Strafrecht overig
26Coalcity. Veroordeling gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, voor…
ECLI:NL:GHAMS:2025:365 · Gerechtshof Amsterdam · 10 januari 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2025-365
Zaakgegevens
Op 10 januari 2025 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 10 januari 2025
- Datum publicatie
- 12 februari 2025
- Zaaknummer
- 23-001943-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2025:365
Samenvatting
26Coalcity. Veroordeling gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, voor medeplichtigheid aan het invoeren van drugs en het deelnemen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van zulke misdrijven.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-001943-22
datum uitspraak: 10 januari 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 8 juli 2022 in de strafzaak onder parketnummer 13-997013-19 tegen
[verdachte] ,
geboren te [plaatsnaam 2] op [geboortedatum] ,
adres: [adres verdachte] .
1 Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 21 november, 22 november, 26 november, 27 november en 8 januari 2025 en, op grond van artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsvrouw naar voren hebben gebracht.
2 Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep
De verdachte is door rechtbank Amsterdam vrijgesproken van hetgeen hem onder 3 primair en subsidiair is ten laste gelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is daardoor mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Tegen een beslissing tot vrijspraak staat voor een verdachte geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen deze beslissing tot vrijspraak. Dat zelfde geldt voor hetgeen de verdachte onder 5, derde gedachtestreepje, (cumulatief) is ten laste gelegde.
3 Tenlastelegging
Gelet op de in eerste aanleg door de rechtbank en in hoger beroep door het gerechtshof toegelaten wijzigingen, en voor zover inhoudelijk in hoger beroep aan de orde, is aan de verdachte tenlastegelegd dat:
1. ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
-
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
-
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
-
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
-
artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
-
artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten;
2. ( ZD 11)
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en een of meer andere personen en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
-
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het verkopen, afleveren, verstrekken en vervoeren van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
-
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
-
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van (verdovende) middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a lid 5 van de Opiumwet;
-
artikel 420 bis/ter/quater van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen, dan wel schuld witwassen van voorwerpen, waaronder geldbedragen en voertuigen;
-
artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht, te weten valsheid in geschriften, waaronder bankafschriften en contracten
4. ( ZD 9)
hij op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair
één of meer (tot nu toe onbekend gebleven) personen op of omstreeks 2 september 2019 te Bergschenhoek, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 6,58 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende heroïne, zijnde heroïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 juni 2019 [datum eerste storting op rekening [bedrijf 1] ] tot en met 2 september 2019 te Leidschendam en/of Voorburg en/of Den Haag en/of Rijnsburg en/of Rotterdam en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door
-
de chauffeur die de container met de (dek)lading en de heroïne zou vervoeren papieren informatie (in een envelop) over de container te overhandigen;
-
één of meer mededaders te voorzien van telefoon(s) voorzien van de applicatie Sky-ecc (PGP-software) ten behoeve van afgeschermde communicatie over het transport van de container met de (dek) lading en de heroine;
-
de rechtspersonen [bedrijf 1] BV en/of [bedrijf 2] BV ter beschikking te stellen en/of te laten gebruiken t.b.v. de invoer en het vervoer van de container met (dek)lading en heroïne;
-
één of meer geldbedragen te (laten) storten op een rekening ( [rekeningnummer 1] ) van [bedrijf 1] BV waarvan vervolgens aan [bedrijf 3] een deel is doorbetaald, zijnde de verscheper van de container met voornoemde heroïne;
-
het maken van een website en mailbox voor de rechtspersonen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 4] BV, welke rechtspersonen voor het transport van de container met (dek)lading en heroïne zijn gebruikt;
-
één of meer valse containerzegels ter beschikking te stellen voor de container waarin de deklading en heroïne zat;
-
op afstand (de Sky ECC applicatie(s) op) twee telefoons en/of twee Sky ECC ID’s te wissen;
5. ( ZD 2)
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 18 juni 2018 tot 29 september 2020 te Rijnsburg en/of Den Haag, in elk geval Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, althans zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen, althans aan schuldwitwassen, immers heeft/hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens), van een of meer (hierna genoemde) voorwerpen de werkelijke aard, herkomst, vindplaats, vervreemding of verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende van dat/die voorwerp(en) was, en/of (telkens) verworven, voorhanden gehad, overgedragen, omgezet en/of gebruikt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat hierna genoemde voorwerp(en) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf, te weten:
- verschillende contante geldbedragen (van in totaal 159.250,00 euro), welke geldbedragen door verdachte naar bankautomaten zijn meegenomen en aldaar zijn gestort op bankrekeningen van verschillende rechtspersonen;
- verschillende geldbedragen (van in totaal 205.320 euro), welke contant en/of giraal door verdachte zijn ontvangen op diens privé rekening(en) en welke bedragen vervolgens zijn overgeboekt naar andere bankrekeningen en daarna (deels) contant zijn opgenomen;
6. ( ZD 16)
hij op of omstreeks 29 september 2020 te Rijnsburg , tezamen en in vereniging met één of meer anderen, althans alleen voorhanden heeft gehad;
- twee wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee airsoft pistolen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
4 Vernietiging vonnis
Het vonnis van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring en strafoplegging komt dan de rechtbank.
5 Inleiding
Op 22 oktober 2018 heeft ING Bank aangifte gedaan van witwassen. ING heeft geconstateerd dat in een korte periode op vijf rekeningen veel contant geld werd gestort, waarna er betalingen werden gedaan naar buitenlandse bankrekeningen. Naar aanleiding van deze aangifte is de politie een onderzoek gestart. Hieruit is naar voren gekomen dat de bedrijven waaraan de rekeningen toebehoorden, werden gebruikt voor transporten van verdovende middelen dan wel anderszins daarmee in verband kunnen worden gebracht.
In dit onderzoek, dat de naam ‘Coalcity’ heeft gekregen, zijn naast de verdachte verschillende medeverdachten naar voren gekomen, waaronder [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3] ), [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ), [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5] ) en [medeverdachte 2] . Het Openbaar Ministerie beschuldigt de verdachte en de medeverdachten ervan dat zij in twee verschillende periodes een criminele (drugs)organisatie vormden. De verdachte wordt verder verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan het met anderen invoeren van verdovende middelen en het witwassen van grote geldbedragen. Alle genoemde verdachten zijn door de rechtbank veroordeeld. In hoger beroep zijn alleen nog de zaken tegen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] aan de orde.
Voor de leesbaarheid worden de medeverdachten met hun achternaam aangeduid met uitzondering van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Zij zullen ook met voorletters worden geduid tenzij uit de tekst duidelijk is welke [achternaam] bedoeld wordt.
6 Standpunt van het Openbaar Ministerie
De advocaat-generaal heeft zich aan de hand van een uitgebreid schriftelijk requisitoir op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten, voor zover in hoger beroep inhoudelijk nog aan de orde, kunnen worden bewezen, met dien verstande dat de advocaat-generaal ten aanzien van feit 1 en 2 vrijspraak heeft gevorderd van het oogmerk op valsheid in geschrifte en in feit 2 van het derde gedachtestreepje (softdrugs) en van feit 4 vrijspraak heeft gevorderd van het primair ten laste gelegde. Volgens haar kan de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid wel worden bewezen.
7 Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de feiten 1, 2 en 4, omdat – samengevat:
ten aanzien van feit 4
-
i) geen sprake is van (voorwaardelijk) opzet op de invoer van heroïne;
-
ii) geen sprake is van medeplegen;
-
iii) geen sprake is van dubbel opzet die nodig is voor het bewijs van medeplichtigheid;
ten aanzien van de feit 1
-
iv) uit het dossier niet blijkt van een gestructureerd samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad;
-
v) de handelingen die de verdachte heeft verricht (storten van geld) van onvoldoende gewicht zijn om hem aan te merken als deelnemer van een criminele organisatie;
-
vi) de verdachte - subsidiair – hooguit veroordeeld kan worden voor deelneming aan een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van witwassen;
ten aanzien van feit 2
-
vii) uit het dossier niet blijkt van een gestructureerd samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad;
-
viii) de handelingen die de verdachte heeft verricht (het maken van website of mailboxen, wissen van Sky ID’s en overhandigen van blanco CMR documenten) van onvoldoende gewicht zijn om hem aan te merken als deelnemer van een criminele organisatie.
Ten aanzien van de feiten 5 en 6 heeft de verdediging zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
8. Beoordeling van het bewijs
Feit 4 – invoer van 6,58 gram heroïne (zaaksdossier 9)
In de nacht van 30 op 31 augustus 2019 is door de Engelse autoriteiten in de haven van Felixtowe in Engeland een zeecontainer voorzien van het nummer [nummer zeecontainer] gecontroleerd. De container was afkomstig uit Pakistan. De container was verzegeld met een blauwkleurig zegel van [bedrijf 3] en voorzien van het nummer [zegelnummer] . In de container zaten witte handdoeken en tussen de handdoeken zijn pakketten aangetroffen met (in totaal) 1.297 kilogram heroïne De Engelse autoriteiten hebben een hoeveelheid van 6,58 gram van de heroïne teruggeplaatst in de container en de overige heroïne vervangen door dummy’s. De container is vervolgens naar de haven van Antwerpen verscheept. De container was bestemd voor [bedrijf 1] B.V. gevestigd te Schiphol.
Op 1 september 2019 wordt de container in de haven van Antwerpen gelost. Op die dag heeft [bedrijf 4] B.V. op het emailadres [e-mailadres 1] een emailbericht van [bedrijf 1] B.V. ontvangen, welke was verzonden vanaf het emailadres [e-mailadres 2] . In dat emailbericht wordt opdracht gegeven om de container in de haven van Antwerpen op te halen en naar Rotterdam te brengen. Uit de bijlage bij dat emailbericht blijkt dat het onder meer om de container met nummer [nummer zeecontainer] gaat. [bedrijf 4] B.V. ( [e-mailadres 1] ) stuurt deze opdracht vervolgens door naar [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) ( [e-mailadres 3] ), de latere chauffeur van het transport.
Voor het ophalen van deze container heeft [betrokkene 1] op 20 augustus 2019 CMR documenten van de verdachte gekregen. In eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat hij aan [betrokkene 1] voorbedrukte CMR documenten heeft gegeven met zijn adresgegevens erop, verder was er niets ingevuld. De verdachte heeft de documenten aan [betrokkene 1] overhandigd bij een benzinestation in Rotterdam. Kort voorafgaand aan deze ontmoeting heeft hij een ontmoeting met [medeverdachte 3] gehad.
