Strafrecht overig

Jeugd. Veroordeling voor medeplegen poging doodslag en poging zware mishandeling, en openlijke geweldpleging…

Zaakgegevens

Op 23 januari 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
23 januari 2025
Datum publicatie
27 januari 2025
Zaaknummer
23-001466-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2025:166
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Jeugd. Veroordeling voor medeplegen poging doodslag en poging zware mishandeling, en openlijke geweldpleging. Bevestiging met uitzondering van de straf en met dien verstande dat het hof het vonnis ten aanzien van de bewijsmiddelen op enkele punten aanpast. Oplegging van 105 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met bijzondere voorwaarden, en een werkstraf van 50 uren.

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 18 juni 2024

    ECLI:NL:RBAMS:2024:3602
  2. Gerechtshof Amsterdam · 23 januari 2025deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2025:166

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-001466-24

datum uitspraak: 23 januari 2025

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 juni 2024 in de strafzaak onder parketnummer 13-123718-23 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008,

[adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 9 januari 2025 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen behalve ten aanzien van de opgelegde jeugddetentie en werkstraf wegens een kennelijke misslag in het dictum ten aanzien van het aantal dagen opgelegde jeugddetentie, andere op te leggen bijzondere voorwaarden en het feit dat het onder 2 bewezenverklaarde in de strafmotivering niet is genoemd – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:

- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde in de uitwerking van het eerste bewijsmiddel in de aanvulling verkort vonnis, te weten het proces-verbaal van bevindingen ‘uitwerking video mishandeling [station]’ van 7 mei 2023, de volgende passages schrapt, omdat die niet terug te vinden zijn in het bewijsmiddel:

‘Beschrijving: NN1, NN2 en NN3’, ‘Foto 20: Slachtoffer staat op.’ en ‘(foto 24: slachtoffer op het spoor)’;

- ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde het vierde bewijsmiddel in de aanvulling verkort vonnis, te weten het proces-verbaal van bevindingen van 7 mei 2023, schrapt;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde aan de uitwerking van het eerste bewijsmiddel in de aanvulling verkort vonnis, te weten het proces-verbaal van bevindingen van 9 mei 2023, de volgende passage uit het voornoemde proces-verbaal op pagina Z2 07 van het dossier toevoegt:

‘Op 5 mei (het hof begrijpt: 2023) heeft er een openlijke geweldpleging plaatsgevonden te Amsterdam. De advocaat van verdachte [medeverdachte] heeft twee videobestanden aangeleverd waarop deze openlijke geweldpleging te zien is’;

- ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde constateert dat het tweede bewijsmiddel van dat feit ten onrechte genummerd is als bewijsmiddel 8.

Oplegging van straffen

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 primair en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 105 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en bijzondere voorwaarden, en een werkstraf voor de duur van 50 uren, te vervangen door 25 dagen jeugddetentie. Als bijzondere voorwaarden heeft de rechtbank opgelegd het hebben van een positieve dagbesteding, het meewerken aan begeleid wonen, het meewerken aan behandeling bij [ggz] en het opvolgen van adviezen van zijn behandelaar in het kader van zijn ADHD, het meewerken aan hulpverlening en een contactverbod met de medeverdachten.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte voor het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal veroordelen tot dezelfde straf als door de rechtbank opgelegd, maar aan het voorwaardelijk deel van de jeugddetentie andere bijzondere voorwaarden zal verbinden. Zij heeft gevorderd als bijzondere voorwaarden op te leggen het naar school gaan, het meewerken aan begeleiding van [hulpverlening], het hebben van een vrijetijdsbesteding, het meewerken aan begeleid wonen bij [zorginstelling], een avondklok van 19.00 uur tot 07.00 uur voor de duur van 3 maanden en het meewerken aan hulpverlening of behandeling in het kader van zijn ADHD.

De raadsman heeft verzocht een geheel voorwaardelijke werkstraf en een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen. Hij heeft verzocht aan de voorwaardelijke werkstraf dezelfde bijzondere voorwaarden te verbinden zoals door de rechtbank opgelegd, met toevoeging van het meewerken aan begeleiding van [hulpverlening] en met uitzondering van het meewerken aan behandeling bij [ggz] en het contactverbod. Daarnaast heeft de raadsman verzocht geen avondklok en verplichting tot het innemen van ADHD-medicatie als bijzondere voorwaarden op te leggen.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag en een poging tot zware mishandeling van een onbekend gebleven slachtoffer. Op een station heeft een geweldsexplosie plaatsgevonden waarbij een grote groep, waar de verdachte onderdeel van uitmaakte, het slachtoffer in elkaar heeft geslagen en getrapt. Vervolgens heeft de verdachte samen met een medeverdachte het slachtoffer op het metrospoor geduwd. Daarnaast had de verdachte zich eerder die avond al schuldig gemaakt aan een openlijke geweldpleging door een ander slachtoffer in elkaar te slaan en te trappen. De verdachte heeft met zijn handelen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van beide slachtoffers. Dergelijke feiten hebben doorgaans een grote impact op slachtoffers en tast hun gevoel van veiligheid en dat van de omstanders aan. Het geweld op het station heeft ook in de samenleving bestaande gevoelens van onveiligheid versterkt, omdat een filmpje van dit geweld via sociale media is verspreid en er veel media-aandacht was voor dit voorval. Het hof rekent de verdachte zijn gedrag zwaar aan. Gelet op de ernst van deze feiten acht het hof daarom enkel een deels voorwaardelijke jeugddetentie en een werkstraf, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, op zijn plaats. Bovendien acht het hof het noodzakelijk dat de verdachte een stevige stok achter de deur in de vorm van een jeugddetentie heeft, opdat hij niet wederom dergelijke feiten zal plegen en zich aan de hierna te noemen bijzondere voorwaarden zal houden.

Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 30 december 2024 is hij niet eerder voor soortgelijke feiten strafrechtelijk veroordeeld. Het hof constateert dat artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing is, omdat de verdachte na de bewezenverklaarde feiten is veroordeeld tot een werkstraf.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof verder acht geslagen op de rapportages die zich reeds in eerste aanleg in het dossier bevonden, het advies van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 24 september 2024 dat in het kader van een andere strafzaak is opgemaakt, de evaluatie van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de jeugdreclassering) van 28 oktober 2024 en hetgeen de deskundigen ter terechtzitting in hoger beroep naar voren hebben gebracht.

De begeleider van de verdachte vanuit [hulpverlening] heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de verdachte zich goed hield aan de voorwaarden die waren verbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis in de onderhavige zaak. De verdachte heeft de behandeling bij [ggz] positief afgesloten, ging naar school en hield zich aan zijn avondklok. Toen deze voorwaarden afgelopen zomer wegvielen, was er geen stok achter de deur meer en hield hij zich niet meer aan deze voorwaarden. De verdachte gaat momenteel niet naar school, heeft geen dagbesteding en is niet komen opdagen bij de voetbaltrainingen waaraan hij mocht deelnemen. De verdachte heeft baat bij de structuur die de bijzondere voorwaarden hem boden. De begeleider acht het van belang dat de verdachte weer naar school gaat. Werken past op dit moment niet bij de verdachte. De begeleider is ook voorstander van begeleid wonen. De verdachte wordt dan immers intensiever begeleid dan in het geval van ambulante begeleiding. Er is inmiddels zicht op een plek bij de kleinschalige voorziening [zorginstelling].

De jeugdreclassering heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep hierbij aangesloten. Bij de verdachte ontbreken vaardigheden, die de jeugdreclassering hem wil aanleren vanuit een stabiele omgeving. Om een positieve samenwerking van de grond te krijgen, zijn verplichte kaders noodzakelijk.

Ook de Raad heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep aangesloten bij het beeld en de conclusies die de begeleider vanuit [hulpverlening] schetst. De Raad maakt zich zorgen, omdat duidelijk te zien is dat het beter ging met de verdachte toen de bijzondere voorwaarden golden. Daarom adviseert de Raad als bijzondere voorwaarden op te leggen het naar school en eventueel naar stage gaan volgens het rooster, het meewerken aan begeleiding vanuit [hulpverlening], het meewerken aan het vinden van een zinvolle dagbesteding, het meewerken aan begeleid wonen bij [zorginstelling] of een vergelijkbare instelling, het meewerken aan hulpverlening in het kader van zijn ADHD en eventueel innemen van ADHD-medicatie en een contactverbod met de medeverdachten. Ook adviseert de Raad een avondklok tussen 19.00 uur en 07.00 uur voor de duur van drie maanden op te leggen. In het verleden heeft een avondklok goed gewerkt. Als de geadviseerde bijzondere voorwaarden worden opgelegd, moeten meerdere trajecten worden opgezet. Drie maanden is daarvoor naar de inschatting van de Raad voldoende.

Het hof acht, alles afwegende, een deels voorwaardelijke jeugddetentie met de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarden en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden. Het hof is met de Raad van oordeel dat een avondklok voor de eerste periode van het toezicht geraden lijkt. In het verleden is gebleken dat een avondklok goed werkte voor de verdachte. Er zullen verschillende trajecten moeten worden opgezet en het is van belang dat de verdachte in die periode aan zo weinig mogelijk prikkels van buitenaf wordt blootgesteld. Het hof acht een avondklok voor de duur van drie maanden daarvoor voldoende. Het hof zal geen verplichting tot het innemen van ADHD-medicatie opleggen. Wel zal het hof als bijzondere voorwaarde opnemen dat de verdachte dient mee te werken aan behandeling in het kader van zijn ADHD.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 287 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de opgelegde jeugddetentie en werkstraf en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 50 (vijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 25 (vijfentwintig) dagen jeugddetentie.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 105 (honderdvijf) dagen.

Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 60 (zestig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dat noodzakelijk acht daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de verdachte:

- zal meewerken aan het vinden van een school en naar school of stage zal gaan volgens het rooster;

- zal meewerken aan het vinden en behouden van een positieve vrijetijdsbesteding;

- zal mee blijven werken aan de hulpverlening vanuit [hulpverlening] of een soortgelijke instelling;

- zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [zorginstelling] of een soortgelijke instelling, en zal meewerken aan de begeleiding, de afspraken en de regels die daar gelden;

- zich zal houden aan een avondklok, inhoudende dat de verdachte van 19.00 uur tot 07.00 uur zich zal bevinden in de ouderlijke woning, voor de duur van drie maanden vanaf het ingaan van de proeftijd;

- zal meewerken aan behandeling in het kader van zijn ADHD.

Geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.F.E. Geerlings, mr. N.R.A. Meerbeek en mr. M.K. Durdu-Agema, in tegenwoordigheid van mr. I.A. de Bruijne, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 23 januari 2025.

De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

[…]