Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
hij op of omstreeks 05 juni 2024 te Amsterdam , in elk geval in Nederland, als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en/of de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd, immers;
- heeft hij, verdachte, gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijk eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en/of de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en/of
- heeft hij, verdachte, onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en/of de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en/of heeft hij, verdachte, zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij, verdachte, in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en/of
- heeft hij, verdachte, tegen een fietser aangereden en/of gebotst, waarbij letsel aan personen, te weten [slachtoffer] , is ontstaan en/of schade aan goederen is toegebracht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 5 juni 2024 te Amsterdam , als bestuurder van een voertuig (een fiets), daarmee rijdende op de weg, de [plaats 1] en/of de [plaats 2] , zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, immers:
- heeft de verdachte gereden terwijl de beremming van het voertuig niet voldeed aan de wettelijke eisen (artikel 5.9.38 regeling voertuigen) en de beremming niet op de normale wijze mogelijk was, en
- heeft de verdachte onvoldoende aandacht gehouden voor de verkeerssituatie en de verkeersveiligheid ter plaatse, immers heeft hij een langzaam rijdende dan wel stilstaande fiets niet (tijdig) gezien en heeft de verdachte zijn snelheid niet zodanig geregeld dat hij in staat was om zijn voertuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was, en
- heeft de verdachte tegen een fietser aangereden en/of gebotst, waarbij letsel aan een persoon, te weten [slachtoffer] , is toegebracht.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De kantonrechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete van € 200,00 subsidiair vier dagen vervangende hechtenis.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straf als door de kantonrechter opgelegd.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich, als bestuurder van een fiets (fatbike), schuldig gemaakt aan gevaarlijk verkeersgedrag. Hij heeft – doordat de remmen van zijn fatbike niet naar behoren werkten – niet op tijd kunnen stoppen voor een stilstaande fietsster en is tegen haar aangereden/gebotst waardoor zij is gevallen en letsel heeft opgelopen. Zodoende heeft hij de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.
Gelet op de ernst van het feit en straffen die in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd zou in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke geldboete – zoals door de kantonrechter is opgelegd – gerechtvaardigd zijn.
In strafmatigende zin houdt het hof er echter rekening mee dat de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep spijt heeft betuigd en verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Daarbij is het hof ter terechtzitting in hoger beroep gebleken van de beperkte financiële mogelijkheden van de verdachte. Gelet op het voorgaande en met het oog op de hoogte van het toe te wijzen bedrag aan schadevergoeding aan de benadeelde partij, zal het hof ervoor kiezen om de geldboete in voorwaardelijke vorm aan de verdachte op te leggen.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 23.999,00, bestaande uit een bedrag van € 3.999,00 ter compensatie van materiële schade en een bedrag van € 20.000,00 als vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van (in totaal) € 18.512,75.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. Het bedrag van de vordering van (in totaal) € 23.999,00 is als volgt tot stand gekomen:
Medische kosten: € 576,04
Toekomstige tandartskosten: € 788,27
Ziekenhuisdaggeldvergoeding: € 140,00
Reiskosten: € 348,27
Huishoudelijke hulp: € 1.937,00
Verlies van zelfwerkzaamheid: € 209,42
Immateriële schade: € 20.000,00
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de vordering geheel moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente, en dat ter zake daarvan een schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep voor wat betreft de immateriële schade op het standpunt gesteld dat het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 15.000,00 in de gegeven omstandigheden buitensporig en disproportioneel is en dat de hoogte van het bedrag niet in lijn is met wat Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Ten aanzien van de materiële schade heeft hij de toekomstige tandartskosten, reiskosten en kosten voor huishoudelijke hulp betwist.
Ad a. (medische kosten), ad c. (ziekenhuisdaggeldvergoeding) en ad f. verlies van zelfwerkzaamheid
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte in dit verband tot een bedrag van € 925,46 (€ 576,04 + € 140,00 + € 209,42) rechtstreeks materiële schade heeft geleden, in aanmerking genomen dat de onderbouwde stellingen van de benadeelde partij dienaangaande van de zijde van de verdachte niet gemotiveerd zijn betwist. Dit deel van de vordering, dat het hof niet ongegrond of onrechtmatig voorkomt, ligt dan ook voor toewijzing gereed.
Ad b. (toekomstige tandartskosten)
Uit het dossier blijkt dat bij de benadeelde partij – als gevolg van het ongeval – een kies is afgebroken. Het hof is daarom van oordeel dat deze schade rechtstreeks het gevolg is van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Uit de bijlage achter het schadeopgaveformulier blijkt dat de kosten voor een kroon € 788,27 zijn. Daarmee heeft de benadeelde partij voldoende aangetoond dat de kosten het gevolg zijn van het handelen van de verdachte. Het hof wijst het gevorderde bedrag daarom toe.