Op 2 september 2019 haalt [betrokkene 1] de container [nummer zeecontainer] op uit Antwerpen met een vrachtwagen met kenteken [kenteken 1] in combinatie met een oplegger met kenteken [kenteken 2] . Hij rijdt vervolgens naar het terrein van ‘ [bedrijf 6] ’, [adres] in Bergschenhoek waar hij om 11.00 uur arriveert. Hij heeft daar contact met [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Vervolgens wordt daar de container gelost door [betrokkene 2] , [betrokkene 4] en [betrokkene 1] . Zij worden om 12.06 uur, in de directe nabijheid van de container, in of nabij de loods aangehouden. Kort daarna wordt ook [betrokkene 3] aangehouden bij de afslag Odijk Bunnik aan de A12.
Eerste tussenconclusie
Op 2 september 2019 is in de haven van Antwerpen een container opgehaald door [betrokkene 1] waarin zich 6,58 gram heroïne bevond. Deze heroïne maakte deel uit van een grotere partij van 1.297 kilogram heroïne die in de nacht van 30 op 31 augustus 2019 door de Engelse autoriteiten is onderschept en met uitzondering van die 6,58 gram inbeslaggenomen is. De container met daarin de 6,58 gram heroïne is, via de Westerschelde, Nederland binnen gekomen en afgeleverd in de haven van Antwerpen. Vanaf de haven van Antwerpen is de container naar Bergschenhoek (Nederland) vervoerd door [betrokkene 1] , waarna de container door [betrokkene 4] , [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werd uitgeladen. De CMR documenten, ten behoeve van het wegvervoer, had [betrokkene 1] twee weken eerder ontvangen van de verdachte die kort daarvoor een ontmoeting heeft gehad met [medeverdachte 3] . De container was bestemd voor [bedrijf 1] B.V..
[bedrijf 1] B.V.
Uit het bedrijvenregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [betrokkene 5] , enig bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ) is. Uit de iCOV-bevraging blijkt dat [betrokkene 5] op geen enkele wijze inkomsten ontvangt uit zijn werkzaamheden voor [bedrijf 1] . Er zijn daarnaast geen aanwijzingen gevonden dat hij daadwerkelijk enige bemoeienis heeft met [bedrijf 1] . Hij kan dan ook, mede gelet op zijn verklaring bij de politie waarin hij zegt niets van de bedrijfsvoering van [bedrijf 1] te weten en geen handelingen uit te voeren voor dat bedrijf, worden gezien als katvanger.
Oprichtingsdocumenten met betrekking tot [bedrijf 1] B.V. alsmede correspondentie tussen de Belastingdienst en [bedrijf 1] B.V. zijn aangetroffen op een USB-stick in het kantoorpand aan het [adres 2] te Den Haag. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben in hoger beroep als getuige verklaard dat zij – ten tijde van de doorzoekingen in juli en september 2020 – van dat kantoorpand gebruik maakten. Tijdens de tweede doorzoeking werd in het pand aan het [adres 2] een Asus-laptop inbeslaggenomen. Op deze laptop zijn drie mailboxen opgeslagen. Het betreft onder meer:
-
de mailbox van [e-mailadres 2] in de periode van 12 februari 2018 tot en met 2 september 2019 met ruim 50 e-mailberichten;
-
de mailbox van [e-mailadres 1] in de periode van 30 mei 2019 tot en met 2 september 2019 met ruim 300 e-mailberichten.
Bij de doorzoeking is ook een HP-laptop in beslag genomen waarop de mailbox van [e-mailadres 2] stond opgeslagen met daarin ruim 160 e-mailberichten in de periode van 12 februari 2019 tot en met 12 juli 2019. Op deze laptop werden verder de volgende documenten aangetroffen:
-
Arrival notice [bedrijf 3] met betrekking tot de zending van de containers met nummer [nummer zeecontainer] met als consignee [bedrijf 1] B.V. en als contactpersoon [betrokkene 5] (het hof begrijpt: [betrokkene 5] );
-
Delivery order [bedrijf 3] met betrekking tot de zending van de container met nummer [nummer zeecontainer] ;
-
T1-document met betrekking tot de zending van container met nummer: [nummer zeecontainer] , waarin ook melding wordt gemaakt van de lading te weten 100% katoenen handdoeken;
-
Importfactuur [bedrijf 3] met betrekking tot de zending van de container met nummer [nummer zeecontainer] ten name van [bedrijf 1] B.V. van 28 augustus 2019 van € 450,00
Op de USB-stick waarop ook het e-mailbericht staat van 1 september 2019 waarin [bedrijf 1] B.V. aan [bedrijf 4] B.V. de opdracht geeft om de container uit Antwerpen op te halen, staat ook een Word-document getiteld “huurovereenkomst [documentnaam] ”. Uit deze overeenkomst blijkt dat het bedrijf [bedrijf 5] , vertegenwoordigd door [betrokkene 3] geboren op 30 juli 1992, een bedrijfsruimte verhuurt gelegen aan [adres 3] te Bergschenhoek. Deze ruimte wordt verhuurd aan het bedrijf [bedrijf 2] B.V.. Op dit bedrijf komt het hof hierna nog terug.
[bedrijf 4] B.V.
Behalve administratie met betrekking tot [bedrijf 1] werd tijdens de doorzoeking in juli 2020 op het [adres 2] ook papieren administratie met betrekking tot de onderneming [bedrijf 4] B.V. (hierna: [bedrijf 4] ) aangetroffen. Verder werd een ABN Amro bankpas op naam van [bedrijf 4] , een kopie rijbewijs van [betrokkene 1] en een kopie Alfa Pass op naam van [betrokkene 1] aangetroffen.
Tweede tussenconclusie
[bedrijf 1] was een dekmantelbedrijf dat gebruikt is voor de invoer van heroïne. Aangenomen moet worden dat degenen die de feitelijke zeggenschap hadden over [bedrijf 1] verantwoordelijk zijn voor deze invoer. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen waren dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] . Bij die conclusie betrekt het hof nog het volgende.
[adres 4] in Den Haag
Ten tijde van het hiervoor genoemde transport maakten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] gebruik van het kantoorpand aan de [adres 4] in Den Haag. Ook de verdachte kwam in dat kantoorpand. Hij heeft in opdracht van een ander/anderen websites (en de daaraan gekoppelde emailadressen) gemaakt. Dit blijken onder meer de websites voor [bedrijf 1] en [bedrijf 4] te zijn. Bovendien blijkt dat de bruikleenovereenkomst voor het pand aan de [adres 4] in Den Haag op naam stond van [bedrijf 2] B.V. (hierna: [bedrijf 2] ). Dit bedrijf betaalde hostingbedrijf [bedrijf 7] dat weer diensten verleende aan [bedrijf 1] . [bedrijf 2] betaalde ook aan [bedrijf 7] voor de website van [bedrijf 4] . Het bedrijf [bedrijf 2] had als enig aandeelhouder en bestuurder Stichting [bedrijf 2] . Van deze stichting was van 1 maart 2015 tot en met 17 mei 2019 [betrokkene 6] , de zus van de verdachte, enig aandeelhouder en bestuurder. Zowel [medeverdachte 3] als de verdachte hebben contante geldbedragen op de rekening van het bedrijf [bedrijf 2] gestort.
Verder blijkt uit het dossier dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van de MIFI-router met IMEI-nummer [IMEI-nummer] en voorzien van IMSI-nummer [IMSI-nummer] . Uit onderzoek naar deze MIFI-router in combinatie met de informatie over het onlinebankieren met rekeningnummer [rekeningnummer 2] op naam van [bedrijf 1] B.V. stelt het hof vast dat [medeverdachte 3] in de periode van 20 november 2019 tot en met 10 december 2019 veertig maal heeft ingelogd op genoemde bankrekening van [bedrijf 1] .
Op 2 september 2019 – de ochtend dat de container door [betrokkene 1] in de haven van Antwerpen wordt opgehaald en vervolgens in Bergschenhoek wordt gelost – arriveert omstreeks 09.48 uur de verdachte bij de [adres 4] in Den Haag. Op dat moment stralen de telefoons van [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] zendmasten in de nabije omgeving aan. Het hof gaat er – gelet hierop en gelet op het feit dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] op dat moment de vaste gebruikers waren van de [adres 4] in Den Haag – van uit dat alle drie de verdachten op dat moment in het kantoor op de [adres 4] in Den Haag aanwezig waren.
De verdachte heeft, volgens zijn in hoger beroep afgelegde verklaring, eerder die ochtend – op zijn telefoon van een Sky-contact (het hof begrijpt: een contact dat hij op zijn skytelefoon had) – het verzoek ontvangen om twee Sky-telefoons te wissen. Eerder had hij op verzoek Sky-applicaties op telefoons geïnstalleerd. Hoewel hij heeft verklaard niet te weten wie hem vroeg de Sky-telefoons te wissen, heeft hij hieraan wel gevolg gegeven. Diezelfde ochtend merkte hij dat er paniek was in een van de kantoren op de [adres 4] . Hem werd door de ‘aanwezigen’ ook verzocht een tweetal Sky-telefoons op afstand te wissen, waarna hij aangaf dat al te hebben gedaan.
De hiervoor genoemde [betrokkene 4] en [betrokkene 2] hadden allebei een Sky-telefoon. Hun toestellen zijn voorzien van IMSI-nummers die slechts één cijfer afwijken. De telefoons zijn op 30 augustus 2019 kort na elkaar (om 13.27 en 13.28 uur) actief geworden, waarbij zendmasten zijn aangestraald op de locaties [straatnaam] en [straatnaam 2] . Deze locaties zijn beide gelegen in de directe omgeving van de [adres 4] in Den Haag. Op het moment van aanhouding – op 2 september 2019 – stonden de telefoons weer op fabrieksinstelling.
Derde tussenconclusie
[medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben elk een relatie met de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 4] , die gerelateerd kunnen worden aan het heroïnetransport. Op de dag dat de container met de heroïne in Bergschenhoek in beslag wordt genomen, is er paniek op het kantoor op de [adres 4] , de kantoorruimte die door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] werd gebruikt, waar [verdachte] toen aanwezig was en het verzoek kreeg van de aanwezigen om twee Sky-telefoons te wissen. Het hof gaat er gelet hierop vanuit dat het verzoek van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kwam. Bij de uithalers van de heroïne, [betrokkene 4] en [betrokkene 2] , zijn Sky-telefoons aangetroffen die kennelijk kort daarvoor weer in de fabrieksstand zijn gezet. Het hof begrijpt hieruit dat ze zijn ‘gewist’. Het hof gaat er dan ook vanuit dat de verdachte de telefoons van deze personen heeft gewist. Aanwijzingen dat het om heel andere telefoons zou gaan zijn er niet.
