Strafrecht overig
Ontneming. Megazaak Rockdale I en II. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken…
ECLI:NL:GHAMS:2026:1694 · Gerechtshof Amsterdam · 26 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-1694
Zaakgegevens
Op 26 juni 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 juni 2026
- Datum publicatie
- 26 juni 2026
- Zaaknummer
- 23-000726-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:1694
Samenvatting
Ontneming. Megazaak Rockdale I en II. De betrokkene is veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van cocaïne. Hij heeft zijn manege aan derden ter beschikking gesteld voor het inrichten van een zeer groot cocaïnelaboratorium. Het hof stelt het bedrag dat betrokkene aan huurpenningen heeft ontvangen (7.000 euro) vast als wederrechtelijk verkregen voordeel en legt een betalingsverplichting tot betaling aan de Staat ter ontneming daarvan op.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 13 maart 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:1504Gerechtshof Amsterdam · 26 juni 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:1694
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000726-25
datum uitspraak: 26 juni 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigd raadsman)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2025 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-997073-20 tegen de betrokkene
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,
adres: [adres verdachte] .
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van € 30.138,16 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 23 augustus 2021 veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 18 juli 2020 tot en met 7 augustus 2020.
Voorts heeft de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 13 maart 2025 het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vastgesteld op een bedrag van € 30.138,16 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 25.138,16 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 juni 2026 veroordeeld wegens het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van cocaïne in de periode van 28 juli 2020 tot en met 7 augustus 2020.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 26 mei, 3 juni en 26 juni 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal (hierna: advocaat-generaal) en van hetgeen de raadsman naar voren heeft gebracht.
Vernietiging vonnis
Het vonnis zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep de vordering verminderd en gevorderd het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene vast te stellen op een bedrag van € 7.000,00 en, wegens overschrijding van de redelijke termijn, aan de betrokkene de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.850,00. De advocaat-generaal heeft in hoger beroep de grondslag van de vordering gewijzigd, in die zin dat uitsluitend wederrechtelijk verkregen voordeel dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van het door de betrokkene gepleegde strafbare feit bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt betrokken.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen, gelet op de bepleite vrijspraak in de strafzaak.
Met betrekking tot de hoogte van de gewijzigde vordering heeft de verdediging geen verweer gevoerd.
Oordeel van het hof
Uit het proces-verbaal berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van 8 juni 2021 volgt dat het wederrechtelijk verkregen voordeel is onderzocht over de periode 1 maart 2020 tot en met 7 augustus 2020, dus over een langere periode dan de pleegperiode van het bewezenverklaarde feit. Met de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene andere strafbare feiten heeft begaan die ertoe hebben geleid dat hij wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen. Het hof zal bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dan ook uitsluitend voordeel betrekken dat de betrokkene heeft verkregen door middel van of uit de baten van het door de betrokkene gepleegde strafbare feit.
Zoals overwogen is de betrokkene veroordeeld voor het medeplegen van het bewerken, verwerken en aanwezig hebben van cocaïne. De betrokkene heeft zijn manege aan derden beschikbaar gesteld voor het inrichten van een zeer groot cocaïnelaboratorium, dat ten tijde van de inval door de politie in werking was. Tijdens zijn verhoor bij de politie op 20 augustus 2021 heeft de betrokkene verklaard dat hij voor de verhuur van de manege in totaal een bedrag van € 7.000,00 heeft ontvangen. De opbrengsten van de verhuur zijn daarmee wederrechtelijk verkregen voordeel.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden.
In eerste aanleg heeft de betrokkene op 9 juni 2021 een oproep ontvangen voor de zitting van 24 juni 2021 waarop zowel de ontnemingsvordering als de strafzaak tegen de betrokkene werden behandeld. Vanaf dat moment kon de betrokkene verwachten dat het openbaar ministerie een ontnemingsvordering zou indienen, wat betekent dat er uiterlijk op 9 juni 2023 uitspraak had moeten worden gedaan in de ontnemingszaak. De rechtbank heeft op 13 maart 2025 uitspraak gedaan in de ontnemingszaak. Dit betekent dat in eerste aanleg de redelijke termijn met ongeveer een jaar en negen maanden is overschreden.
Namens de betrokkene is op 26 maart 2025 hoger beroep ingesteld in de ontnemingszaak. Het hof doet einduitspraak op 26 juni 2026. Dit betekent dat in hoger beroep de redelijke termijn niet is overschreden.
Een schending van artikel 6, eerste lid, EVRM zal in het algemeen leiden tot een matiging van de verplichting tot betaling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld. Nu de overschrijding in deze strafzaak, die tegelijkertijd met de ontnemingszaak is behandeld en wordt uitgesproken, in de op te leggen straf is verdisconteerd, volstaat het hof in deze ontnemingszaak met de constatering dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn.
Aan de betrokkene zal ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.000,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis en doet opnieuw recht.
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.000,00 (zevenduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 70 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.E. Kwak, mr. J. Piena en mr. V.J.M. Goldschmeding, in tegenwoordigheid van mr. C.T. Snellenberg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 4 juni 2026.
=========================================================================
[…]