordeel heeft genoten. Meer subsidiair heeft de raadsman zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene geen mede-eigenaar of mede-exploitant van de drugslijn was, waardoor hem geen evenredig aandeel van de resultaten zou zijn toegevallen. Wel is de rechtbank ten onrechte ervan uitgegaan dat de betrokkene gedurende 329 dagen een voordeel van € 50,00 per dag zou hebben ontvangen. In de strafzaak is immers vastgesteld dat de lijn per toerbeurt werd gedraaid. Daarom dient er gelet op het aantal medeverdachten rekening mee te worden gehouden dat slechts om de zoveel dagen een shift werd gedraaid en dat de betrokkene dus niet iedere dag geld heeft verdiend.

De grondslag

Het hof heeft in de strafzaak de betrokkene veroordeeld voor kort gezegd het frequent afleveren van harddrugs in de periode van 1 juli 2015 tot en met 25 mei 2016. Op grond van deze veroordeling kan aan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde.

De berekening

Gelet op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e, 1e lid Sr ten aanzien van [verdachte] (hierna: Ontnemingsrapportage) gaat het hof ervan uit dat per dag (afgerond) 108 eenheden cocaïne/heroïne werden verkocht. Het hof gaat uit van drie diensten per dag en dus van een verkoop van 36 eenheden per dienst. De verkoopprijs per eenheid cocaïne/heroïne bedraagt € 10,00.

De bruto opbrengst per dienst bedraagt:

36 x € 10,00 = € 360,00

Kosten cocaïne per dag

Inkoopprijs € 290,34

Versnijdingsmiddel € 0,02

Verpakkingskosten € 3,62

Brandstofkosten € 25,13

Telefoonkosten € 10,00

Huurkosten € 16,52

Totaal € 345,63

Kosten heroïne per dag

Inkoopprijs € 106,86

Versnijdingsmiddel € 0,10

Verpakkingskosten € 1,78

Brandstofkosten € 12,38

Telefoonkosten € 10,00

Huurkosten € 8,14

Totaal € 139,26

Totaalkosten per dag

€ 345,63 + € 139,26 = € 484,89

Totaal kosten per dienst

€ 484,89 : 3 = € 161,63

De kosten bedragen per dienst (afgerond) € 161,00

De netto winst per dienst bedraagt:

€ 360,00 - € 161,00 = € 199,00

Gelet op het feit dat niet is gebleken dat de betrokkene mede-eigenaar was van de drugslijn acht het hof het niet aannemelijk dat de gehele netto winst per dienst aan de betrokkene toekwam. Aannemelijk is dat hij een percentage van de winst per dienst kreeg. Het hof schat dit percentage op 20%. Dat is afgerond (0,20 x € 199,00=) € 40,00 per dienst.

De bewezenverklaarde periode van 1 juli 2015 tot en met 25 mei 2016 behelst (naar beneden afgerond) 47 weken. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat de betrokkene drie à vier dagen per week drugs verkocht en zal voor de berekening (in het voordeel van de betrokkene) uitgaan van 3,5 dagen per week.

Het voordeel per week bedraagt:

€ 40,00 x 3,5 = € 140,00

Het voordeel over de bewezenverklaarde periode bedraagt:

€ 140,00 x 47 = € 6.580,00

Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 6.580,00.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de betalingsverplichting zal worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de staat van € 14.804,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

De raadsman heeft het hof verzocht de betalingsverplichting gelet op het ontbreken van draagkracht op nihil te stellen. De financiële situatie van de betrokkene is al twintig jaar onveranderd. Hij heeft MS en hij is volledig arbeidsongeschikt. Gelet op het feit dat er op dit moment nog geen genezing mogelijk is van MS en het alleen maar slechter lijkt te worden, is het aanstonds duidelijk dat de betrokkene op dit moment en in de toekomst geen draagkracht heeft en zal hebben. In geval van oplegging van een betalingsverplichting heeft de raadsman het hof verzocht rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn.

Het hof overweegt als volgt.

De draagkracht komt in beginsel pas in de executiefase aan de orde. In de ontnemingsprocedure kan de draagkracht alleen met vrucht aan de orde worden gesteld indien duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben om het te betalen bedrag te voldoen. Gelet op het feit dat de raadsman zijn stelling niet heeft onderbouwd, is op dit moment niet aanstonds duidelijk dat de veroordeelde thans en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben.

Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn bij behandeling van deze zaak in eerste aanleg en in hoger beroep is overschreden. Aangezien het hof de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de in hoger beroep gelijktijdig behandelde strafzaak heeft verdisconteerd, zal het hof in deze ontnemingszaak volstaan met de constatering dat een overschrijding heeft plaatsgevonden.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.580,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 6.580,00 (zesduizend vijfhonderdtachtig euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 6.580,00 (zesduizend vijfhonderdtachtig euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 131 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. B.E. Dijkers en mr. M.R. Paardekooper, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2023.

Ontnemingsrapportage pag. 5. Ontnemingsrapportage pag. 5. Ontnemingsrapportage pag. 6-7. Ontnemingsrapportage pag. 8-9.