Strafrecht overig
Bewezenverklaring medeplegen poging veroorzaken ontploffing en brand. Wisselende verklaringen afgelegd door…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2056 · Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2056
Zaakgegevens
Op 16 juli 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 16 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 23-002284-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2056
Samenvatting
Bewezenverklaring medeplegen poging veroorzaken ontploffing en brand. Wisselende verklaringen afgelegd door de (mede)verdachte(n) en de verklaring van de verdachte wordt dan ook ongeloofwaardig geacht. Het hof gaat er vanuit dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing en brandstichting zou worden veroorzaakt en dat dit plan onderweg naar de plaats delict niet is gewijzigd. Anders dan de rechtbank oordeelt het hof dat wel sprake is van een begin van uitvoering. Dat de lonten van de vuurwerk-brandstof-combinaties nog niet waren aangestoken en dat niet is vastgesteld dat de medeverdachte een aansteker of andere vuurbron bij zich had, doet hier niet aan af. Toepassing jeugdstrafrecht. Oplegging deels voorwaardelijke jeugddetentie. Beslag. Vordering bp afgewezen, wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag.
Procesgang
Rechtbank Noord-Holland · 23 september 2025
ECLI:NL:RBNHO:2025:10894Gerechtshof Amsterdam · 16 juli 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2056
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002284-25
datum uitspraak: 16 juli 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 23 september 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-042325-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2005,
adres: [adres 1] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 juli 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
primair
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) heeft gefabriceerd en/of - met voornoemde vuurwerk-brandstof-combinatie naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie(s) voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair
een of meer anderen op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing teweeg te brengen en/of brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en/of aangrenzende panden en/of de in voornoemde panden aanwezige goederen en/of,
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten (een) aanwezige(n) in voornoemde panden en/of (een) passant(en) en/of hulpverleners te duchten was met dat opzet
- met een of meer anderen met een auto naar Alkmaar is gereden en/of
- een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten (een fles met) snel ontbrandende vloeistof en/of een (daar aan vastgemaakt) explosief (een cobra 6) heeft gefabriceerd en/of - met voornoemde vuurwerk-brandstof-combinatie naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en/of (vervolgens)
- deze vuurwerk-brandstof-combinatie(s) voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk voorgenomen misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door
- een of meer dader(s) met een auto te vervoeren naar (de omgeving van) voornoemd pand en/of
- ( voor hem/hen)op de uitkijk te staan en/of
- zich met voornoemde auto gereed te houden teneinde voornoemde personen/persoon en zichzelf van een spoedige vlucht van de plaats van voornoemde ontploffing/brandstichting te verzekeren;
meer subsidiair
hij op of omstreeks 4 februari 2024 te Alkmaar, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten het teweegbrengen van een ontploffing en/of brandstichting in/bij het pand gelegen aan de [adres 2] waarbij gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is (artikel 157 Sr), opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten en/of vervoermiddelen, te weten een of meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinatie(s), te weten een explosief (een cobra 6) en/of (een fles met) snel ontbrandende vloeistof waarmee een ontploffing teweeg kan worden gebracht en/of waarmee brand kan worden gesticht en/of een voertuig, bestemd tot het begaan van dat misdrijf, heeft verworven, vervaardigd, ingevoerd, doorgevoerd, uitgevoerd en/of voorhanden heeft gehad.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Bewijsoverweging en bespreking van de verweren
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig haar requisitoir – gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
De raadsman heeft terechtzitting in hoger beroep – overeenkomstig zijn pleitnotities – bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair en subsidiair tenlastegelegde. Daartoe heeft hij aangevoerd dat geen sprake is van een begin van een uitvoering om een ontploffing teweeg te brengen of brand te stichten. Er was immers geen aansteker of een ontstekingsmechanisme voorhanden. Ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Feiten en omstandigheden
Het hof stelt op grond van de inhoud van het dossier en wat ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.
De medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] ) heeft op 2 februari 2024 aan de verdachte de opdracht gegeven om tegen betaling vuurwerk-brandstof-combinaties (hierna: VBC’s) bij een woning in Alkmaar te plaatsen. De verdachte heeft deze opdracht aanvaard en heeft daarop [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) ingeschakeld als uitvoerder. [medeverdachte 2] heeft zich tegen betaling bereid verklaard de VBC’s voor de woning te plaatsen. De verdachte heeft met [medeverdachte 2] via Snapchat gecommuniceerd over het verkrijgen van materialen voor de VBC’s. [medeverdachte 1] heeft [verdachte] via Snapchat laten weten waar hij cobra’s kon ophalen.
Op 4 februari 2024 heeft de verdachte de cobra’s vervolgens opgehaald in Amsterdam waarna hij eigenhandig twee cobra’s aan twee flessen wasbenzine heeft vastgeplakt. Diezelfde avond heeft de verdachte met zijn auto [medeverdachte 2] opgehaald in Utrecht. De VBC’s bevonden zich in een plastic tas in de auto. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen naar Alkmaar gereden. Bij aankomst is [medeverdachte 2] met een tas met daarin de VBC’s naar de voordeur van de [adres 2] gelopen. Hij heeft vervolgens de twee VBC’s voor de voordeur neergezet. Op dat moment reed de politie de straat in. [medeverdachte 2] zag de politie en rende weg.
Verklaringen van de verdachten
[medeverdachte 2] verklaarde bij zijn eerste politieverhoor dat het de bedoeling was om de VBC’s neer te leggen en niet om deze tot een ontploffing te brengen.
De verdachte verklaarde bij de rechter-commissaris (hierna: RC) dat hij wel wist dat er iets in de fik gestoken zou worden. Hij verklaarde voorts dat hij iemand moest ophalen en naar de locatie moest rijden (het hof begrijpt: om brandstichting te veroorzaken). Hij heeft het van tevoren met die andere jongen (het hof begrijpt: [medeverdachte 2]) erover gehad wat er precies moest gebeuren en bij aankomst hadden zij hun eigen plan getrokken. Hij verklaarde ook dat [medeverdachte 2] van gedachten was veranderd. Ter terechtzitting in eerste aanleg verklaarde de verdachte dat hij en [medeverdachte 2] het plan in de auto hadden gewijzigd.
[medeverdachte 1] verklaarde bij zijn tweede politieverhoor dat zij een explosief zouden plaatsen. Bij zijn derde politieverhoor verklaarde hij dat het de bedoeling was om een ontploffing teweeg te brengen, waarbij de verdachte als chauffeur zou fungeren en [medeverdachte 2] de VBC’s zou aansteken.
Het hof merkt op dat de verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd, die bovendien tegenstrijdig zijn met die van zijn medeverdachten, hetgeen niet bijdraagt aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.
Opvallend is dat hij heeft verklaard dat het plan onderweg is gewijzigd van het afsteken van de VBC’s naar het enkel voor de deur plaatsen daarvan. Deze verklaring legde de verdachte pas in een later stadium in het strafproces en na kennisname van het dossier af. Het hof acht het aannemelijk dat hij zijn latere verklaringen daarop heeft afgestemd. Hij wist toen dat [medeverdachte 2] had verklaard dat hij VBC’s alleen voor de deur zou zetten. Hierbij betrekt het hof in het bijzonder de inhoud van de chatgesprekken die de verdachten over en weer met elkaar hebben gevoerd die avond. Daaruit blijkt geenszins van het wijzigen van het plan, integendeel. Het hof acht de verklaring van de verdachte dat (uiteindelijk) op voorhand was besloten de VBC’s alleen voor de woning te plaatsen en de verklaring van [medeverdachte 2] dat het nooit zijn bedoeling was om de VBC’s tot ontploffing te brengen en dat hij daartoe ook de opdracht niet had gekregen, ongeloofwaardig en schuift deze terzijde.
Het hof gaat er dus vanuit dat het van meet af aan de bedoeling was dat een ontploffing en brandstichting zou worden veroorzaakt en dat dit plan onderweg naar de plaats delict niet is gewijzigd.