Nadere overwegingen
Er zijn nog enkele omstandigheden die het hof betrekt bij het oordeel dat de genoemde verdachten betrokken zijn geweest bij dit transport. Tijdens de doorzoeking in de loods gelegen aan de [adres] in Bergschenhoek werden nagemaakte transportzegels voorzien van het opschriftnummer [bedrijf 3] [zegelnummer] aangetroffen. De container met nummer [nummer zeecontainer] was op het moment dat deze door de Engelse autoriteiten werd gecontroleerd afgesloten en verzegeld door middel van een daarvoor bestemde transportzegel. Dit zegel komt voor wat betreft het opschrift geheel overeen met de aangetroffen (valse) transportzegels in de loods in Bergschenhoek. Deze transportzegels zaten in een Jumbotas die door [betrokkene 4] naar de loods is meegenomen en naar binnengebracht is.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep als getuige verklaard dat hij valse containerzegels maakte. Hij heeft ook verklaard dat hij hier pas mee gestart is na het transport van 2 september 2019. Het hof acht dat laatste niet aannemelijk nu in het OVC-gesprek van 10 februari 2020 tussen [medeverdachte 2] , [betrokkene 7] , [medeverdachte 3] en nog een onbekende man in het kantoor aan de [straatnaam 3] door [medeverdachte 2] wordt gezegd: “Er staan vier zegels, vier keer een zegel gemaakt en daar is nooit voor betaald.” Even later zegt hij: “Dat is nog. Toen zaten we nog in het ouwe kantoortje. (Ntv) gemaakt, een paar CMA zegels gemaakt nog.” [medeverdachte 2] zegt nog wat later: “Ik heb. De [bedrijf 8] heb ik nog een paar van gemaakt van zelfs, CMA.
Naar het oordeel van het hof was er dus al sprake van het namaken van zegels toen ze nog in het ‘oude kantoortje’ (het hof begrijpt: op de [adres 4] ) zaten.
Dat ook [medeverdachte 3] hierbij betrokken was, leidt het hof af uit de opmerking van [medeverdachte 2] in hetzelfde gesprek dat zij met z’n drieën werken. En verder uit de omstandigheid dat [medeverdachte 3] op een gegeven moment zegt: “Als we met ze allen willen verdienen aan die zegels, moet je samen ook natuurlijk betalen.”
OVC-gesprekken
Dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] betrokkenheid hadden bij dit transport blijkt verder uit de OVC-gesprekken die [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] samen en/of met anderen in 2020 hebben gevoerd in hun kantoorruimte op de [straatnaam 3] in Rijswijk die onmiskenbaar betrekking hebben op het onderhavige transport (onderzoek Astoria).
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] (P), [medeverdachte 3] (H) en [medeverdachte 4] (K) op de [straatnaam 3] in Rijswijk en wordt het volgende besproken:
P: Bergschenhoek, waar in Bergschenhoek.
K: Bij eh [bedrijf 9] daar eigenlijk hè eh. Groot bedrijventerrein. En die gozer die is toen gevlucht, dat heb ik wel meegekregen, die is bij de A12 bij Utrecht is die eh, is van de weg afgehaald en eh, ja, opgepakt en verder, verder niks.
Het hof merkt op dat op het adres [adres 5] in Bergschenhoek [bedrijf 9] B.V. is gevestigd. Dit is op hetzelfde industrieterrein als [bedrijf 6] , [adres] in Bergschenhoek, alwaar de container [nummer zeecontainer] met de heroïne is afgeleverd. De aanhouding van [betrokkene 3] vond plaats op de A12 nabij Utrecht.
Het gesprek gaat als volgt verder:
P: Is dat eh eh, dat waren eh badjassen, met handdoeken derin.
K: Nou, [betrokkene 8] die hoorde ...
P: Ja, ja.
K: En toen hoorde ik het ook, eh, geen cocaïne, maar heroïne.
H: Ja.
P: De lading was handdoeken of was.
K: Zou zo maar, ja, ja, ja. Towels.
P: Ja, towels.
K: Ja, towels.
De lading betrof handdoeken voor welke bestelling ook een factuur en overschrijvingen zijn aangetroffen in de administratie van [bedrijf 1] , aangetroffen op het [adres 2] . Maar ook in eerdere gesprekken wordt al gerefereerd aan dit transport, in het bijzonder wordt er gesproken over de aanhouding van [betrokkene 4] , [betrokkene 2] , [betrokkene 1] en [betrokkene 3] .
Op 19 februari 2020 hebben [medeverdachte 2] en [betrokkene 7] in de kantoorruimte op de [straatnaam 3] in Rijswijk een gesprek over een dossier en een rechtszitting. [medeverdachte 2] zegt onder andere het volgende: “Ik was gister even bij die advocaat van die neger. Even doorgenomen”. En: “Dit is zo’n dossiertje. Ik heb gisteren daar alles doorgenomen.” En “Nee, hij was gezien met een plastic tasje toch, naar binnenlopen en in die tas zaten stanleymessen en de zegels.”. En “zegel geknipt” en “Die andere gozer die [betrokkene 2] ook, die andere, die met die andere bril”. Het hof leidt uit dit gesprek af dat met ‘die neger’ [betrokkene 1] wordt bedoeld. Hij is samen met [betrokkene 2] aangehouden en is de enige van de vier aangehouden verdachten in onderzoek Astoria met een zwarte huidskleur. [medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in hoger beroep, als getuige, ook verklaard dat met “die neger” [betrokkene 1] bedoeld kan zijn.
Op 13 maart 2020 spreken [medeverdachte 3] (H) en [medeverdachte 2] (P) elkaar en is ook [betrokkene 9] (RH) aanwezig. In dit gesprek wordt het volgende gezegd:
RH: Een van de, een van de chauffies die heef 8 jaar boven ze hoof?
P: Een van de wat?
RH: Die gechauffeurd heeft, zeg maar? 8 jaar? Eis?
P: Die gechauffeurd heeft?
RH: [naam 1] of [bijnaam 4] , hoe die heet? [naam 1] of [bijnaam 4] of [bijnaam 4] of [naam 1] ? Is 8 jaar tegen geëist? En die gaat in hoger beroep?
P: Ja.
Later die dag om 12.21 uur wordt het volgende gezegd:
RH: Hij staat in verbinding, [naam] , met die advocaat, die [bijnaam 4] , die (ntv). Wist je dat?
(…)
P: Die advocaat van die [bijnaam 4] , dat is onze advocaat.
RH: Ja.
P: Die staat op de payroll bij ons.
RH: Ja.
H: Onze advocaat.
P: Hier.
H: Die betale wij. Al die mensen die der al aan vast zitte, dat zijn.
RH: Ja, ja. Dat zijn der meer, die bierbuike.
H: Die advocaat, die betale we.
[medeverdachte 2] heeft in hoger beroep als getuige verklaard dat met [bijnaam 4] , [betrokkene 3] wordt bedoeld.
Tot slot acht het hof het navolgende OVC-gesprek nog relevant.
OVC-gesprek 12 september 2019
Op 12 september 2019 zegt de moeder van de verdachte, [betrokkene 10] , tegen [betrokkene 11] , de partner van [medeverdachte 3] , in een gesprek waarin het onder anderen gaat over [naam 2] (het hof begrijpt: [medeverdachte 3] ) en [naam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) dat toen het twee weken terug misging, die jongen ‘gewoon alles [heeft] gedaan!’ Zij zegt vervolgens dat [verdachte] gelijk ingreep en dat hij (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) daar maar stond met zijn handen in het haar te vloeken en te schelden en helemaal niets deed en toen tegen [verdachte] zei wat hij moest doen en dat [verdachte] toen heeft gezegd dat hij dat allang had gedaan. Dit komt overeen met wat de verdachte in hoger beroep heeft verklaard, zoals hierboven reeds weergeven, namelijk dat hij op 2 september 2019 in de ochtenduren het verzoek had gekregen om twee Sky-telefoons op afstand te wissen. Hij merkte later dat er “paniek” was op het kantoor [adres 4] en toen hem daar (opnieuw) werd gevraagd of hij twee Sky-telefoons wilde wissen, hij zei dat al gedaan te hebben. Het hof gaat er dan ook vanuit dat in dit OVC-gesprek gesproken is over het transport van 2 september 2019 en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] toen op de [adres 4] in Den Haag aanwezig waren.
Vierde tussenconclusie
Uit de verschillende OVC-gesprekken blijkt dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met derden spreken over de inbeslagname van de heroïne in Bergschenhoek, welke heroïne deel uit maakte van de grotere partij die in Engeland eind augustus 2019 inbeslaggenomen is en waarvan de deklading handdoeken betrof.
Conclusie
Alle hiervoor genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband beschouwd zijn naar het oordeel van het hof redengevend voor het bewijs dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] als medeplegers betrokken zijn geweest bij de invoer van 6,58 gram heroïne. Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de verdachte niet als medepleger kan worden aangemerkt. Wel kan hij als medeplichtige worden aangemerkt omdat hij de chauffeur van het transport de benodigde CMR documenten heeft gebracht, mededaders heeft voorzien van Sky-telefoons en deze op afstand heeft gewist en hij op verzoek websites en mailbox voor de bedrijven [bedrijf 1] en [bedrijf 4] heeft gemaakt, die zijn gebruikt bij het transport. Het verweer dat de verdachte geen (dubbel) opzet had wordt verworpen. Gelet op de geschetste gang van zaken kan het niet anders dan dat de verdachte moet hebben geweten dat met het transport verdovende middelen Nederland werden ingevoerd. Bij dat oordeel betrekt het hof dat de verdachte – op het moment dat de politie in verband met een doorzoeking bij de woning [adres 11] aanbelt - hij via de tuin met een laptoptas probeert weg te komen. Wanneer hij door de daar ook aanwezige politieambtenaar wordt aangesproken en verzocht de tas te overhandigen negeert hij deze aanwijzing en loopt door. Op deze laptop is onder meer informatie aangetroffen over bedrijven die met de invoer van verdovende middelen in verband kunnen worden gebracht, zoals [bedrijf 10] B.V.. Naar het oordeel van het hof kan hieruit afgeleid worden dat de verdachte probeerde belastende informatie aan het zicht van de politie te onttrekken. Dit is een omstandigheid die, zonder nadere verklaring, welke ontbreekt, duidt op wetenschap. Daarnaast betrekt het hof in dit oordeel dat, zoals uit het navolgende zal blijken, hij nog meer geldbedragen heeft gestort dan de hierboven genoemde. De (totale) hoogte van deze bedragen moet voor de verdachte eens te meer reden zijn geweest dat hij moet hebben geweten dat de medeverdachten zich bezig hielden met de invoer van verdovende middelen.
