Belastingrecht
Inkomstenbelasting. Zelfstandigenaftrek. Urencriterium. Bewijs.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 maart 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:1692 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 maart 2016
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2016-1692
Zaakgegevens
Op 1 maart 2016 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 1 maart 2016
- Datum publicatie
- 4 maart 2016
- Zaaknummer
- 15/00063
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2016:1692
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Inkomstenbelasting. Zelfstandigenaftrek. Urencriterium. Bewijs.
Procesgang
Uitspraak · 2014
ECLI:NL:RBGEL:2014:7591Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 maart 2016deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2016:1692
Bekrachtiging/bevestigingBekrachtigingDe hogere rechter laat de eerdere uitspraak in stand: de uitkomst blijft hetzelfde.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Afdeling belastingrecht
Locatie Arnhem
Nummer 15/00063
uitspraakdatum: 1 maart 2016
Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 11 december 2014, nummer AWB 14/3070, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amersfoort (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 55.732. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 246.
De aanslag en de beschikking inzake de heffingsrente zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, door de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorts nog een nader stuk ingediend.
Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.
Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 4 februari 2016 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende alsmede [A] en mr. [B] namens de Inspecteur.
Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 De vaststaande feiten
Belanghebbende is als financial accountant voltijds in dienstbetrekking werkzaam bij [C] b.v. te [Z] .
In 2008 is hij (volgens partijen) gestart met een onderneming onder de naam [D] . De activiteiten van de onderneming bestaan uit het geven van fiscaal advies en het verzorgen van administraties van kleine ondernemingen. De omzetten die hij in de jaren 2009 tot en met 2012 heeft gerealiseerd, zijn onderscheidenlijk: € 500, € 1.450, € 1.300 (2011) en € 1.253.
In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 heeft belanghebbende aanspraak gemaakt op toepassing van de zelfstandigenaftrek (€ 9.484) en startersaftrek (€ 2.123). In het kader van de aanslagregeling heeft belanghebbende aanvankelijk – desgevraagd – aan de Inspecteur verklaard dat hij in 2011 1.310 uren aan zijn onderneming heeft besteed. Vervolgens heeft belanghebbende de Inspecteur medegedeeld dat het om 1.552 uren gaat. Hij heeft de uren als volgt gespecificeerd:
|
Categorie |
Aantal uren Oude opgave |
Aantal uren Nieuwe opgave |
|
Kantoorwerk |
430 |
430 |
|
Studie |
880 |
880 |
|
Klantcontact |
242 |
|
|
1.310 |
1.552 |
Bij het vaststellen van de onderhavige aanslag heeft de Inspecteur de zelfstandigen- en startersaftrek niet toegepast. Volgens de Inspecteur heeft belanghebbende niet voldaan aan het zogenoemde urencriterium. Hiertegen heeft belanghebbende vergeefs bezwaar en beroep aangetekend.
3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen
In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek. Het geschil spitst zich toe op de kwestie of belanghebbende in 2011 heeft voldaan aan het urencriterium.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend en de Inspecteur ontkennend.
Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.
Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een aanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 45.518.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4 Beoordeling van het geschil
Voor de toepassing van de zelfstandigen- en startersaftrek dient de ondernemer aan het urencriterium te voldoen (artikel 3.76, leden 1 en 3, Wet inkomstenbelasting 2001). Onder het urencriterium wordt in dit verband verstaan, het gedurende het kalenderjaar besteden van ten minste 1.225 uren aan werkzaamheden voor een onderneming waaruit de belastingplichtige als ondernemer winst geniet (artikel 3.6, lid 1, Wet inkomstenbelasting 2001).
Nu de Inspecteur gemotiveerd betwist dat belanghebbende in 2011 heeft voldaan aan het urencriterium, rust op belanghebbende de last zulks aannemelijk te maken. Het ligt op zijn weg aan te tonen dat hij in 2011 ten minste 1.225 uren aan zijn onderneming heeft besteed.
Nog daargelaten de vraag of partijen te dezen terecht ervan zijn uitgegaan dat belanghebbende als ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001 kan worden aangemerkt, is belanghebbende naar het oordeel van het Hof volstrekt niet erin geslaagd aan zijn bewijslast te voldoen. Hij heeft in de fase van de aanslagregeling, bezwaar, beroep en hoger beroep op geen enkele – deugdelijke en betrouwbare – wijze het bewijs geleverd van het door hem gestelde aantal uren van 1.552. Evenmin heeft hij het bewijs geleverd dat ten minste 1.225 uren aan de onderneming zijn besteed. Betrouwbare onderliggende stukken die voor dat bewijs kunnen dienen ontbreken. Ter zitting in hoger beroep heeft belanghebbende op verschillende ter zake gestelde vragen van het Hof geen antwoord kunnen geven. Hij heeft ter zitting van het Hof eerder meer twijfel gezaaid over de besteding van het aantal uren dat door hem aan de genoemde activiteiten zou zijn besteed dan dat hij die aannemelijk heeft gemaakt.
Gelet op het hiervoor overwogene, hebben de Inspecteur en de Rechtbank terecht belanghebbende de zelfstandigen- en startersaftrek onthouden.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Nu de aanslag niet wordt verminderd, is er ook geen aanleiding voor een vermindering van de in rekening gebrachte heffingsrente.
Slotsom
Het hoger beroep is ongegrond.
5 Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. J. Lamens, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2016.
De griffier, De voorzitter,
|
A. Vellema |
R. den Ouden |
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 maart 2016
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.