Begin van uitvoering
Voor een strafbare poging tot het plegen van een misdrijf is vereist dat het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Volgens de Hoge Raad is sprake van een begin van uitvoering indien de door de verdachte verrichte gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate waren gericht op de voltooiing van het misdrijf. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is geweest van een begin van uitvoering, komt het aan op de feiten en omstandigheden van het concreet voorliggende geval. Een belangrijke beoordelingsfactor daarbij is hoe dicht de vastgestelde gedragingen bij de voltooiing van het voorgenomen misdrijf lagen, bijvoorbeeld in tijd en/of plaats, en hoe concreet deze daarop waren gericht. Verder kan het bij een poging gaan om een samenstel van gedragingen, met inbegrip van die van eventuele andere deelnemers. De aard van het misdrijf kan van belang zijn, maar niet noodzakelijk is dat al een bestanddeel van het misdrijf is vervuld.
Het hof komt – anders dan de rechtbank – tot het oordeel dat sprake is geweest van een begin van uitvoering en overweegt daartoe als volgt.
In een chatgesprek dat [medeverdachte 1] op 4 februari om 19:53 uur met de verdachte voerde, is te zien dat [medeverdachte 1] hem een screenshot stuurde met de tekst: “ [adres 3] achternaam [persoon] moeten ze zoeken en daar laaien”. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat met ‘laaien’ werd bedoeld: uitvoeren, tot ontploffing brengen.
De verdachte heeft – vier dagen na het plegen van het tenlastegelegde – bij de rechter-commissaris verklaard dat hij “wel wist dat er iets in de fik gestoken zou worden”. [medeverdachte 1] heeft kort daarna tegenover de politie verklaard dat de verdachte de “driver zou zijn” en [medeverdachte 2] “zou het aansteken”. Deze verklaringen sluiten onmiskenbaar aan bij de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden.
Uit het dossier blijkt ook dat de opdracht in eerste instantie voor een woning aan de [adres 3] gold, dat de verdachte en [medeverdachte 2] daar in de buurt een tijd hebben staan wachten en dat zij vervolgens de opdracht kregen naar de [adres 2] te gaan. Zoals hierboven is overwogen, gaat het hof voorbij aan de verklaring van de verdachte en die van zijn medeverdachte [medeverdachte 2] dat zij de bedoeling hadden om de VBC’s enkel neer te leggen. Het hof gaat ervan uit dat zij de VBC’s voor de woning aan de [adres 2] wilden plaatsen en deze tot ontploffing wilden brengen. De verdachte en [medeverdachte 2] zijn met dit doel met de auto en de plastic tas met de geprepareerde VBC’s naar Alkmaar afgereisd. [medeverdachte 2] is met de tas met de VBC’s naar de woning aan de [adres 2] toegelopen. Al lopend pakte hij met zijn linkerhand iets uit de tas, bukte hij voor de deur en zette hij daar iets neer. Vervolgens zette hij nog iets neer en pakte hij, nog steeds gebukt, opnieuw de tas, zette deze tussen zijn benen en keek toen achter zich. Op dat moment reed de politie de straat in. [medeverdachte 2] zag de politie en rende weg. Deze handelingen zijn naar hun uiterlijke verschijningsvorm in voldoende concrete mate gericht op de voltooiing van het misdrijf. De gedragingen van [medeverdachte 2] lagen in tijd en plaats heel dicht bij de voltooiing van het misdrijf en [medeverdachte 2] zou het misdrijf hebben voltooid als hij niet was gestoord door de politie. Dat de lonten van de VBC’s nog niet waren aangestoken en dat niet is vastgesteld dat [medeverdachte 2] een aansteker of andere vuurbron bij zich had, doet hier niet aan af.
Gevaarzetting
Het hof is van oordeel dat in het geval van ontploffing van de VBC’s bij de woning aan de [adres 2] sprake zou zijn geweest van gemeen gevaar voor goederen, namelijk materiële schade aan die woning en/of aangrenzende woningen.
Het hof acht niet bewezen dat ook sprake zou zijn geweest van gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of levensgevaar. De woning aan de [adres 2] was immers reeds door de burgemeester gesloten en in de nacht van 3 op 4 februari 2024 was dan ook niemand in de woning aanwezig. Uit het dossier wordt verder niet duidelijk of de bewoners van nabijgelegen woningen thuis waren en, zo ja, waar zij zich bevonden op het moment van het plaatsen van de VBC’s bij de woning aan de [adres 2] . Evenmin volgt uit het dossier of zich nog andere personen in de (directe) omgeving van die woning bevonden.