Feit 5 - witwassen
De verdachte wordt ervan beschuldigd dat hij in de periode van 18 juni 2018 tot 29 september 2020 geldbedragen heeft witgewassen door (i) contante geldbedragen van in totaal € 159.250,00 te storten op bankrekeningen van verschillende rechtspersonen en (ii) € 205.320,00 op zijn rekening te ontvangen en vervolgens contant op te nemen.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in de periode van 18 juni 2018 tot 13 november 2019 bij bankautomaten in Den Haag, Leidschendam, Rijswijk, Katwijk en [plaatsnaam 1] , in totaal € 159.250,00 aan contant geld op de bankrekeningen van verschillende bv’s heeft gestort.
|
Bankrekening |
Rekeninghouder |
Bedrag |
|
[rekeningnummer 3] |
[bedrijf 11] B.V. |
€ 20.720,00 |
|
[rekeningnummer 4] |
[bedrijf 13] B.V. |
€ 6.070,00 |
|
[rekeningnummer 5] |
[bedrijf 2] B.V. |
€ 5.560,00 |
|
[rekeningnummer 6] |
[bedrijf 14] B.V. |
€ 16.300,00 |
|
[rekeningnummer 7] |
[bedrijf 15] B.V. |
€ 94.100,00 |
|
[rekeningnummer 8] |
[bedrijf 16] B.V. |
€ 6.500,00 |
|
[rekeningnummer 9] |
[bedrijf 12] B.V. |
€ 10.000,00 |
|
€ 159.250,00 |
Verder stelt het hof vast dat de verdachte in de periode van 22 november 2019 tot en met 15 januari 2020 € 205.320,00 giraal op zijn bankrekening heeft ontvangen. Hij heeft van [bedrijf 17] B.V. € 157.320,00 en van [bedrijf 18] B.V. € 48.000,00 ontvangen. Deze bedragen werden vervolgens, na enkele overboekingen via zijn eigen bankrekeningen, contant opgenomen.
Uit de iCOV-bevraging door de politie volgt dat de verdachte geen legaal inkomen had in de periode van 2015 tot en met 27 juli 2020. In de jaren 2017 tot en met 2020 is aan hem zorgtoeslag toegekend. Verdachte heeft sinds 1 april 2019 een eenmanszaak, maar uit de omzetbelastingaangiftes volgt dat hij daaruit in 2019 geen winst heeft gehad.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat sinds zijn vader was gedetineerd hij de mogelijkheid had gekregen om geld te brengen, geld te storten, geld op te halen of post op te halen. Hij kreeg daar geld voor. Er werd ook geld op zijn rekening gestort. Voor geld weg brengen, kreeg hij als vergoeding tussen de € 0 en € 500. De verzoeken ontving hij via Sky Voor het storten van geld kreeg hij het geld en de pinpas en voerde daarna de handelingen uit. Hij wil verder niet verklaren wie hem dat vroeg.
De verdediging heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd met betrekking tot feit 5 en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof is van oordeel dat met betrekking tot de contante stortingen van € 159.250,00 op de bankrekeningen van verschillende rechtspersonen en de overschrijvingen van € 205.320,00 naar de bankrekening van de verdachte sprake is van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen. De verdachte had in de ten laste gelegde periode geen bekend legaal inkomen dat de stortingen en de overgeschreven bedragen, in totaal een bedrag van € 364.570,00, zou kunnen verklaren. De verdachte heeft verklaard dat hij in opdracht van anderen geld heeft gestort en dat hij van anderen geld op zijn rekening heeft ontvangen. Hij heeft echter niet verklaard wie de anderen zijn en voor wie hij dit gedaan heeft. Door deze verklaring is niets bekend geworden over de herkomst van het geld en is het witwasvermoeden niet weerlegd. Het hof acht dan ook bewezen dat de verdachte de geldbedragen die hij heeft gestort en de bedragen die naar hem zijn overgeschreven en vervolgens contant zijn opgenomen, met een of meer anderen heeft witgewassen. De verdachte heeft op zijn minst genomen bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het geld van misdrijf afkomstig was. Gelet op de aard van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, alsmede aan het aantal gedragingen en de lange periode waarbinnen de verdachte deze heeft verricht, kan ook worden bewezen dat de verdachte van witwassen een gewoonte heeft gemaakt.
Feiten 1 en 2 – criminele organisatie
Onder 1 en 2 is aan de verdachte ten laste gelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019, respectievelijk 1 maart 2019 tot 29 september 2020.
Beoordelingskader
De rechtspraak van de Hoge Raad over de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) laat zich op hoofdlijnen als volgt weergeven.
Van een ‘organisatie’ als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als het gaat om een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon.
Van ‘deelneming’ aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr is sprake als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk. Het is niet vereist dat vast komt te staan dat de verdachte heeft samengewerkt met, of in ieder geval bekend is met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. De deelneming moet voor de verdachte op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de verdachte. Voor deelneming in de zin van artikel 140 Sr is voldoende dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. De verdachte hoeft geen wetenschap te hebben van één of meer concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd.
Het gaat bij het misdrijf van artikel 140 Sr niet om het daadwerkelijk gepleegd zijn van misdrijven, maar om het ‘oogmerk’ tot het plegen van misdrijven. Voor dat oogmerk kan ook het naaste doel van de organisatie volstaan. Het is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is.
Het oogmerk hoeft niet in de tenlastelegging nader te zijn omschreven, maar moet uit de bewijsvoering blijken. Daarbij kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie al zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie.
Voor het bewijs voor deelname aan een criminele organisatie zal dus moeten worden vastgesteld dat:
(i) sprake is geweest van een organisatie;
(ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; gelet op de tenlastelegging in dit geval specifiek Opiumwetfeiten en witwassen.
(iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
Algemeen
Het hof stelt voorop dat de uitvoering van een internationaal drugstransport van een omvang en complexiteit zoals die is bewezen verklaard onder 4, een criminele organisatie vergt die het plegen van verscheidene misdrijven tot oogmerk heeft. Bij de uitvoering van dat transport is immers sprake geweest van verschillende in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven, zoals het vervoer, de aflevering, de invoer en het aanwezig hebben van de verdovende middelen. De daarop gerichte besluitvorming en activiteiten van de verschillende deelnemers moeten dus onderling nauw op elkaar zijn afgestemd en droegen naar hun aard een planmatig karakter. Bovendien heeft de verdachte, samen met anderen, ook in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 grote geldbedragen witgewassen. Het witwassen, zoals bewezen verklaard, heeft – in elk geval deels – betrekking op bedrijven die op de één of andere wijze zijn te linken aan de handel in verdovende middelen.
Criminele organisatie in de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 (feit 2)
De criminele organisatie bestond in de hier bedoelde periode in elk geval uit [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [verdachte] . [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] waren ook betrokken bij de invoer van 750 kilo cocaïne op 30 maart 2020 die, via de Westerschelde, naar de haven van Antwerpen is gebracht. De container waarin de cocaïne zat verstopt was bestemd voor het bedrijf [bedrijf 19] B.V.. [medeverdachte 3] heeft zich op 25 februari 2020, toen hij belde in verband met het vervoer van de container, voorgedaan als [betrokkene 9] . Die was op papier eigenaar van [bedrijf 19] , maar heeft verklaard dat het bedrijf alleen maar op zijn naam staat. De reder is echter betaald door het bedrijf [bedrijf 14] B.V.. [medeverdachte 4] heeft, als chauffeur, de container met cocaïne naar een loods in Antwerpen vervoerd. Daar heeft de politie de cocaïne in beslag genomen. Er is toen een doorgeknipte containerzegel aangetroffen. Een valse containerzegel, met het zelfde nummer, lag in het kantoor van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] aan het [adres 2] in Den Haag. [medeverdachte 2] heeft, als getuige, verklaard dat hij die zegel heeft gemaakt. In het kantoor lag ook administratie van het bedrijf [bedrijf 19] , inclusief een kopie van het rijbewijs van [betrokkene 9] . Voor de chauffeur [medeverdachte 4] was een AlfaPass aangevraagd namens het eerder genoemde [bedrijf 4] . Zoals hiervoor overwogen heeft de verdachte de website voor [bedrijf 4] gemaakt en heeft hij contant geld gestort op de rekening van [bedrijf 14] .
Uit het voorgaande volgt dat sprake was van een criminele organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, samengevat: de invoer van verdovende middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet en daarmee samenhangende misdrijven, waaronder voorbereidingshandelingen, en witwassen.
Criminele organisatie in de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 (feit 1)
Dat vóór de hiervoor besproken periode al sprake was van een criminele organisatie blijkt naar het oordeel van het hof onder meer uit het feit dat [medeverdachte 3] samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] op 26 oktober 2018 ruim 5.000 kilo hash heeft ingevoerd. Ook hierbij was de verdachte betrokken, in die zin dat hij geld heeft gestort op de rekening van één van de betrokken dekmantelbedrijven ( [bedrijf 11] B.V.). Bovendien had hij – zoals nader uiteengezet zal worden – op de laptop die onder hem in beslag is genomen onder andere stukken staan met betrekking tot het hieronder genoemde bedrijf [bedrijf 10] . Uit de bewijsmiddelen blijkt het volgende.
Op 24 september 2018 wordt in de haven van Laem Chabang (Thailand) een zeecontainer [containernummer] met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’ (kokosvezel blokken) op containerschip [naam containerschip] geladen. De bestemming is Antwerpen. Op de Sea Waybill (zeevrachtbrief) die bij de container behoort, staan de gegevens van de consigne (ontvanger) vermeld: Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V., [adres 8] . Als contactpersoon staat [betrokkene 12] vermeld en het telefoonnummer eindigend op [nummer 6] . De verscheping van de container wordt verzorgd door containerrederij [bedrijf 8] . In de administratie van [bedrijf 8] is de verscheping van deze container bekend onder carrier’s reference nummer [nummer] met daaraan gekoppeld de ‘Bill of Lading (B/L)’ met het nummer [nummer 2] .
Op 25 oktober 2018 om 10.56 uur stort [medeverdachte 3] bij het ING-filiaal aan de [adres 9] € 4.550,00 op rekening [nummer 3] van [bedrijf 11] B.V.. [verdachte] stort ook bij het zelfde ING-filiaal aan de [adres 9] op die dag om 13.32 uur € 6.000,00 op dezelfde rekening. Diezelfde dag wordt vanaf bankrekening [nummer 3] van [bedrijf 11] B.V. een spoedbetaling van € 1.732,81 aan [bedrijf 8] verricht. Bij de betaling wordt onder meer vermeld: [bedrijf 8] , invoice [nummer 4] , customer: [nummer 5] . In de administratie van [bedrijf 8] is het klantnummer [nummer 5] aan Handelsmaatschappij [bedrijf 10] toegekend. De spoedbetaling heeft betrekking op shipment [nummer] – B/L no. [nummer 2] . Op diezelfde dag om 12.59 uur wordt namens Handelsmaatschappij [bedrijf 10] ( [e-mailadres 4] ) een e-mail gestuurd naar [bedrijf 8] ( [e-mailadres 5] ) met in de onderwerpregel de vermelding: “Payment [nummer 4] [bedrijf 10] 001 [nummer 2] ”. Onder de e-mail staat [betrokkene 12] en het telefoonnummer [nummer 6] . In het e-mailbericht staat dat de spoedbetaling als bijlage aan de e-mail is toegevoegd.
