Strafrecht overig

Bevestiging met dien verstande, vervangende bewijsoverweging, aanvullend bewijsmiddel

Zaakgegevens

Op 21 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
21 augustus 2026
Datum publicatie
21 augustus 2026
Zaaknummer
23-002050-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2346
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Bevestiging met dien verstande, vervangende bewijsoverweging, aanvullend bewijsmiddel

Procesgang

  1. Rechtbank Amsterdam · 29 augustus 2025

    ECLI:NL:RBAMS:2025:6905
  2. Gerechtshof Amsterdam · 21 augustus 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHAMS:2026:2346

    Overig

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002050-25

datum uitspraak: 21 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 augustus 2025 in de strafzaak onder parketnummer 13-181780-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1969,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 7 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Ontvankelijkheid van de verdachte in het hoger beroep

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder feit 2 primair en subsidiair is tenlastegelegd. Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is dan ook mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraak.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep – voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de strafoplegging – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof een bewijsmiddel toevoegt en een deel van de bewijsoverwegingen van de rechtbank (“De rechtbank acht deze verklaring… wetenschap van de verdovende middelen.”), opgenomen in het vonnis onder paragraaf 4.3, pagina 3, 6e alinea, vervangt door de navolgende bewijsoverweging.

Vervangende bewijsoverweging

Het hof overweegt als volgt.

Verbalisanten zien ter plaatse de verdachte en zijn zoon samen bij een groepje mannen weglopen en naar een auto toelopen. Eén van beiden draagt een witte tas. Nadat de verdachte en zijn zoon zijn ingestapt in de auto en zijn weggereden, geeft de politie hen een volgteken. Dit volgteken wordt genegeerd. Het voertuig komt vervolgens voor een dicht hek van een parkeergarage te staan. Een van de verbalisanten (een motoragent) roept de bestuurder van het voertuig (de zoon van de verdachte) aan en geeft een klap op het raam van de auto. Het hek van de garage gaat open en het voertuig rijdt langzaam naar binnen. De verdachte, die op de bijrijdersstoel zit, stapt uit en loopt in de richting van de verbalisant. De bestuurder van de auto geeft flink gas en rijdt hard de parkeergarage in. Op het moment dat de verbalisant het voertuig verder wil volgen en gas geeft, gooit de verdachte zijn schoudertas om het stuur van de motorfiets van de verbalisant. De motorfiets helt over naar de kant waarin de verdachte hem trekt. Even later worden de verdachte en zijn zoon aangehouden en wordt de auto doorzocht. Achterin de auto wordt een witte tas aangetroffen met daarin – naar later blijkt – heroïne.

Uit al deze omstandigheden in samenhang bezien, leidt het hof af dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn zoon de tas met heroïne opzettelijk heeft vervoerd en dat zij samen een poging hebben gedaan om aan de politie te ontsnappen, waarbij de verdachte heeft geprobeerd de motoragent te belemmeren om de auto met de drugs verder te volgen. Het verweer van de verdediging wordt verworpen.

Aanvullend bewijsmiddel

8. Een proces-verbaal van bevindingen van 14 juni 2025 met nummer PL1300-2025145739-14, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, p. Z10-Z13.

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van de opsporingsambtenaren, zakelijk weergegeven:

Vervolgens zag ik dat de Audi een ondergrondse garage inreed. Ik zag dat [persoon] trachtte naar binnen te rijden. Ik zag dat de bijrijder (verdachte [verdachte] ) uit het voertuig sprong, versneld op [persoon] afliep en een schoudertas die de verdachte bij zich droeg, om het stuur van de motorfiets van [persoon] gooide en trachtte hem omver te trekken. Ik zag dat [persoon] en zijn motorfiets naar rechts overhelde, de kant op waarin de verdachte hem trok.

Oplegging van straf

De rechtbank heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een gevangenisstraf van 9 maanden met aftrek van het voorarrest.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder feit 1 tenlastegelegde zal worden veroordeeld conform het vonnis van de rechtbank.

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep subsidiair bepleit dat het hof, gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zal volstaan met een gevangenisstraf die niet langer is dan het voorarrest in combinatie met een forse voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van het vervoeren van een ruime hoeveelheid heroïne. Het is een feit van algemene bekendheid dat harddrugs zoals heroïne schade kunnen berokkenen aan de gebruikers daarvan en kunnen leiden tot ernstige verslavingsproblematiek. Bovendien gaan de handel en het gebruik van drugs vaak gepaard met allerlei vormen van (zware) criminaliteit, wat zorgt voor overlast en onveiligheid voor de samenleving. Volgens de Oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) rechtvaardigt het voorgaande in beginsel de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden. In het geval van de verdachte houdt het hof echter rekening met een aantal strafverzwarende omstandigheden.

Uit het strafblad van de verdachte van 27 juli 2026 blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een soortgelijk feit. De verdachte heeft in deze zaak een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd gekregen van 32 maanden voor een vergelijkbaar drugsdelict en was op 13 juni 2025 – de pleegdatum in onderhavige zaak – nog maar kort daarvoor (onvoorwaardelijk) in vrijheid gesteld. Desondanks heeft de verdachte zich zo kort na zijn vrijlating wederom beziggehouden met (het vervoeren van) harddrugs. Hieruit leidt het hof af dat de verdachte kennelijk geen enkele lering heeft getrokken uit zijn eerdere handelen en de opgelegde straf. Bovendien is sprake van medeplegen, wat ook strafverzwarend werkt.

Gelet op het bovenstaande ziet het hof, anders dan de advocaat-generaal, aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur op te leggen dan de 9 maanden die door de rechtbank is opgelegd.

Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf van 12 maanden passend en geboden. Een andere straf dan een vrijheidsbenemende doet geen recht aan de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd en het strafblad van de verdachte.

Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep ten aanzien van het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde feit.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, maar alleen ten aanzien van de opgelegde straf, en doet in zoverre opnieuw recht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. Stalenhoef, mr. W.S. Ludwig en mr. M.T.C. de Vries, in tegenwoordigheid van mr. F. Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 21 augustus 2026.

Mr. W.S. Ludwig is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]