De verdachte zal daarom van dit onderdeel van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.
Conclusie
Al het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
primair
hij op 4 februari 2024 te Alkmaar, tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ontploffing te weeg te brengen en brand te stichten, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten het pand gelegen aan de [adres 2] en aangrenzende panden en de in voornoemde panden aanwezige goederen, te duchten was met dat opzet
- met een ander met een auto naar Alkmaar is gereden en vervolgens
- meerdere zogenaamde vuurwerk-brandstof-combinaties, te weten een fles met snel ontbrandende vloeistof en een daaraan vastgemaakt explosief (een cobra 6) mee heeft genomen en vervolgens
- naar de woning aan de [adres 2] is gelopen en vervolgens
- deze vuurwerk-brandstof-combinaties voor de deur van voornoemd pand heeft neergezet,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Hetgeen primair meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het primair bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het primair bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van poging tot opzettelijk brandstichten en een ontploffing teweegbrengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het primair bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straf
De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg meer subsidiair bewezenverklaarde veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 200 dagen, waarvan 97 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de verdachte voor het primair tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 365 dagen, waarvan 263 dagen voorwaardelijk, met aftrek van het voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Zij heeft daarbij ook de oplegging van de door de rechtbank opgelegde bijzondere voorwaarden gevorderd.
De raadsman heeft terechtzitting in hoger beroep verzocht in geval van een bewezenverklaring verzocht het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte een onvoorwaardelijke straf niet langer dan het reeds ondergane voorarrest op te leggen, met daarbij een voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden. De raadsman heeft daarbij gewezen op het actualisatierapport van de reclassering van 29 juni 2026 en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarnaast is de verdachte een first offender en is hij nadien niet meer in aanraking gekomen met de politie en justitie.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan een poging om een ontploffing en brand te veroorzaken bij een woning in Alkmaar. Hij heeft de VBC’s opgehaald en voorbereid, is samen met de medeverdachte naar de woning toegereden, waarna de medeverdacht de VBC’s voor de deur heeft neergelegd. Het is aan waakzaam en alert optreden van de politie te danken dat het niet daadwerkelijk tot een explosie is gekomen. Dit feit is begaan in een periode waarin bij meerdere woningen in Alkmaar ontploffingen plaatsvonden. Dergelijke incidenten hebben een enorme impact op de direct betrokkenen en omwonenden, maar ook meer in het algemeen op de stad Alkmaar en haar inwoners. Onder andere tijdens bewonersbijeenkomsten is gebleken dat veel inwoners erg bang zijn. Dit soort feiten leiden tot ernstige gevoelens van onrust en onveiligheid en maken een grote inbreuk op de rechtsorde. Als gevolg van de ontploffingen en pogingen daartoe zijn meerdere locaties in Alkmaar aangewezen als veiligheidsrisicogebied en is ingezet op permanent cameratoezicht op en observatie van de betreffende woningen. Dit gold ook voor de woning aan de [adres 2] . Alle daarmee samenhangende hoge kosten komen voor rekening van de samenleving. De verdachte heeft met zijn gedrag aan deze gevoelens van onveiligheid een bijdrage geleverd. Daarbij heeft hij zich laten leiden door geldelijk gewin, met grove veronachtzaming van de voor de hand liggende belangen en gevoelens van de bewoners van de betreffende woning, omwonenden en overige inwoners van Alkmaar.
Gelet op de ernst van het feit kan naar het oordeel van het hof in beginsel niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan een straf die vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft bij het bepalen van de hoogte van de straf rekening gehouden met de LOVS-oriëntatiepunten voor straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. Dat sprake is geweest van een poging, waarbij enkel gevaar voor goederen is ontstaan, weegt het hof in strafmatigende zin mee.
