Strafrecht overig

Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Strafrecht overig

Zaakgegevens

Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
22 september 2026
Datum publicatie
22 september 2026
Zaaknummer
23-000295-24
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2704
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

ontneming

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-000295-24

datum uitspraak: 22 september 2026

TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 6 februari 2024 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer
13-151378-22 tegen de betrokkene:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1997,

adres: [adres 1] ,

thans uit anderen hoofde gedetineerd in [detentieadres] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 14.825,00.

De betrokkene is bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 13 juni 2023 -kort gezegd- veroordeeld ter zake van:

  • feit 1: medeplegen van oplichting, en:

  • feit 2: diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft

verschaft door middel van valse sleutels.

De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 6 februari 2024 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.825,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw naar voren heeft gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot andere beslissingen komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

Standpunt advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep -samengevat- gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 4.447,50 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Hierbij voert de advocaat-generaal aan dat het totale voordeel, te weten € 14.825,00, moet worden gedeeld door drie personen omdat op de aankoopbon van Louis Vuitton zowel dames- als herenkleding in verschillende maten staan. Dit betekent dat het wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden geschat op € 4.941,67. In hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met zeven maanden, zodat een vermindering me 10% dient plaats te vinden en de betalingsverplichting vastgesteld dient te worden op € 4.447,50

Standpunt verdediging

De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de betrokkene enkel wat kledingstukken heeft gekregen. Subsidiair heeft zij zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een van de hieronder genoemde sporen:

  1. de verdeling dient plaats te vinden op basis van de rolverdeling in het onderzoek Dwarsfluit en daarmee pondspondsgewijs over zes personen (te weten twee coördinatoren, een beller, een chauffeur, een afhaler en een pinner). Het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op € 14.825,00 en vervolgens worden gedeeld door zes personen: € 2.470,83, of;

  2. de verdeling dient plaats te vinden op basis van een verdeling die door de rechtbank Rotterdam in onderzoek Dwarsfluit is vastgesteld op 17,99% ‘verantwoordelijkheid’, ondanks dat sprake is van een andere juridische grondslag. Dit leidt tot een bedrag van € 2.665,12, of:

  3. de verdeling dient plaats te vinden op basis van de bij betrokkene thuis aangetroffen aankoopbon van Louis Vuitton, waarbij het gaat om heren- en dameskleding in verschillende maten. Dit komt neer op een verdeling onder drie personen en daarmee een bedrag van € 4.941,67.

Oordeel van het hof

De betrokkene is in de strafzaak onherroepelijk veroordeeld voor het medeplegen van oplichting en voor diefstal met valse sleutels. Het hof stelt vast dat in de onderhavige zaak geen ontnemingsrapportage is opgemaakt. Wel zijn er enkele stukken uit het strafdossier gebundeld tot een ontnemingsdossier op basis waarvan aannemelijk is geworden dat de betrokkene uit de gepleegde feiten wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Op basis van het onherroepelijke strafvonnis staat vast dat de betrokkene bij Louis Vuitton met de pinpas van de aangeefster [aangeefster] kleding heeft gekocht voor een bedrag van
€ 9.825,00. Deze aankoopbon is bij betrokkene thuis aangetroffen. Ook is het de betrokkene geweest die met de pinpas van de aangeefster € 5.000,00 heeft gepind bij de geldmaat in de [adres 2] . Gezien het voorgaande schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel in beginsel op een bedrag van € 14.825,00.

Gebleken is dat bij het plegen van deze feiten meerdere rollen zijn vervuld. Anders dan de raadsvrouw heeft bepleit neemt het hof het veroordelend vonnis van 13 juni 2023 als uitgangspunt (en dus niet het onderzoek Dwarsfluit). Daarbij slaat het hof acht op de tenlastelegging in de strafzaak en op de getuigenverklaring van de heer [getuige] , welke getuige op verzoek van de verdediging bij het kabinet raadsheer-commissaris is gehoord. Bij het ten laste gelegde medeplegen van oplichting – waarvoor de betrokkene is veroordeeld – zien de eerste vier gedachtestreepjes op de rol van de beller en het vijfde gedachtestreepje op de rol van de ophaler. De getuige [getuige] heeft verklaard dat de betrokkene ergens een pinpas moest gaan ophalen en dat de betrokkene vervolgens ging pinnen. Uit de bakengegevens van het voertuig van de betrokkene volgt dat het voertuig op 29 juni 2021 om 14:49 uur zich bevindt op 100 tot 200 meter afstand ( [adres 3] ) van de woning van de aangeefster op het moment dat de pinpas bij haar thuis werd opgehaald. Tussen 15:27 en 16:51 uur bevindt de auto zich in de Jan Luijkenstraat. Deze straat ligt vlak achter de P.C. Hooftstraat waar om 16:31 uur de aankopen in de winkel Louis Vuitton hebben plaatsgevonden. De auto bevindt zich omstreeks 17:15 uur in de [adres 2] waar een pintransactie heeft plaatsgevonden bij een geldmaat. Op basis hiervan acht het hof aannemelijk dat de betrokkene zowel de rol van ophaler (feit 1) als pinner (feit 2) heeft vervuld. Voor de stelling van de verdediging dat de bestuurder van de auto sinds het vertrek uit [plaats] om 14:29 uur op enig moment is gewisseld, biedt het dossier geen aanknopingspunt en deze stelling is door de verdediging ook niet nader onderbouwd.