Op 26 oktober 2018 arriveert genoemde container, geladen met 20 pallets met ‘cocopeat blocks’, in de haven van Antwerpen. De douane stelt vast dat in 12 van de 20 pallets in totaal ongeveer 5.296 kilogram marihuana aanwezig is. Nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container zijn gehaald, is de container terug op de kaai gezet en vrijgegeven, waarna deze door [medeverdachte 4] is opgehaald.
Op 31 oktober 2018 wordt namens Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V. een e-mail naar de heer [betrokkene 13] via e-mailadres [bedrijf 20] gestuurd. Onder deze e-mail staat de naam [betrokkene 12] . Er wordt meegedeeld dat de container [containernummer] die dag is opgehaald, ingeklaard en gelost, dat er 14 pallets ontbreken en dat de zegel niet klopt zoals op de BL (Bill of Lading) staat vermeld en er een gele zegel met het nummer: [nummer 7] op zit.
Door de Belgische autoriteiten zijn 10 monsters van de marihuana aan de Nederlandse autoriteiten overhandigd. Op 25 juni 2019 heeft de politie met indicatieve testen een onderzoek naar de monsters ingesteld. Het resultaat hield in dat er een indicatie was dat het om THC ging, zijnde de werkzame stof in hennep en hasjiesj, vermeld op Lijst II van de Opiumwet. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft ook onderzoek naar de monsters gedaan en is tot de conclusie gekomen dat de monsters hennep bevatten.
Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V.
De container met verdovende middelen was bestemd voor Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V. Deze bv is op 11 april 2018 opgericht. Enig aandeelhouder/bestuurder is [betrokkene 12] , geboren op [geboortedatum 2] te Sint Maarten (Nederlandse Antillen). [betrokkene 12] heeft verklaard dat hij een studieschuld had en dat hij door [betrokkene 14] was benaderd om samen [bedrijf 10] op te zetten, hij een bankrekening heeft geopend maar verder niets met het bedrijf heeft gedaan en de bankgegevens aan [betrokkene 14] heeft overgedragen. Hij heeft ten slotte verklaard dat hij een katvanger was. In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 14] met telefoonnummer [nummer 9] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen de gebruiker ‘ [betrokkene 14] ’ en het telefoonnummer [nummer 10] , dat gebruik maakt van de WhatsApp-naam ‘ [naam 4] ’. Gelet op het voorgaande, het gegeven dat de voornaam van [betrokkene 12] ‘ [naam 5] ’ is en de inhoud van de gesprekken, gaat het hof ervan uit dat deze telefoonnummers respectievelijk aan [betrokkene 14] en [betrokkene 12] toebehoren. De verklaring van [betrokkene 12] wordt ondersteund door de gesprekken die in de telefoon van [betrokkene 14] zijn aangetroffen. Hieruit komt naar voren dat [betrokkene 12] tegen betaling van € 500,00 (op papier) bestuurder van Handelsmaatschappij [bedrijf 10] is geworden en [betrokkene 12] zich realiseerde dat hij slechts op papier bestuurder was.
[bedrijf 11] B.V.
[bedrijf 11] B.V. is opgericht op 21 maart 2017. Zij is met ingang van 24 januari 2019 uitgeschreven uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Vanaf 18 juli 2017 was als enig aandeelhouder/bestuurder geregistreerd [betrokkene 15] , geboren op [geboortedatum 3] te [geboorteplaats 2] . Er zijn van [betrokkene 15] in de Basisregistratie Personen per 26 juni 2016 geen adresgegevens geregistreerd. De ING Bank heeft aan [bedrijf 11] B.V. een rekening met nummer [rekeningnummer 3] (hierna [nummer 3] ) toegekend, waaraan voor het (per sms) ontvangen van TAN-codes telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna [nummer 11] ) is gekoppeld. Op de website [website] . staat hetzelfde telefoonnummer als contactnummer vermeld.
Naar aanleiding van de aangifte van de ING is onderzoek gedaan naar (de gebruiker van) telefoonnummer [nummer 11] . Op 1 november 2018 is een machtiging verleend tot het opnemen van telecommunicatie. Op 10 november 2018 wordt de gebruiker van dit telefoonnummer gebeld door de ING bank. De gebruiker krijgt een volgnummer en een TAN-code te horen. Hij zegt tijdens dit gesprek (op de achtergrond): ‘Kijk je uit... [naam 6] ... [naam 6] ...hey!’. [medeverdachte 3] heeft een dochtertje genaamd [naam 6] en woonde destijds samen met zijn gezin op het adres [adres 10] in [plaatsnaam 1] . Uit onderzoek is naar voren gekomen dat [mastnaam] [plaatsnaam 1] de aangestraalde mast van het telefoonnummer is. Deze paallocatie is pal naast het woonadres van [medeverdachte 3] en geeft dus dekking aan dit adres. Uit het dossier blijkt daarnaast dat [medeverdachte 3] in de periode van 18 juni 2018 tot en 24 januari 2019 een totaalbedrag van € 262.280,00 contant heeft gestort op bankrekening [nummer 3] van [bedrijf 11] . Het hof concludeert op grond hiervan dat het telefoonnummer [nummer 11] destijds in gebruik was bij [medeverdachte 3] .
[medeverdachte 3] belde met dit telefoonnummer in de periode van 24 december 2018 tot en met 2 januari 2019 namens [bedrijf 11] naar derden, waarbij hij zich voorstelde met valse namen, waaronder [naam 11] en [betrokkene 14] .
Op de dag van bovengenoemde spoedbetaling, 25 oktober 2018, wordt van 08.31 uur tot en met 14.24 uur zes keer ingelogd op Mijn ING en de zakelijke rekening van [bedrijf 11] . Telefoonnummer [nummer 11] is in dat tijdsbestek één keer gebeld door het ING-nummer [nummer 12] , dat in gebruik is bij de ING bank om geautomatiseerd volgnummers en TAN-codes voor betalingen te beluisteren. Voorts kwamen vijf sms-berichten van servicenummer 1420 en vijf sms-berichten van nummer *0230 (een sms-centrale) binnen. Het telefoonnummer van [medeverdachte 3] ( [nummer 11] ) straalde tijdens die activiteiten zendmasten aan op de locaties [straatnaam 2] (KPN-315045756) en [straatnaam] (KPN-315049151/52) in Den Haag. Het in die tijd door [medeverdachte 3] gebruikte kantorenpand aan de [adres 4] in Den Haag valt binnen het zendbereik van beide zendmasten.
Dekmantelbedrijven
Het hof concludeert op grond van het voorgaande dat Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V. en [bedrijf 11] B.V. zogenoemde dekmantelbedrijven zijn en hun bestuurders katvangers. De bv’s zijn gebruikt bij het ten laste gelegde drugstransport. De container met verdovende middelen was immers bestemd voor [bedrijf 10] en de spoedbetaling is, namens dat bedrijf, gedaan door [bedrijf 11] . Aangenomen moet worden, zonder aanwijzingen van het tegendeel, dat degenen die achter deze bedrijven schuil gaan, verantwoordelijk zijn voor de invoer van de verdovende middelen. In ieder geval had [medeverdachte 3] vergaande feitelijke zeggenschap over [bedrijf 11] B.V.. Teneinde de deelnemers aan de criminele organisatie nader te duiden, gaat het hof hieronder ook in op de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij [bedrijf 10] en [bedrijf 11] .
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij [bedrijf 10]
In de telefoon die in Griekenland in beslag is genomen onder [betrokkene 14] zijn onder meer WhatsApp-gesprekken aangetroffen tussen [betrokkene 14] en het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . Uit deze gesprekken leidt het hof af dat [bedrijf 10] door [betrokkene 12] is opgericht, maar op initiatief van [betrokkene 14] en met wetenschap van [medeverdachte 3] en voornoemde [medeverdachte 1] . [betrokkene 12] is daarbij ingezet als katvanger. In de eerste plaats slaat het hof daarbij acht op het volgende. Op 18 maart 2018 bericht [betrokkene 14] aan [medeverdachte 1] dat hij iemand heeft voor ‘ [bijnaam] ’ (de bijnaam van [medeverdachte 3]), een ‘normale gozer met studieschuld’. Uit hetgeen eerder is weergegeven, in het bijzonder ook de verklaring van [betrokkene 12] , volgt dat dit gaat over [betrokkene 12] . [medeverdachte 1] reageert daarop met ‘top’. Hij weet kennelijk waar het over gaat en reageert instemmend.
Daarnaast blijkt uit WhatsApp-berichten dat [betrokkene 14] werkzaam was voor [medeverdachte 1] . Zo vraagt [betrokkene 14] regelmatig aan [medeverdachte 1] of ze kunnen afspreken en of hij geld kan krijgen. Op 8 maart 2018 laat [betrokkene 14] aan [medeverdachte 1] weten: ‘heb alleen nog € 30,00 in me zak zitten dus als je iets zou kunnen regelen zou fijn zijn’. Ook vraagt [betrokkene 14] zowel op 12 als op 14 maart 2018 of hij ergens naartoe moet komen en voegt hij daar op 12 maart 2018 aan toe of hij misschien een voorschot kan krijgen. Voorts vraagt [betrokkene 14] aan [medeverdachte 1] op 13 maart 2018 of het misschien een idee is als hij in de tussentijd een parttime horeca baantje zoekt en vraagt [betrokkene 14] op 16 maart 2018 of [medeverdachte 1] hem vandaag nog nodig heeft. Die reageert daarop door te zeggen dat hij zijn ding gewoon moet gaan doen en hij hem bericht als er wat is, dat hij dan zijn kant uit komt. [betrokkene 14] reageert daarop dat hij ook ‘die [bijnaam 6] of [bijnaam 2] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 6] of [medeverdachte 5]) kan langs sturen. Op 20 maart 2018 stuurt [medeverdachte 1] aan [betrokkene 14] ‘je gaat [voornaam] (het hof begrijpt: [medeverdachte 5] ) zo zien’, waarop [betrokkene 14] vraagt of hij cash bij zich heeft.
[betrokkene 12] heeft met tussenkomst van [betrokkene 14] , [bedrijf 10] op zijn naam gezet en een bankrekening geopend. Dit gebeurde met instemming van [medeverdachte 1] . Het was [medeverdachte 3] die vervolgens de bankrekening van het bedrijf gebruikte. Dat [medeverdachte 1] boven ‘de afdeling van [medeverdachte 3] ’ stond, blijkt uit het navolgende.
