Strafrecht overig

Profijtontneming. WVV uit ter beschikking stellen woning voor hennepkwekerij. Schatting WVV o.b.v. eigen…

Zaakgegevens

Op 16 april 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
16 april 2026
Datum publicatie
20 augustus 2026
Zaaknummer
23-002937-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2315
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Profijtontneming. WVV uit ter beschikking stellen woning voor hennepkwekerij. Schatting WVV o.b.v. eigen verklaring betrokkene: € 5.000,00 per oogst. Betalingsverplichting conform. Overschrijding redelijke termijn in strafzaak verdisconteerd.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002937-23

datum uitspraak: 16 april 2026 (ontneming)

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2023 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer

15-173927-22 tegen de betrokkene:

[betrokkene] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1963,

adres: [adres 1] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 32.988,26.

De betrokkene is bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 oktober 2023 veroordeeld voor – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk telen van hennep, opzettelijk aanwezig hebben van hennep en diefstal van elektriciteit en water.

De politierechter in de rechtbank Noord-Holland heeft bij vonnis van 31 oktober 2023 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 32.988,26 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.

De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 april 2026 veroordeeld voor onder meer – kort gezegd – medeplichtigheid aan opzettelijk telen van hennep en aan diefstal van elektriciteit en water en opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 2 april 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof ten aanzien van de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel en de vaststelling van de betalingsverplichting tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Grondslag van de ontnemingsvordering

De betrokkene is bij arrest van dit hof van 16 april 2026 onder meer veroordeeld voor de medeplichtigheid aan het op 10 september 2021 opzettelijk telen en bewerken van een groot aantal henneptoppen, -stekken en -planten. Op die datum is op het adres [adres 2] een hennepkwekerij aangetroffen. De betrokkene heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij de eigenaar was van dit pand, dat hij verbleef in dit pand en dat hij op de hoogte was van de hennepkwekerij. Hij heeft het pand bewust ter beschikking gesteld aan anderen die het pand gebruikten voor de exploitatie van een hennepkwekerij. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de betrokkene verklaard dat hij € 5.000,00 zou krijgen voor iedere partij, maar omdat er uiteindelijk niks is gekweekt heeft hij alleen € 4.000,00 gekregen voor de installatie van de hennepkwekerij op zijn adres.

Naar het oordeel van het hof zijn er gezien het vorengaande voldoende aanwijzingen dat de betrokkene uit andere feiten als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht wederrechtelijk voordeel heeft genoten.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op € 5.000,00, overeenkomstig de verklaring van de betrokkene dat hij € 5.000,00 voor iedere oogst zou krijgen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen reden is om te twijfelen aan de indicatoren die erop wijzen dat er sprake is geweest van een succesvolle eerdere oogst.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat de betrokkene niets aan de hennepkwekerij heeft verdiend, aangezien hij € 4.000,00 heeft gekregen voor de installatie van hennepkwekerij en met dat geld de kosten van Liander en PWN Waterleidingsbedrijf Noord-Holland (hierna: PWN) heeft betaald.

Het hof overweegt als volgt.

Het hof verenigt zich met wat in het ontnemingsrapport en het proces-verbaal indicatoren eerdere oogsten is opgenomen ten aanzien van het aantal gerealiseerde oogsten. In de inbeslaggenomen vuilniszakken zijn verdroogde en afgeknipte stelen van hennepplanten zonder bloemtoppen en divers knipafval aangetroffen. Op de kappen van de assimilatielampen was een egaal en ononderbroken laag stof waarneembaar. De deur van de kweekruimte was verontreinigd met hennephars, wat erop duidt dat de hennepplant is geknipt en hars heeft afgegeven. De aangetroffen koolstoffilters waren vervuild en verkleurd ten opzichte van de plek waar het ophangmechanisme was bevestigd. Op de schaartjes waren resten van hennep en hennephars zichtbaar. Daarnaast zijn er strijkzakken en lege jerrycans met groei- en bloeimiddelen aangetroffen. Ten slotte was sprake van toevoeging van CO2, wat voor een versnelling van de kweek zorgt. Gelet op het vorengaande is naar het oordeel van het hof sprake geweest van in ieder geval één eerder gerealiseerde oogst.

Het hof gaat bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van de verklaring van de betrokkene dat hij € 5.000,00 zou krijgen voor iedere oogst. Nu het hof ervan uitgaat dat er in ieder geval één eerder gerealiseerde oogst is geweest, zal het wederrechtelijk verkregen voordeel worden geschat op € 5.000,00.

Kosten

De verdediging heeft bepleit dat de factuurbedragen van Liander en PWN geheel in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat deze zijn voldaan. Het hof zal deze bedragen niet in mindering brengen op het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat deze factuurbedragen inmiddels door de betrokkene zijn betaald, is niet aannemelijk gemaakt.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Redelijke termijn

Het hof stelt vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in hoger beroep is overschreden. Namens de betrokkene is op 1 november 2023 hoger beroep ingesteld en het hof spreekt dit arrest uit op 16 april 2026. Het gaat daarmee om een overschrijding van ongeveer vijfeneenhalve maand. Nu deze overschrijding in de samenhangende strafzaak, die in hoger beroep tegelijkertijd met de ontnemingszaak is behandeld en waarop bij arrest van heden wordt beslist, in de straf is verdisconteerd, volstaat het hof in de ontnemingszaak met de constatering dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.000,00.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg en mr. W.S. Ludwig, in tegenwoordigheid van mr. S. Geensen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van

16 april 2026.

=========================================================================

[…]

Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij ex artikel 36e lid 2 Wetboek van Strafrecht (hierna: het ontnemingsrapport) van 20 juni 2017, p. 119; het proces-verbaal indicatoren eerdere oogsten van 3 juni 2022, p. 39 – 41. Het proces-verbaal van bevindingen indicatoren eerdere oogsten van 3 juni 2022, p. 39 en 40. Het ontnemingsrapport 20 juni 2017, p. 119.