Ad d. (reiskosten)
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, voor zover het reiskosten betreffen voor bezoeken aan de tandarts en het ziekenhuis, materiële schade heeft geleden tot een bedrag van € 248,24. Voor de overige genoemde materiële schade is onduidelijk of er een causaal verband is tussen die schade en het bewezenverklaarde handelen van de verdachte. Nader onderzoek hiernaar zou een onevenredige belasting voor het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan daarom in zoverre niet in de vordering worden ontvangen en de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ad e. (kosten huishoudelijke hulp)
De benadeelde partij heeft een bedrag van € 1.937,00 gevorderd ter zake van huishoudelijke hulp. Uit het dossier blijkt dat de benadeelde partij – die alleen woont – na het ongeval en de daaropvolgende heupoperatie niet in staat was om het huishouden te doen en dat moest uitbesteden, zodat voldoende is komen vast te staan dat de benadeelde partij op dat punt schade heeft geleden. Ter onderbouwing van deze schadepost is alleen de ‘Letselschade Richtlijn Huishoudelijke Hulp’ overgelegd. Met de raadsman is het hof van oordeel dat de kosten voor huishoudelijke hulp – mede gelet op de gegeven onderbouwing en de gemotiveerde betwisting – niet geheel toewijsbaar zijn. Het hof zal de kosten, conform het standpunt van de raadsman van de verdachte, begroten op € 1.066,00. Het overige deel wordt afgewezen.
Ad g. (immateriële schade)
Het hof is van oordeel dat genoegzaam is onderbouwd dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde feit immateriële schade heeft geleden. Er is sprake van objectief vastgesteld lichamelijk letsel in de zin van art. 6:106 onder b van het Burgerlijk Wetboek (BW). Bij het ongeval is de heup van de benadeelde partij gebroken. Zij is vier dagen in het ziekenhuis opgenomen geweest en is op 6 juni 2024 geopereerd om een totale heupprothese te kunnen plaatsen. De benadeelde partij heeft op dit moment nog dagelijks pijn aan haar heup en doordat een beenlengteverschil is ontstaan door plaatsing van de nieuwe heup zijn nieuwe klachten ontstaan aan de voet van de benadeelde partij, waardoor zij dagelijks pijn heeft met lopen. Daarnaast heeft zij bij het ongeval een gebroken kies opgelopen.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Verder dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. Concreet heeft het hof acht geslagen op de Rotterdamse Schaal (RS) in samenhang met de ‘Aanbevelingen rechtspraak voor de begroting van smartengeld op basis van art. 6:106 BW’ (rechtspraak.nl).
Ten aanzien van het heupletsel neemt het hof als uitgangspunt RS paragraaf 5.5, sub a, categorie III met als uitgangspunt een immateriële schadevergoeding tussen € 27.000,00 en € 36.000,00. Gelet op het voorgaande zal het hof de vordering voor wat betreft de geleden immateriële schade geheel toewijzen (€ 20.000,00).
Het hof gaat daarbij voorbij aan het standpunt van de raadsman die ter terechtzitting in hoger beroep heeft gesteld dat, door de betrekkelijke ernst van de overtreding, het bedrag aan immateriële schade in aanzienlijke mate naar beneden moet worden bijgesteld. Het hof overweegt in dat kader dat de vordering van de benadeelde partij een civielrechtelijke aangelegenheid binnen het strafproces betreft en dat de betrekkelijke ernst van het feit bij het vaststellen van de hoogte van het toegekende bedrag aan schadevergoeding van ondergeschikt belang is indien sprake is van lichamelijk letsel.
Totaal toegewezen bedrag
De verdachte is tot vergoeding van de hierboven weergegeven schade ter hoogte van (in totaal)
€ 23.027,97 gehouden. Echter is tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep gebleken dat de verdachte reeds € 700,00 aan de benadeelde partij heeft vergoed, zodat dit bedrag in mindering wordt gebracht op het hiervoor genoemde totaalbedrag, zodat uiteindelijk een totaalbedrag van € 22.327,97 overblijft. De verdachte is tot vergoeding van laatstgenoemd totaalbedrag gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente. Om te bevorderen dat die schade door de verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.
Beslissing
BESLISSING
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 2 (twee) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit € 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor een bedrag van € 871,00 (achthonderdeenenzeventig euro) aan materiële schade af (kosten huishoudelijke hulp).
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.
Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.
Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 22.327,97 (tweeëntwintigduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) bestaande uit
€ 2.327,97 (tweeduizend driehonderdzevenentwintig euro en zevenennegentig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.
Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 132 (honderdtweeëndertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.
Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.
Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 5 juni 2024 en voor de materiële schade op 12 mei 2025.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. M.J.A. Plaisier en mr. D. Greven, in tegenwoordigheid van
mr. S. Bonset, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
24 juni 2026.
mr. D. Greven is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.