Uit de bewijsmiddelen volgt namelijk dat [medeverdachte 3] in ieder geval van december 2017 tot maart 2019 voor [medeverdachte 1] werkzaam is geweest. Het hof slaat daarbij onder meer acht op de vertrouwelijke communicatie die door de politie is opgenomen (OVC) in het kantoor aan de [straatnaam 3] in Rijswijk. [betrokkene 16] , heeft verklaard dat [medeverdachte 3] (in ieder geval samen met [medeverdachte 2] ) dit kantoorpand in gebruik heeft gehad van september 2019 tot 29 september 2020. Daarnaast heeft [medeverdachte 3] van mei 2019 tot september 2019 gebruik gemaakt van het pand aan de [adres 4] te Den Haag. Ook in dat kantoor is vertrouwelijke communicatie opgenomen. Het hof gaat ervan uit dat de OVC-gesprekken vanwege onder meer de stemherkenning kunnen worden toegeschreven aan de gespreksdeelnemers die in de transscripties worden genoemd.
Op 19 maart 2020 zijn [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (H) en [medeverdachte 4] (K) in de kantoorruimte aan de [straatnaam 3] in Rijswijk. Zij hebben het dan over [bijnaam 3] (de bijnaam van [medeverdachte 1]).
H: Ja, maar hoe is het met [bijnaam 3] ?
(…)
K: [bijnaam 3] ? Geen idee. Ik heb hem geloof ik al in geen vijf weken gezien of gehoord?
H: Nee, maar als ie je niet nodig heb of wat dan ook.
(…)
H: Maar ja, hoe heet dat eh, is natuurlijk eh allemaal een beetje kut gegaan en de reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. (…) Nou, gezegd eh, de mazzel en eh, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met eh, ehm [naam 3] samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende. (…) We zijn natuurlijk eh, zijn lekker bezig, maar we hebben altijd eh, eh een goeie ouwe bekende hadden we nodig die toch iets beter eh weet hoe het reilt en zeilt eh. (…) In de havens.
Het hof concludeert dan ook dat [medeverdachte 3] in elk geval tot één jaar vóór 19 maart 2020 – dus in elk geval tot maart 2019 – voor [medeverdachte 1] werkzaam was. Op enig moment hebben [medeverdachte 3] en ‘ [naam 3] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) de samenwerking zonder [medeverdachte 1] voortgezet.
Dit vindt ook bevestiging in een telefoongesprek gevoerd door [betrokkene 11] , de (toenmalige) echtgenote van [medeverdachte 3] , die kan worden gekoppeld aan telefoonnummer [nummer 13] . Zoals blijkt uit de politiesystemen, maakte [medeverdachte 3] op dat moment gebruik van telefoonnummer [nummer 14] . Zowel [betrokkene 11] als [medeverdachte 3] hebben deze telefoonnummers in het verleden zelf opgegeven aan de politie. Het hof gaat er dan ook vanuit dat deze nummers aan hen toebehoren. Op 2 oktober 2019 maakt [betrokkene 11] tegen [medeverdachte 3] over de telefoon een opmerking over ‘de tijd dat hij nog voor [bijnaam 3] werkte’.
Ook blijkt dit uit WhatsApp-chatgesprekken die zijn aangetroffen in de telefoon van [medeverdachte 1] met telefoonnummer [nummer 15] en de gebruiker van het telefoonnummer [nummer 16] . Dit nummer staat in de telefoon van [medeverdachte 1] opgeslagen onder ‘ [betrokkene 17] ’. Uit onderzoek van de politie op internet blijkt dat [betrokkene 17] eigenaar is van ‘ [bedrijf 21] ’. Op 22 december 2017 heeft er een chatgesprek plaatsgevonden tussen [medeverdachte 1] (P) en [betrokkene 17] (L).
P: Goedemorgen. Zal ik die jongen van mij straks laten langsrijden met die double red? Gr [bijnaam 5] .
L: Yes sir. Merci.
P: Je ziet die jongen van mij straks met die double red. [naam 2] heet hij. (…) Kan je het serie nr naar [naam 2] sturen. (…) Shared contact [naam 2] [medeverdachte 3] (tel nr. [nummer 14] ).
In dit gesprek noemt [medeverdachte 1] [medeverdachte 3] , van wie hij het telefoonnummer stuurt waarvan hiervoor ook is vastgesteld dat [medeverdachte 3] dat nummer gebruikt, ‘die jongen van mij’. Ook dit wijst erop dat [medeverdachte 3] (in elk geval vanaf december 2017) voor [medeverdachte 1] werkzaam is geweest.
Het hof stelt op grond van al het voorgaande vast dat Handelsmaatschappij [bedrijf 10] B.V. formeel is opgericht door [betrokkene 12] , maar na aansturing door en met tussenkomst van [betrokkene 14] en [medeverdachte 3] en met wetenschap van, en na goedkeuring door, [medeverdachte 1] .
Betrokkenheid verdachte bij [bedrijf 10]
Op 18 juli 2018 vond in de woning van (de ouders van) de verdachte een doorzoeking plaats. Kort na het moment dat de politie aanbelde verliet de verdachte via de achterdeur de woning. Hij had onder andere een laptop bij zich en verschillende (pgp) telefoons. Tegen de verbalisant die hem tegen hield verklaarde de verdachte aanvankelijk dat hij naar zijn stage moest, maar kort daarna dat hij geen stageplek had. Aanvankelijk wilde de verdachte ook zijn laptop(tas) niet afstaan. De verbalisant had – naar het oordeel van het hof terecht – dan ook de indruk dat de verdachte de laptop aan het zicht van de politie wilde onttrekken. De verbalisant heeft ter plekke in een iPhone van de verdachte gekeken en zag daarin onder andere een afbeelding van het paspoort van [medeverdachte 4] . De laptop is later onderzocht. Daarin zijn onder andere aangetroffen: e-mails van en aan [bedrijf 10] B.V., een briefhoofd van [bedrijf 10] B.V., bankafschriften van [bedrijf 10] B.V. en [bedrijf 11] B.V. en een factuur aan [bedrijf 10] B.V. t.a.v. [naam 5] [betrokkene 12] met betrekking tot kosten voor een ‘virtueel kantoor’.
Betrokkenheid [medeverdachte 1] bij [bedrijf 11]
Uit de bewijsmiddelen volgt dat ook [medeverdachte 1] betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 11] B.V. (hierna: [bedrijf 11] ). Hiervoor is al vastgesteld dat [medeverdachte 3] vergaande feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 11] . En dat [medeverdachte 3] in ieder geval in de periode tussen december 2017 en maart 2019 werkzaam was voor [medeverdachte 1] .
Verdere betrokkenheid van [medeverdachte 1] blijkt uit de omstandigheid dat op naam van [bedrijf 11] onder meer een Volkswagen Polo met kenteken [kenteken 3] is gehuurd. De bestuurder van deze auto, [betrokkene 22] , werd aangehouden op 7 maart 2019 en verklaarde toen dat de auto toebehoorde aan ene ‘ [bijnaam 5] ’ die gebruik maakt van telefoonnummer [nummer 15] . Dit is het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . In zijn politieverhoor verklaarde [betrokkene 22] daarnaast dat hij het voertuig via een kennis had geleend van ‘ [naam 12] ’ (het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ) die hem had verteld dat de auto van één van zijn bedrijven was.
De rekening van [bedrijf 11] is gevoed met enorme contante stortingen. Zo heeft [medeverdachte 3] tussen juni 2018 en januari 2019 in totaal € 262.280,00 op de rekening van [bedrijf 11] gestort. En [verdachte]
€ 20.720,00 en [medeverdachte 4] € 1.200,00.
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 1] , tot begin 2019, en in ieder geval rond de ten laste gelegde datum van het transport in oktober 2018, met [medeverdachte 3] , de feitelijke zeggenschap had over [bedrijf 11] B.V.. En daarbij komt nog het volgende.
Relatie tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4]
Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, heeft [medeverdachte 4] de container opgehaald nadat de verdovende middelen door de Belgische douane uit de container waren gehaald. Uit het dossier blijkt dat ook [medeverdachte 4] al langere tijd werkzaam was voor [medeverdachte 1] en containers voor hem reed. Dit blijkt uit het OVC gesprek van 19 maart 2020. Zoals hiervoor reeds is vastgesteld, waren [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] (H) en [medeverdachte 4] (K) op 19 maart 2020 in de ruimte op de [straatnaam 3] in Rijswijk. Zij hebben het vervolgens over [bijnaam 5] (waarmee onmiskenbaar [medeverdachte 1] wordt bedoeld):
K: Zo'n twee jaar geleden, zat [bijnaam 5] krap? Toen zegt ie tegen mij, joh, hoeveel heb jij nog thuis ligge? lk zeg, nou, 9 ruggen? (…) Hij zegt, kan ik, kan ik die lenen? lk zeg, ja, waarom niet. lk heb het. (…) Nou, dat is ook weg.
(…)
K: Ja, dat is denk ik in januari een volle bak d'r uit gehaald? (…) Der heb ik er laatst nog eentje uitgehaald, ook een volle bak. (…) Daar heb ik niks op gekregen.
(…)
H: wat heb je voor het laatst nog wat uitgehaald dan? Ook uit Antwerpen.
K: Ja.
H: Zonder problemen.
K: Ja. Zonder scan, fysiek, of iets dergelijks.
De dag daarvoor, op 18 maart 2020, is een gesprek opgenomen tussen [medeverdachte 3] (H) en [betrokkene 9] (RH), waaruit het hof afleidt dat ze voornemens zijn om [medeverdachte 4] als chauffeur te benaderen en zich afvragen of hij nog voor [medeverdachte 1] werkt:
H: [bedrijf 22] (opmerking hof: dat bedrijf stond op naam van [medeverdachte 4] ) dat is het BV-tje waar ie mee heen heeft gewerkt, ook voorheen voor zichzelf maar eh, ja, we moete effe kijke hoe of wat. Kijk, als hij zegt, joh, ik werk niet meer voor die [bijnaam 3] (de hof begrijpt: de medeverdachte [medeverdachte 1] ) en dit en dat, is ie, wilt ie werke, ja of nee. Kijk, dan kome wij, op gegeven moment komen wij gewoon weer eh, eh komen wij in contact en beeld ook met hem, maar dat is alleen maar, ja, kijk, als hij, als hij raar of steeds de. Kijk, hij kan nu geld verdiene.
(…)
H: Maar het gaat er effe om dat hij. Kijk, als hij in, in, in de ban zit nog, in de ring van die andere gast, dus eh, dus dat ie werkzaam is en dat ie dinge moet doen. Ja, dan kunnen we niet zoveel. Het is niet zo dat ie een hekel aan ons heeft of zo, maar het is gewoon even de vraag van eh, wat, wat is eh, eh, tot hoeverre is die eh in contact, wilt ie wel niet. Wilt ie niet.
RH: Nou.
H: Dan zegt ie, nou, dan doen we het niet.
RH: Ik heb een half woord nodig. Is dat een gentlemen's agreement dat je elkaars chauffeurs niet bevraagt? Is het dat?
Het hof stelt op basis van de hiervoor weergegeven gesprekken vast dat [medeverdachte 4] voor [medeverdachte 1] containers (‘bakken’) reed.