In het voordeel van de verdachte houdt het hof rekening met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hieruit is gebleken dat de verdachte zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Hij is een eigen bedrijf gestart en werkt daarnaast nog 32 uur in de week bij de klantenservice van een pakketbezorgingdienst. Hij is met zijn ouders naar Ommeren verhuisd, waar hij zich thuis voelt en rust ervaart. Daarnaast heeft het hof kennisgenomen van het actualisatierapport van de reclassering van 26 juni 2026. De reclassering adviseert het jeugdstrafrecht toe te passen. Zij schat het recidiverisico laag in, alle doelen binnen het toezicht zijn behaald en de verdachte heeft een positieve gedragsverandering laten zien, waardoor reclasseringsbemoeienis niet meer nodig wordt geacht. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
Evenals de rechtbank en met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof, in navolging van het advies van de reclassering, van oordeel dat toepassing van het jeugdstrafrecht van belang is voor een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de verdachte.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het niet in het belang van de verdachte en de samenleving is dat de positieve ontwikkeling wordt geblokkeerd door oplegging van een straf die meebrengt dat hij opnieuw in de gevangenis belandt. Het hof zal daarom – met de rechtbank – een deels voorwaardelijke jeugddetentie van na te melden duur opleggen. Voor het opleggen van een contactverbod met de medeverdachten en een gebiedsverbod voor heel Alkmaar ziet het hof, mede gelet op het tijdsverloop sinds het bewezenverklaarde, onvoldoende aanleiding.
Beslag
Onder de verdachte is een voorwerp, te weten een telefoon (merk Apple iPhone), in beslag genomen en nog niet teruggegeven.
Het primair tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van het hierna te noemen in beslag genomen en niet teruggegeven voorwerp. Het behoort de verdachte toe. Het zal daarom worden verbeurd verklaard.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.
De advocaat-generaal heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep eveneens verzocht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Het hof overweegt als volgt, waarbij het zich grotendeels aansluit bij de overweging van de rechtbank.
De wet geeft slechts in bepaalde gevallen recht op vergoeding van immateriële schade, zoals geregeld in artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als – voor zover hier van belang – bij een benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van schade in zijn eer of goede naam, dient de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon te zijn aangetast, wil zij aanspraak kunnen maken op vergoeding van immateriële schade. Van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Voor het aannemen van een persoonsaantasting is niet voldoende dat sprake is geweest van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Nu bij de benadeelde partij geen sprake is van lichamelijk letsel of van aantasting in zijn eer of goede naam, dient voor toewijzing van de vordering vastgesteld te worden dat de benadeelde partij ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
In het onderhavige geval heeft de benadeelde partij geen objectieve gegevens overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde feit. Om die reden moet het hof kijken naar de aard en ernst van de normschending én de aard en de ernst van de gevolgen.
Hoewel goed invoelbaar is dat het bewezenverklaarde feit gevoelens van angst en onveiligheid heeft veroorzaakt bij de benadeelde partij, kan niet worden vastgesteld dat de aard van de normschending door de verdachte (een poging tot het teweegbrengen van een ontploffing bij een woning van de benadeelde partij) in het licht van de concrete omstandigheden van deze zaak (waarbij in ieder geval ook relevant is dat die woning reeds eerder was gesloten in verband met vergelijkbare incidenten) meebrengt dat psychisch letsel of andere schade als gevolg van het handelen door de verdachte zozeer voor de hand ligt dat schade in de vorm van een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Voor zover dus al sprake is van schade in de vorm van aantasting in de persoon op andere wijze, staat niet vast die schade in zijn gehele omvang het gevolg is van het bewezenverklaarde feit. De benadeelde partij heeft noch in eerste aanleg noch in hoger beroep concrete stukken overgelegd of een nadere toelichting gegeven waaruit blijkt dat hij schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde. Dit had ter ondersteuning van zijn – summier onderbouwde en bovendien in beide instanties betwiste – stelling, wel op zijn weg gelegen.
Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a, 45, 47, 77c, 77g, 77h, 77i, 77x, 77y, 77z, 77gg en 157 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het primair bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen.
Bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie, groot 97 (zevenennegentig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:
- 1 STK GSM (Omschrijving: PL1100-2024025862-G1571616, Apple).
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot schadevergoeding af.
Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.
Heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. C.J. van der Wilt en mr. S.C.C. Hes-Bakkeren, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 16 juli 2026.
De oudste en jongste raadsheer zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.