Strafrecht overig
Gerechtshof Amsterdam · Hoger beroep · Strafrecht overig
ECLI:NL:GHAMS:2026:2705 · Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghams-2026-2705
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof AmsterdamGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 23-003354-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2705
Samenvatting
ontneming
Procesgang
Rechtbank Amsterdam · 6 december 2022
ECLI:NL:RBAMS:2022:8192Gerechtshof Amsterdam · 22 september 2026deze uitspraak
ECLI:NL:GHAMS:2026:2705
Overig
Uitspraak
Inhoudsopgave
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-003354-22
datum uitspraak: 22 september 2026
TEGENSPRAAK (gemachtigde raadsvrouw)
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 6 december 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 13-049852-19 tegen de betrokkene:
[betrokkene] ,
geboren op [geboortedag] 1990 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
Procesgang
De betrokkene is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam van 14 december 2020 in de ter terechtzitting gevoegde strafzaken onder meer veroordeeld ter zake van:
-
zaak 1 (parketnummer 13-049852-19) met als slachtoffer [slachtoffer 1]
diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen; -
zaak 2 (parketnummer 13-178154-19 onder 1) met als slachtoffer [slachtoffer 2] en zaak 4 (parketnummer 13-178154-19 onder 3) met als slachtoffer [slachtoffer 3]
telkens; diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen; -
zaak 3 (parketnummer 13-178154-19 onder 2) met als slachtoffer [slachtoffer 4]
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd op de openbare weg door twee of meer verenigde personen.
Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 6.468,33.
De rechtbank Amsterdam heeft bij vonnis van 6 december 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 5.823,33 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen laatstgenoemd vonnis.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
8 september 2026 en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de raadsvrouw van betrokkene naar voren heeft gebracht.
Vonnis waarvan beroep
Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen met aanvulling van de gronden en behalve ten aanzien van de betalingsverplichting en de duur van de gijzeling. In zoverre wordt het vonnis vernietigd.
Nadere bewijsoverweging
Verkooppercentage Rolex-horloges
Uit het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art 36e 2e lid Sr’ (hierna: de ontnemingsrapportage) blijkt dat de politie op basis van uitgevoerd jurisprudentieonderzoek voor de opbrengst van de verkoop/heling van Rolex-horloges een percentage van 40% heeft gehanteerd. De verdediging heeft dit percentage betwist.
Het hof overweegt als volgt.
Uit genoemde ontnemingsrapportage blijkt dat de aankoopwaarde van een nieuwe Rolex Master II, model 116710BLNR Black 78200 Batman op internet varieert tussen € 15.000,00 en € 30.000,00. Gelet hierop is het aannemelijk dat aangever [slachtoffer 2] het horloge voor minimaal € 15.000,00 heeft gekocht. 40% daarvan is € 6.000,00. De medebetrokkene [medebetrokkene] heeft verklaard (in zaak 2) dat het gestolen horloge een paar dagen na de straatroof is verkocht voor € 7.200,00. Naar het oordeel van het hof biedt dit ondersteuning voor het in de ontnemingsrapportage gehanteerde percentage van 40%. Het hof zal mede daarom van dit percentage uitgaan.
De door de raadsvrouw aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad leidt niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het om ‘sieraden, horloges en andere kostbare voorwerpen’ welke zijn weggenomen bij een juwelier. In onderhavige zaak gaat het steeds om waardevaste horloges van het merk Rolex waardoor deze zaken niet vergelijkbaar zijn.
De verplichting tot betaling
Overschrijding redelijke termijn
Blijkens het dossier is op 2 oktober 2020 door de officier van justitie melding gemaakt van het feit dat er jegens betrokkene een ontnemingsprocedure aanhangig wordt gemaakt. De rechtbank heeft vonnis gewezen in de ontnemingszaak op 6 december 2022 en het hof doet uitspraak op 22 september 2026. Aldus is de redelijke termijn in totaal met bijna twee jaar overschreden. Het hof zal de termijnoverschrijding met € 823,33 compenseren (een percentage van ongeveer 14%) waardoor de betalingsverplichting uitkomt op: € 5.823,33 – € 823,33 = € 5.000,00.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis ten aanzien van de betalingsverplichting en de duur van de gijzeling en doet in zoverre opnieuw recht.
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 50 dagen.
Bevestigt het vonnis voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. J.W.H.G. Loyson, mr. A.M. Koolen – Zwijnenburg en mr. L.F. Roseval, in tegenwoordigheid van mr. B.K.M. Pouw, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 22 september 2026.
mr. Loyson is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
=========================================================================
[…]