Samengevat houdt het voorgaande in dat [medeverdachte 1] – mede via [medeverdachte 3] – de feitelijke zeggenschap had over de dekmantelbedrijven [bedrijf 10] en [bedrijf 11] . Deze bv’s zijn verantwoordelijk geweest voor het transport en de betaling van het transport waar de 5.296 kilogram hennep zat verborgen. [medeverdachte 3] was ten tijde van het transport werkzaam voor [medeverdachte 1] en hield zich onder meer bezig met het regelen van katvangers, waarbij [betrokkene 14] voor hem een katvanger voor [bedrijf 10] heeft geregeld. Het telefoonnummer van [bedrijf 11] kan worden gekoppeld aan [medeverdachte 3] en hij heeft grote bedragen contant geld op de bankrekening van [bedrijf 11] gestort. En ook de verdachte heeft, als vermeld, geld op de rekening van [bedrijf 11] gestort en heeft eveneens betrokkenheid bij [bedrijf 10] omdat hij in de bij hem aangetroffen laptop documenten had opgeslagen met betrekking tot dit bedrijf.
Verder wijst het hof op het OVC-gesprek van 17 maart 2020 tussen [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] en [betrokkene 9] . [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek tegen [betrokkene 9] : “We hebben een chauffeur, een oudere chauffeur (het hof begrijpt: [medeverdachte 4] ), die heeft vroeger (…) gewerkt voor ons als groep zijnde (…) en die groep is uit elkaar gegaan, er zat één oplichter bij (…) die is er dus uitgewerkt en die komt nergens meer aan de bak. Alleen die chauffeur krijgt nog geld van die oplichter en die blijft een beetje plakken aan die oplichter. Voor die chauffeur hebben wij zat werk.”
[medeverdachte 3] zegt in het hiervoor al aangehaalde gesprek op 19 maart 2020 tegen [medeverdachte 4] : “De reden natuurlijk ook dat ik eh weg ben gegaan eh is natuurlijk ook omdat er niet betaald werd en eh ik was er gewoon een beetje klaar mee. Nou, gezegd eb, de mazzel en eb, dan weet natuurlijk wat het probleem is om wat dinge, andere dinge op te zette eh ook met en, ehm [naam 3] (het hof begrijpt: [medeverdachte 2] ) samen? Maar ja, dan zijn we een jaar verder en eh we hebben een en ander echt al opgezet en draaiende.”
Het hof leidt hieruit af dat de eerste criminele organisatie heeft bestaan tot ongeveer maart 2019. Hierna is een deel van de tot die organisatie behorende personen hun eigen weg gegaan. [medeverdachte 3] zegt immers op 19 maart 2020 dat zij al een jaar bezig zijn. Voor deelname aan deze eerste organisatie door [medeverdachte 2] bestaat net te weinig bewijs, omdat niets concreets over zijn handelen kan worden vastgesteld.
Conclusie
De beschreven criminele organisaties hadden een logistieke en financiële keten georganiseerd die de invoer van verdovende middelen mogelijk maakte. Binnen die organisaties werden bedrijven opgericht, bankrekeningen voor die bedrijven geopend, dekladingen gekocht, getransporteerd en (soms) opgeslagen. Ook werden er katvangers geregeld voor de dekmantelbedrijven en chauffeurs ten behoeve van het uiteindelijke transport van verdovende middelen naar Nederland. De organisaties maakten gebruik van een complexe structuur van bedrijven, waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was. Als bestuurder en/of aandeelhouder(s) van deze (dekmantel)bedrijven werden op “papier” zogenoemde katvangers gebruikt. De bankrekeningen behorend bij deze bedrijven werden (geheel of ten dele) door contante stortingen gevoed. Contant gestort geld werd regelmatig eerst naar bankrekeningen van andere bedrijven overgemaakt om de herkomst van de uiteindelijke betaling te verhullen. Bij het ‘reguliere’ e-mail verkeer met een expediteur, werd ondertekend met een valse/ fictieve naam. Bij de onderlinge communicatie werd gebruik gemaakt van zogenoemde encryptietelefoons.
[verdachte] stortte vanaf 2018 contant geld op de rekeningen van bij de verdovende middelen invoer betrokken dekmantelbedrijven zoals [bedrijf 11] en [bedrijf 11], en verzorgde websites van de betrokken dekmantelbedrijven, waaronder [bedrijf 1] en [bedrijf 4] . Op de onder hem in beslag genomen laptop stonden stukken met betrekking tot zowel [bedrijf 10] als [bedrijf 11] , die ook beide in verband kunnen worden gebracht met de invoer van verdovende middelen. En een kopie van het paspoort van de chauffeur [medeverdachte 4] stond in zijn telefoon. Voor een andere chauffeur, te weten [betrokkene 1] , heeft hij vervoersdocumenten geregeld. En hij zorgde ook voor encryptietelefoons waarvan medeverdachten gebruik hebben gemaakt.
Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte heeft behoord tot een op het plegen van de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven gericht samenwerkingsverband en dat hij daarnaast ook een aandeel heeft gehad in gedragingen die mede strekten tot dan wel verband hielden met de verwezenlijking van het binnen dat samenwerkingsverband bestaande oogmerk. De verweren van de verdediging worden dan ook verworpen.
Feit 6 – overtreding WWM
De verdediging heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd met betrekking tot feit 6 en zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Op 29 september 2020 heeft bij de verdachte thuis in [woonplaats 2] een doorzoeking plaatsgevonden. Hierbij zijn twee airsoftpistolen (balletjespistolen) aangetroffen. Onderzoek naar deze pistolen heeft uitgewezen dat het wapens zijn in de zin van artikel 2 lid 1, categorie 1 onder 7o van de Wet wapens en munitie. Verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard dat hij een van deze wapens bij een webshop heeft besteld en dat hij het andere wapen van een neef heeft gehad of misschien van de kermis komt en dat hij het daarna in de schuur heeft gegooid. Hieruit volgt dat de verdachte niet alleen over deze wapens kon beschikken maar zich ook bewust was van de aanwezigheid daarvan. Het onder 6 ten laste gelegde kan dan ook worden bewezen.
9. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
1.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2018 tot 1 maart 2019 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] , en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
-
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
-
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
-
artikel 11, vierde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen van verdovende middelen als bedoeld in lijst II van de Opiumwet;
-
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, te weten geldbedragen;
2.
hij in of omstreeks de periode van 1 maart 2019 tot 29 september 2020 in Nederland heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, welke organisatie bestond uit verdachte, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en die tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in:
-
artikel 10, vierde en vijfde lid Opiumwet, te weten het binnen het grondgebied van Nederland brengen en het afleveren en vervoeren van middelen als bedoeld in lijst I van de Opiumwet;
-
artikel 10a Opiumwet, te weten voorbereidingshandelingen om een feit bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen;
-
artikel 420 bis/ter van het Wetboek van Strafrecht, te weten gewoontewitwassen, dan wel opzettelijk witwassen van voorwerpen, te weten geldbedragen;
4.
subsidiair
meer personen, tezamen en in vereniging, op 2 september 2019 in Nederland, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland hebben gebracht ongeveer 6,58 gram heroïne, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 11 juni 2019 tot en met 2 september 2019 in Nederland, opzettelijk behulpzaam is geweest, door:
-
de chauffeur die de container met de (dek)lading en de heroïne zou vervoeren papieren informatie (in een envelop) over de container te overhandigen;
-
mededaders te voorzien van telefoons voorzien van de applicatie Sky-ecc (PGP-software) ten behoeve van afgeschermde communicatie over het transport van de container met de (dek)lading en de heroïne;
-
het maken van een website en mailbox voor de rechtspersonen [bedrijf 1] BV en [bedrijf 4] BV, welke rechtspersonen voor het transport van de container met (dek)lading en heroïne zijn gebruikt;
5.
hij op tijdstippen in de periode van 18 juni 2018 tot 29 september 2020 in Nederland, tezamen en in vereniging met één of meer anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij en/of zijn mededader(s) (telkens) voorwerpen (geldbedragen) voorhanden gehad en/of overgedragen terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat deze, hierna genoemde voorwerpen (geldbedragen) - onmiddellijk en/of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten:
-
verschillende contante geldbedragen (van in totaal 159.250,00 euro), welke geldbedragen door verdachte naar bankautomaten zijn meegenomen en aldaar zijn gestort op bankrekeningen van verschillende rechtspersonen;
-
verschillende geldbedragen (van in totaal 205.320 euro), welke door verdachte zijn ontvangen op diens privé rekening en welke bedragen vervolgens zijn overgeboekt naar andere bankrekeningen en daarna (deels) contant zijn opgenomen;
6.
hij op 29 september 2020 te [woonplaats 2] voorhanden heeft gehad twee wapens in de zin van artikel 2 lid 1, categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten twee airsoft pistolen.
Hetgeen onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
10 Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven als bedoeld in
artikel 10, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid en artikel 11, vierde lid, van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijven als bedoeld in
artikel 10, vierde en vijfde lid, artikel 10a, eerste lid van de Opiumwet.
en
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 4 subsidiair bewezenverklaarde levert op:
medeplichtigheid aan het medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.
Het onder 5 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van gewoontewitwassen.
Het onder 6 bewezenverklaarde levert op:
handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd.
11 Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 bewezenverklaarde uitsluit.
12 Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1, 2, 4 primair, 5 en 6 bewezen verklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 4 jaar met aftrek van voorarrest.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte, rekening houdend met een overschrijding van de redelijke termijn, zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 1116 dagen met aftrek van voorarrest waarvan 720 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De verdediging heeft gewezen op de geringe rol die de verdachte heeft gehad en die door de moeilijke thuissituatie enkel hand- en spandiensten heeft verricht. Daarnaast heeft de verdediging gewezen op de jonge leeftijd van de verdachte; zijn positieve ontwikkeling sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis; de langdurige behandeling die hij heeft gevolgd en nog steeds volgt bij De Waag; zijn huidige werk en het feit dat hij zijn schulden aanzienlijk heeft weten terug te brengen. Ten slotte heeft de verdediging gewezen op de overschrijding van de redelijke termijn. Verzocht wordt bij een strafoplegging met deze aspecten rekening te houden en hem in ieder geval geen gevangenisstraf op te leggen langer dan het al door de verdachte ondergane voorarrest.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft deelgenomen aan twee criminele (drugs)organisaties. Het doel van de organisaties was onder andere de invoer van cocaïne en heroïne naar Nederland. Daarbij werd onder meer gebruik gemaakt van een complexe structuur van bedrijven waarbij van een reguliere bedrijfsvoering geen sprake was en waarvan door de organisatie ingeschakelde katvangers de formele bestuurders waren. Op geraffineerde wijze werd zo getracht buiten het zicht te blijven. De rol van de verdachte binnen die organisatie was geenszins die van iemand die slechts hand- en spandiensten verrichtte. Hij regelde SkyECC-telefoons voor medeverdachten en heeft op afstand twee SkyECC-telefoons gewist. Verder maakte hij de websites en mailboxen voor de betrokken bedrijven en deed grote contante stortingen op de rekeningen van verschillende bedrijven en liet zijn eigen rekening gebruiken voor het storten en contant opnemen van grote bedragen.
