Strafrecht overig
Veroordeling verrichten beroepsvervoer met een vrachtauto zonder communnautaire vergoeding. Geheel…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2178 · Gerechtshof Amsterdam · 1 april 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2178
Zaakgegevens
Op 1 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 april 2026
- Datum publicatie
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- 23-002761-24
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2178
Samenvatting
Veroordeling verrichten beroepsvervoer met een vrachtauto zonder communnautaire vergoeding. Geheel voorwaardelijke GB van € 2.200,00 met een proeftijd van twee jaren.
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002761-24
datum uitspraak: 1 april 2026
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de economische politierechter in de rechtbank
Noord-Holland (Haarlem) van 6 november 2024 in de strafzaak onder parketnummer 15-231275-24 tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1960,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
18 maart 2026.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
zij op of omstreeks 17 maart 2023 te Arnhem, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A12, als een in Nederland of in een andere lidstaat gevestigde vervoerder, beroepsvervoer heeft verricht, althans heeft doen verrichten, met een vrachtauto (motorrijtuig of samenstel van voertuigen), te weten een bedrijfsauto, gekentekend [kenteken] , zonder (geldige) daartoe verleende communautaire vergunning.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.
Standpunten van partijen
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte beroepsvervoer verrichtte in opdracht van een ander bedrijf en niet wist dat hij zelf ook een vergunning nodig had.
Bewijsoverweging
De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij geprobeerd heeft een communautaire vergunning voor het vervoeren van goederen met zijn bedrijfsauto te krijgen, maar dat dit niet gelukt is omdat hij problemen heeft met begrijpend lezen. Op de dag dat verdachte werd aangehouden reed hij voor een ander bedrijf en verkeerde hij in de veronderstelling dat het afdoende was dat zijn opdrachtgever over een dergelijke vergunning beschikte.
Het hof overweegt als volgt. De verdachte heeft beroepsvervoer verricht met een vrachtauto zonder communautaire verguning. Zijn stelling dat hij niet wist dat hij hiervoor (zelf) een vergunning nodig had, werkt - wat hier ook van zij - niet verontschuldigend. Een algemeen uitgangspunt betreft immers dat een ieder die deelneemt aan het economisch verkeer in Nederland, op de hoogte hoort te zijn van de geldende wet- en regelgeving, zeker voor een branche waarin men zelf werkzaam is. Het verweer van de verdachte staat een bewezenverklaring dan ook niet in de weg en wordt verworpen.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
hij op 17 maart 2023 te Arnhem, op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de A12, als een in Nederland gevestigde vervoerder, beroepsvervoer heeft verricht met een vrachtauto (motorrijtuig of samenstel van voertuigen), te weten een bedrijfsauto gekentekend [kenteken] , zonder geldige daartoe verleende communautaire vergunning.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 2.5, eerste lid, van de Wet wegvervoer goederen
Strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.
Oplegging van straffen
De economische politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 4.400,00, waarvan € 2.200,00 voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke geldboete ter hoogte van € 4.400,00 met een proeftijd van twee jaren.
De verdediging heeft primair verzocht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht door aan de verdachte geen straf of maatregel op te leggen. Indien het hof toch tot strafoplegging komt, heeft de verdediging verzocht om overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal een geheel voorwaardelijke geldboete op te leggen, evenwel gematigd tot € 2.200,00. Meer subsidiair heeft de verdediging verzocht tot oplegging van een taakstraf. Hiertoe is aangevoerd dat de verdachte een zogeheten first offender is, dat hij sinds het tenlastegelegde niet opnieuw met justitie in aanraking is gekomen en dat zijn financiële situatie kwetsbaar is.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon en draagkracht van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft beroepsvervoer verricht zonder communautaire vergunning. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte de door de wetgever beoogde ordening van de markt voor het goederenvervoer over de weg verstoort en andere vervoerders, die zich er wel voor hebben ingespannen deze vergunning te verkrijgen, oneerlijke concurrentie aangedaan.
Het hof heeft geconstateerd dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 4 maart 2026 niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Anders dan de raadsman ziet het hof in hetgeen is aangevoerd geen aanleiding voor toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Verder is het hof van oordeel dat ook de door de advocaat-generaal gevorderde straf in de vorm van enkel een voorwaardelijke geldboete geen recht doet aan de ernst van het feit. Het hof zal, uit een oogpunt van normhandhaving, een taakstraf opleggen in combinatie met een geheel voorwaardelijke geldboete. Deze straf doet recht aan de ernst van het bewezenverklaarde feit en dient tevens, voor wat betreft het voorwaardelijk deel van de straf, als stok achter de deur ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.
Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf voor de duur van veertig uren en een geheel voorwaardelijke geldboete van € 2.200,00 met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en
artikel 2.5 van de Wet wegvervoer goederen.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 20 (twintig) dagen hechtenis.
Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 2.200,00 (tweeduizend tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige economische strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Senden, mr. P. Greve en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. L.M. van Leeuwen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 1 april 2026.
=========================================================================
[…]