Strafrecht overig
Telkens: mishandeling en telkens: bedreigingen met de dood en met zware mishandeling. Gevangenistraf voor de…
ECLI:NL:GHAMS:2026:2595 · Gerechtshof Amsterdam · 28 augustus 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2595
Zaakgegevens
Op 28 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 augustus 2026
- Datum publicatie
- 9 september 2026
- Zaaknummer
- 23-000396-25
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2595
Samenvatting
Telkens: mishandeling en telkens: bedreigingen met de dood en met zware mishandeling. Gevangenistraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren. Oplegging van bijzondere voorwaarden en contactverbod. Nadere overweging vordering benadeelde partij.
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 6 februari 2025
ECLI:NL:RBAMS:2025:849Gerechtshof Amsterdam · 28 augustus 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2595
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000396-25
datum uitspraak: 28 augustus 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2025 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 13-336035-23 (zaak A) en 13-310159-24 (zaak B) tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1994,
adres: [adres] .
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 14 augustus 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsman en de advocaat van de benadeelde partij naar voren hebben gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en zal dit daarom bevestigen, behalve ten aanzien van de gestelde bijzondere voorwaarden – in zoverre zal het vonnis worden vernietigd – en met dien verstande dat het hof:
-
in zaak A het hierna te noemen bewijsmiddel niet opneemt;
-
in zaak A ten aanzien van feit 1 een nadere bewijsoverweging opneemt;
-
in zaak A ten aanzien van feit 2 een nadere overweging over de strafbaarheid van het bewezenverklaarde opneemt;
-
in zaak B ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij een nadere overweging opneemt;
-
in het licht van de bijzondere voorwaarden de strafmotivering vervangt; en
-
het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis opheft.
Het hiervoor bedoelde bewijsmiddel betreft:
- Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] , met nummer PL1300-2023285276-3 van 17 december 2023, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , doorgenummerde pag. 10.
Nadere bewijsoverweging in zaak A
De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van de mishandeling van [slachtoffer 1] (feit 1) heeft gehandeld uit noodweer, zodat hij van deze feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte de aangever en zijn vrienden aansprak op een discriminerende opmerking richting zijn vriendin. Vervolgens zou de verdachte door de aangever en zijn vrienden zijn omringd, waarna hij een klap tegen zijn achterhoofd kreeg. Daarna heeft de verdachte zich verdedigd door te slaan.
De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot verwerping van het noodweerverweer.
Het hof overweegt als volgt.
Het door de raadsman naar voren gebrachte scenario vindt geen steun in het dossier. Uit het dossier volgt juist dat de verdachte als eerste de aangever tegen het achterhoofd heeft geslagen, een gedraging die in de kern gezien aanvallend is, niet verdedigend. Het is daarom niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte genoodzaakt was zich te verdedigen.
De door de raadsman overgelegde WhatsAppberichten afkomstig van [getuige] , de (toenmalige) vriendin van de verdachte, waarin staat dat de verdachte als eerste tegen zijn achterhoofd is geslagen, leiden niet tot een ander oordeel. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat [getuige] hierover in haar verklaring tegenover de politie, afgelegd vrijwel direct na het incident, niet heeft verklaard en het hof aan die verklaring meer waarde hecht dan aan haar latere berichtgeving.
Het beroep op noodweer wordt verworpen.
Nadere overweging strafbaarheid van het bewezenverklaarde in zaak A
De raadsman heeft ten aanzien van de onder feit 2 in zaak A bewezenverklaarde bedreiging een beroep op noodweer gedaan.
Het hof overweegt als volgt.
Zoals hiervoor ten aanzien van feit 1 is overwogen, is niet aannemelijk geworden dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van de verdachte. Het beroep op noodweer wordt daarom verworpen.
Strafmotivering
De rechtbank Amsterdam heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, waaraan bijzondere voorwaarden zijn verbonden.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte dezelfde gevangenisstraf wordt opgelegd als door de rechtbank, waarbij aan het voorwaardelijke strafdeel de bijzondere voorwaarden worden verbonden zoals geadviseerd in het voortgangsverslag van de reclassering van 13 augustus 2026. Daarnaast heeft de advocaat-generaal gevorderd dat het eerder opgelegde contactverbod met [slachtoffer 2] wordt gehandhaafd.
De verdediging heeft bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou ertoe leiden dat hij zijn woning niet langer kan betalen en verder in de schulden raakt, terwijl hij thuis de zorg heeft voor een zwangere partner en een jong kind. Daarnaast heeft de raadsman erop gewezen dat de verdachte zich inmiddels in beter vaarwater bevindt en heeft hij te kennen gegeven dat de verdachte zich verenigt met de in het voortgangsverslag geadviseerde bijzondere voorwaarden en het contactverbod met [slachtoffer 2] .
Het hof heeft bij de beoordeling van de straf acht geslagen op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
Het hof sluit zich aan bij de volgende overwegingen van de rechtbank voor de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en de vaststelling van de duur daarvan:
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] door hen beiden op het hoofd te slaan en te stompen. Hierdoor heeft verdachte de lichamelijke integriteit van de slachtoffers aangetast en fysieke pijn veroorzaakt. Daarnaast heeft verdachte zich met geweld verzet tegen zijn aanhouding en opsporingsambtenaar [verbalisant 2] beledigd, waarbij hij grove scheldwoorden heeft gebruikt. Naast dat verdachte pijn en letsel heeft toegebracht aan [verbalisant 2] en het feit dat het geweld inbreuk maakt op de lichamelijke integriteit van deze opsporingsambtenaar, heeft verdachte geen respect gehad voor het gezag van de ambtenaar in functie en het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.