Buiten de ophaler en de pinner (tot twee keer toe) is nog sprake van een beller, maar over deze persoon zijn geen nadere gegevens bekend geworden. Dit betekent dat er drie rollen zijn vervuld bij het plegen van de strafbare feiten (beller, ophaler en pinner) waarvan de betrokkene er twee heeft vervuld. Het standpunt van de advocaat-generaal en de raadsvrouw dat op basis van de aankoopbon moet worden geconcludeerd dat het totaalbedrag moet worden verdeeld onder drie personen volgt het hof niet. Dat er sprake is van aangekochte heren- en dameskleding, waarbij dameskleding in maten L0 en M0 zijn aangeschaft, maakt zonder nadere onderbouwing of uitleg en in het licht van het voorgaande niet dat moet worden uitgegaan van drie bij de strafbare feiten betrokken personen en daarmee van een verdeling van het vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel over drie personen.

In het voordeel van de betrokkene acht het hof op basis van het voorgaande aannemelijk dat het wederrechtelijk verkregen voordeel van de betrokkene moet worden geschat op € 14.825,00 gedeeld door twee is € 7.412,50.

Verplichting tot betaling aan de Staat

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat sprake is van een schending van de redelijke termijn met zeven maanden en dat de betalingsverplichting dient te worden gematigd met 10% tot een bedrag van
€ 4.447,50.

De raadsvrouw heeft het hof verzocht, wegens de schending van de redelijke termijn, het vast te stellen wederrechtelijk verkregen voordeel te verminderen met een percentage van 10%.

Met de advocaat-generaal en de raadsvrouw is het hof van oordeel dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in hoger beroep is overschreden. Blijkens het dossier is op 13 juni 2023 door de officier van justitie aangekondigd dat dat er jegens betrokkene een ontnemingsprocedure aanhangig zal worden gemaakt. De rechtbank heeft vonnis gewezen in de ontnemingszaak op 6 februari 2024 en het hof doet uitspraak op 22 september 2026. Aldus is de redelijke termijn in hoger beroep met ruim zeven maanden overschreden.

Uitgaande van een redelijke termijn van twee jaren per instantie, stelt het hof vast dat de berechting in feitelijke aanleg – eerste aanleg en hoger beroep – is afgerond binnen het totaal van de voor elk van de instanties geldende termijnen. De procedure als geheel heeft ruim drie jaar en drie maanden geduurd. Het hof zal mitsdien volstaan met de constatering van de betreffende overschrijding in hoger beroep.

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 7.412,50.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 7.412,50 (zevenduizend vierhonderdtwaalf euro en vijftig cent).

Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 7.412,50 (zevenduizend vierhonderdtwaalf euro en vijftig cent).

Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 74 dagen.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. J.W.H.G. Loyson, en mr. A.M. Koolen - Zwijnenburg, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2026.

mr. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

=========================================================================

[…]

Aantekening mondeling vonnis van de politierechter van de rechtbank Amsterdam d.d. 13 juni 2023. Een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] d.d. 6 juli 2021 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , p. 3 en 4. Dit proces-verbaal maakt onderdeel uit van het ontnemingsdossier. Een proces-verbaal van bevindingen aantreffen aankoop bon Louis Vuiton (29/6/2021) d.d. 28 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 12 en 13. Dit proces-verbaal maakt onderdeel uit van het ontnemingsdossier. Een proces-verbaal van bevindingen ‘Vergelijking beeldmateriaal Geldmaat en Louis Vuitton met foto verdachte [verdachte] ’ met bijlagen d.d. 4 augustus 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] , p. 7 e.v. en een proces-verbaal van aangifte door [aangeefster] d.d. 6 juli 2021 met bijlage, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 1] , p. 6. Deze processen-verbaal maken onderdeel uit van het ontnemingsdossier. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 12 maart 2025, p. 2 onderaan en 3 bovenaan. Een proces-verbaal van verhoor van de getuige [getuige] bij de raadsheer-commissaris d.d. 12 maart 2025, p. 3 onderaan. Een proces-verbaal van bevindingen van 21 oktober 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , p. 14 en pagina 21 (Bijlage 3 met bakengegevens). Dit proces-verbaal maakt onderdeel uit van het ontnemingsdossier.