Het deelnemen aan een criminele organisatie is een delict dat de openbare orde raakt. De strafwaardigheid van deelneming aan een criminele organisatie wordt niet alleen bepaald door de organisatiegraad en het ontwrichtende karakter daarvan voor de openbare orde, maar ook door de misdrijven die worden beoogd. Internationale drugstransporten worden als ernstige misdrijven gezien.
De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een internationaal drugstransport. Daarbij gaat het om een zeer grote hoeveelheid; in het kader van de straftoemeting gaat het hof uit van een hoeveelheid van 1.279 kilogram heroïne, zijnde de oorspronkelijke inhoud van de container.
Het is algemeen bekend dat verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Het gebruik van en de georganiseerde (internationale) handel in drugs leidt bovendien direct en indirect tot vele andere vormen van criminaliteit en vormt aldus een bron van overlast voor de samenleving. De verdachte heeft met zijn handelen kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin en zich niets aangetrokken van de maatschappelijke gevolgen. Dit acht het hof zeer kwalijk. Daar komt bij dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van gewoontewitwassen en heeft daarmee opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie onttrokken. Witwassen houdt verband met de onderliggende criminaliteit en tast de legale economie aan. Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het overtreden van de Wet wapens en munitie door het voorhanden hebben van twee airsoft pistolen. Dit laatste feit heeft overigens bij het bepalen van de straf geen rol gespeeld.
Persoon van de verdachte
Het hof heeft kennis genomen van de verschillende reclasseringsrapporten die over de verdachte zijn opgemaakt en het door de psycholoog opgestelde rapport van 16 maart 2021. In laatstgenoemd rapport wordt onder meer geconcludeerd dat het meerderjarigenstrafrecht als passend wordt gezien. Verder wordt verwacht dat de kans op recidive laag is. Geadviseerd wordt de feiten volledig aan de verdachte toe te rekenen. Er wordt geen forensische behandeling geadviseerd. Het hof neemt de conclusies over en volgt het advies de verdachte volledig verantwoordelijk te houden voor zijn daden.
Ook in het reclasseringsrapport van 28 oktober 2024 wordt geadviseerd het volwassenenstrafrecht toe te passen. Hoewel er in het rapport redenen worden genoemd voor toepassing van het jeugdstrafrecht, worden er ook contra-indicaties gezien. Zo wordt in het rapport benoemd dat het delict planmatig van karakter is geweest en de verdachte zich bewust in een criminele setting lijkt te hebben gemanifesteerd. Bij een veroordeling wordt een straf zonder voorwaarden geadviseerd. Het risico op recidive wordt ingeschat als laag. Gelet op de door de verdachte doorgemaakte positieve ontwikkeling zijn er geen aanknopingspunten om justitiële interventies in te zetten.
Het hof heeft ook acht geslagen op het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van de verdachte van 8 november 2024. Hieruit blijkt dat de verdachte in 2020, 2021 en 2022 een aantal strafbeschikkingen heeft opgelegd gekregen voor voornamelijk verkeersovertredingen. Nu de strafbeschikkingen zijn opgelegd na de bewezen verklaarde feiten is het bepaalde in artikel 63 Sr van toepassing. Gelet op de aard en omvang van de onderhavige zaak, heeft dit geen gevolgen voor de strafoplegging.
Het hof heeft oog voor de persoon van de verdachte zoals dat in de rapportages naar voren komt en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. In het voordeel van de verdachte wordt ook rekening gehouden met de positieve ontwikkeling die de verdachte vanaf de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft doorgemaakt. Gelet echter op de ernst van de feiten, de oriëntatiepunten voor de strafoplegging van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht en de op 24 juni 2021 door dit hof aan medeverdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] voor hun rollen als feitelijke “uithalers” van de heroïne in het onderzoek Astoria opgelegde gevangenisstraffen van respectievelijk 7 jaar, 7 jaar en 6 maanden en 6 jaar en 6 maanden, kan niet worden volstaan met de straf die door de advocaat-generaal is geëist. Het hof betrekt daarbij ook de hiervoor beschreven rol van de verdachte. Het ter zitting geschetste beeld als zou de verdachte een naïeve en beïnvloedbare jongeman zijn geweest volgt niet uit het dossier. Zo blijkt, zoals ook eerder in dit arrest genoemd dat, wanneer de politie in verband met een doorzoeking bij de woning [adres 11] aanbelt, de verdachte via de tuin met een laptoptas probeert weg te komen. Wanneer hij door de daar ook aanwezige politieambtenaar wordt aangesproken en verzocht de tas te overhandigen negeert hij deze aanwijzing en loopt door. Kennelijk wilde de verdachte de laptop aan het zicht van de politie onttrekken. Dit handelen is geenszins dat van een naïef persoon maar getuigt van een doelbewust en gezagsondermijnende actie. Bovendien volgt uit het dossier dat de verdachte keer op keer het besluit heeft genomen met de medeverdachten in zee te gaan.
Alles afwegende is het hof van oordeel dat in beginsel oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is.
Redelijke termijn
De redelijke termijn is in hoger beroep overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat, nu de verdachte zich in een geschorste voorlopige hechtenis bevindt, de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen vierentwintig maanden. Namens de verdachte is appel ingesteld op 20 juli 2022 terwijl het hof arrest wijst op 10 januari 2025. De redelijke termijn is daarmee met iets minder dan 6 maanden overschreden. Gelet op deze overschrijding van de redelijke termijn, die niet aan de verdediging te wijten is, zal het hof dit verdisconteren in de strafoplegging en de beoogde gevangenisstraf verminderen tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden met aftrek van voorarrest waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Sv, aan de orde is.
13 Beslag
Onder de verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen, die nog niet zijn teruggegeven:
2. administratie (SKY ECC);
3. antraciet telefoon (Wileyfox, vermoedelijk encrypted device);
4. computer (Apple Macbook Air);
5. zwarte telefoon (Nokia met simkaartverpakking);
7. zilvergrijze telefoon (Apple iPhone);
8. zwarte telefoon (Apple iPhone);
9. zilveren computer (HP laptop inclusief oplader);
14. USB-stick (memorykaart, Kingston 100g3 datatraveller);
19. zwarte computer (HP Omen);
19. zwarte telefoon (zwarte iPhone 11 pro);
26. samengestelde computer;
32. jammer;
34. computer (Lenovo);
34. telefoon (iPhone A1660 zonder simkaart);
34. zwarte zaktelefoon (iPhone A1778, encryptie-device).
De hierboven weergegeven nummering komt overeen met de in het dossier aanwezige lijst van inbeslaggenomen voorwerpen.
Standpunten advocaat-generaal en verdediging
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de voorwerpen genoemd onder 2, 3, 14, 20 en 36 worden verbeurdverklaard. De overige voorwerpen kunnen volgens de advocaat-generaal worden teruggegeven aan de verdachte.
De verdediging heeft betoogd dat het voorwerp genoemd onder 20 aan de verdachte dient te worden teruggegeven. Ten aanzien van het voorwerp genoemd onder 14 refereert de verdediging zich aan het oordeel van het hof. De verdediging kan zich ten aanzien van de overige voorwerpen vinden in de beslissing van de rechtbank.
Beslissingen hof
Verbeurdverklaring
Het hof zal de in beslag genomen en niet teruggegeven encryptie-devices (cryptofoons) en administratie die daarop betrekking heeft (genoemd onder 2, 3 en 36), die aan verdachte toebehoren, verbeurd verklaren. De voorwerpen zijn daarvoor vatbaar, aangezien die voorwerpen tot het begaan van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten zijn bestemd.
Ook de onder 14 genoemde USB-stick zal worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerp tot het begaan van het onder 4 bewezenverklaarde feit is bestemd. Op de gegevensdrager zijn namelijk mailboxen aangetroffen, waaronder van de e-mailadressen [e-mailadres 6] , en [e-mailadres 1] , zijnde de e-mailadressen van de betrokken bedrijven in deze bewezenverklaring.
Het hof heeft bij het opleggen van deze bijkomende straf rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Bewaren ten behoeve van de rechthebbende
Het hof beveelt dat de in beslag genomen en niet teruggegeven jammer, genoemd onder 32 (waarvan de verdachte tijdens zijn verhoor (PD, p. 67) afstand heeft gedaan) zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
Teruggave aan de verdachte
Het hof zal gelasten dat de overige voorwerpen (genoemd onder 4, 5, 7, 8, 9, 19, 26, 34 en 35), die aan de verdachte toebehoren, aan de verdachte worden teruggegeven, nu niet is gebleken van een verband tussen deze inbeslaggenomen voorwerpen en de bewezenverklaarde feiten, noch van een andere mogelijke beslagbeslissing. Daarbij wordt opgemerkt dat mogelijk andere beslagtitels bestaan die aan feitelijke teruggave in de weg staan.
Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd, zal ook de onder 20 genoemde mobiele telefoon, die aan de verdachte toebehoort, aan de verdachte worden teruggegeven, nu ook ten aanzien van dit voorwerp niet is gebleken van een verband met de bewezenverklaarde feiten. De door de advocaat-generaal aangehaalde chatgesprekken zijn daarvoor niet zonder meer voldoende.
14 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 2, 10 en 11b van de Opiumwet, de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 48, 57, 63, 140 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.
BESLISSING
Het hof:
Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 primair en subsidiair tenlastegelegde en het derde gedachtestreepje onder feit 5.
Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2, 4 subsidiair, 5 en 6 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 (achtenveertig)) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 18 (achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd:
2. administratie (SKY ECC);
3. antraciet telefoon (Wileyfox, vermoedelijk encrypted device);
14. USB-stick (memorykaart, Kingston 100g3 datatraveller);
36. zwarte zaktelefoon (iPhone A1778, encryptie-device).
Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:
32. jammer;
Gelast de teruggave aan de verdachte van:
4. computer (Apple Macbook Air);
5. zwarte telefoon (Nokia met simkaartverpakking);
7. zilvergrijze telefoon (Apple iPhone);
8. zwarte telefoon (Apple iPhone);
9. zilveren computer (HP laptop inclusief oplader);
19. zwarte computer (HP Omen);
20. zwarte telefoon (zwarte iPhone 11 pro);
26. samengestelde computer;
34. computer (Lenovo);
35. telefoon (iPhone A1660 zonder simkaart);
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Iedema, mr. M.L. Leenaers en mr. J. Piena, in tegenwoordigheid van mr. R.M. ter Horst, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 januari 2025.
De griffier is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
proces-verbaal uitspraak
[...]