Ten slotte heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een drietal bedreigingen, waarbij hij heeft gedreigd met de dood en met zware mishandeling. Dat zijn ernstige feiten. Door zo te handelen heeft hij de slachtoffers - [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en opsporingsambtenaar [verbalisant 2] grote angst aangejaagd.
De feiten in zaak B zijn door verdachte tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis in Zaak A gepleegd. De rechtbank vindt het schokkend dat verdachte als gewaarschuwd man opnieuw iemand heeft mishandeld en bedreigd. Verdachte heeft in beide zaken door alcohol te gebruiken zichzelf in een geestestoestand gebracht waarin hij agressief handelt naar anderen toe. De rechtbank rekent dat verdachte aan. De rechtbank weegt daarnaast strafverzwarend mee de omstandigheden dat verdachte slachtoffer [slachtoffer 1] uit het niets en in de openbare ruimte heeft mishandeld en bedreigd en slachtoffer [slachtoffer 2] in de aanwezigheid van opsporingsambtenaren heeft geslagen en bedreigd.
Het hof heeft daarnaast acht geslagen op een uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende de verdachte van 30 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte meermaals onherroepelijk is veroordeeld voor geweldsdelicten.
Gelet op het voorgaande acht het hof, evenals de rechtbank, oplegging van een gevangenisstraf passend en geboden. De ernst van de bewezenverklaarde feiten, mede bezien in het licht van de eerdere veroordelingen voor geweldsdelicten, maakt dat naar het oordeel van het hof niet kan worden volstaan met een taakstraf.
Het hof heeft voorts kennisgenomen van de reclasseringsrapporten van 10 september 2024, 30 september 2024 en 16 januari 2025 en van het in hoger beroep uitgebrachte voortgangsverslag van 13 augustus 2026. Uit dit voortgangsverslag blijkt dat het klinisch recidiverisico nog steeds als hoog wordt ingeschat. De behandeling van de alcoholproblematiek is onvoldoende van de grond gekomen, onder meer vanwege wisselende motivatie en het geregeld niet nakomen van afspraken. Hoewel in de eerste helft van 2026 sprake was van een verbetering ten aanzien van het alcoholmisbruik, is recent sprake geweest van een terugval. De verdachte geeft aan Antabus te willen gebruiken om zijn alcoholgebruik terug te dringen. De reclassering acht het gebruik van Antabus op zichzelf echter onvoldoende en acht daarnaast verslavingsbehandeling noodzakelijk voor een duurzame aanpak van de alcoholverslaving. De verdachte onderhoudt wel contact met zijn toezichthouder en heeft aangegeven mee te willen werken aan voortzetting van het toezicht en, indien nodig, aan een kortdurende klinische opname. De reclassering adviseert bij een (deels) voorwaardelijke straf de volgende bijzondere voorwaarden op te leggen: een meldplicht, behandelverplichting, medewerking aan middelencontrole en dagbesteding.
Met de rechtbank is het hof van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden is. De door de verdediging aangevoerde persoonlijke omstandigheden leiden niet tot een ander oordeel over de strafmodaliteit en/of duur daarvan. Het voortgangsverslag van de reclassering geeft het hof wel aanleiding om de bijzondere voorwaarden te wijzigen. Het hof zal aan het voorwaardelijke deel de door de reclassering in het voortgangsverslag van 13 augustus 2026 geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden en een contactverbod met [slachtoffer 2] opleggen.
Nadere overweging vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] in zaak B
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.428,00 en bestaat uit € 7.428,00 aan materiële schade wegens toekomstige verhuiskosten en € 1.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 500,00.
De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep aanvankelijk opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering. De advocaat van de benadeelde partij heeft bij e-mailbericht van 6 augustus 2026 laten weten de vordering tot vergoeding van de materiële schade niet langer te handhaven. In hoger beroep resteert uitsluitend de vordering tot vergoeding van € 1.000,00 aan immateriële schade.
Het hof verenigt zich met de onderbouwing van en beslissing van de rechtbank om de vordering tot vergoeding van immateriële schade toe te wijzen tot een bedrag van € 500,00.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep ten aanzien van de gestelde bijzondere voorwaarden en doet in zoverre opnieuw recht.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat noodzakelijk vindt. De reclassering bepaalt op welke dagen en tijdstippen deze afspraken plaatsvinden.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd laat behandelen door het Forensisch FACT Inforsa of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder andere gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Indien er sprake is van een terugval in middelengebruik/bij overmatig middelengebruik en/of een zodanige verslechtering van de psychische toestand van de verdachte dat een kortdurende klinische opname voor detoxificatie/ stabilisatie/observatie/ diagnostiek/ crisisbehandeling noodzakelijk is, kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een dergelijke kortdurende klinische opname voor de duur van maximaal 7 weken. Dat kan alleen na een beslissing van de rechter.
Indien de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende klinische opname indiceert, nadat dit door de rechter is bevolen, laat de verdachte zich opnemen in een zorginstelling te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte medewerking verleent aan controle van het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak de verdachte wordt gecontroleerd.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich in spant voor het vinden en behouden van betaald werk, onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur. De dagbesteding draagt bij aan het voorkomen van delictgedrag.
Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd van twee jaar op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met: [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedag 2] 1984 te [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] ).
Van rechtswege gelden hierbij als voorwaarden dat de verdachte:
- meewerkt aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een geldig identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.
- meewerkt aan het hierna te noemen reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht, waaronder het meewerken aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dat noodzakelijk vindt;
Geeft opdracht dat de reclassering toezicht houdt op de naleving van de voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan begeleidt.
Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. H.A. van Eijk, mr. A.C. Bijlsma en mr. N.E. Kwak, in tegenwoordigheid van mr. R.C.E. van Tilburg, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 28 augustus 2026.
=========================================================================
[…]
[…]