Belastingrecht
IB/PVV. Diverse formele grieven. Negatief loon?
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 27 juni 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:5462 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 juni 2017
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/bestuursrecht/belastingrecht/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2017-5462
Zaakgegevens
Op 27 juni 2017 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 27 juni 2017
- Datum publicatie
- 29 juni 2017
- Zaaknummer
- 16/00748 t/m 16/00752
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Belastingrecht
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2017:5462
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
IB/PVV. Diverse formele grieven. Negatief loon?
Procesgang
Uitspraak · 2016
ECLI:NL:RBGEL:2016:3422Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 27 juni 2017deze uitspraak
ECLI:NL:GHARL:2017:5462
(Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaanVernietigingDe hogere rechter zet de eerdere uitspraak (deels) opzij en beslist zelf, of laat een andere rechter de zaak opnieuw doen.Meer uitleg
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN
Locatie Arnhem
nummers 16/00748 tot en met 16/00752
uitspraakdatum: 27 juni 2017
Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juni 2016, nummers AWB 15/3089, 15/4777, 15/4778, 15/6668 en 15/6676, in het geding tussen belanghebbende en
de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)
1 Ontstaan en loop van het geding
Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
De Inspecteur heeft bij beschikking afwijzend beschikt op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2010. Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De Inspecteur heeft in een geschrift het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.
De Inspecteur heeft bij beschikking afwijzend beschikt op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011. Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op het bezwaar.
De Inspecteur heeft in een geschrift het bezwaar ongegrond verklaard en het verzoek om toekenning van een dwangsom afgewezen.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.
Belanghebbende is tegen de onder 1.2., 1.4., 1.6. en 1.8. genoemde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).
Belanghebbende heeft de Inspecteur in gebreke gesteld te beslissen op een brief van 9 september 2015. Belanghebbende heeft beroep ingesteld, omdat de Inspecteur niet tijdig een besluit zou hebben genomen op de brief van belanghebbende van 9 september 2015.
De Rechtbank heeft zich – naar het Hof begrijpt – onbevoegd verklaard ter zake van de verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2009 en 2012, de verzoeken om toekenning van dwangsommen afgewezen, het beroep tegen het niet tijdig beslissen (1.10) niet in behandeling genomen en de beroepen voor het overige ongegrond verklaard.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2017. Belanghebbende is met voorafgaande kennisgeving aan het Hof niet verschenen. In die kennisgeving heeft belanghebbende niet verzocht om uitstel van de zitting en heeft hij evenmin op andere wijze aangegeven gehoord te willen worden. Het Hof acht het in het belang van beide partijen dat het Hof met voortvarendheid tot een uitspraak komt, teneinde een oordeel bekend te maken dat van belang is voor een reeks van bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsprocedures. Bij de zitting zijn tegelijkertijd de zaken met de nummers 15/01380 en 15/01381 behandeld.
Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.
2 Vaststaande feiten
Belanghebbende is in dienstbetrekking werkzaam geweest bij Stichting [A] te [Z] . Belanghebbende is vanaf 29 augustus 2007 niet meer in staat zijn werkzaamheden te verrichten. Hij heeft vanaf 1 februari 2008 recht op een uitkering ingevolge de ziektewet (hierna: ZW-uitkering).
In de beschikking terugvordering van een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (hierna: WW-uitkering) van 3 september 2012 van het UWV is het volgende opgemerkt:
“In onze toekenningsbrief van 22 augustus 2012 hebben wij u laten weten dat u de periode van 26 augustus 2009 tot en met 29 maart 2013 recht heeft op een WW-uitkering. Vanaf 1 april 2008 tot en met 5 november 2011 heeft u een WW uigekering van ons ontvangen; u heeft dus periode 1 april 2008 tot en met 25 augustus 2009 te veel WW-uitkering ontvangen. (…)
Wij hebben besloten dat wij het totale bedrag dat u teveel heeft ontvangen, van u terugvorderen. Het gaat om een bruto bedrag van € 52.323,83 inclusief vakantiegeld. Wij hebben in overleg met u periode 26 augustus 2009 tot en met 29 juli 2012 (bruto € 37.605,20) verrekend met het terug te vorderen bedrag. Het totaal van u terug te vorderen bruto bedrag bedraagt nu: € 52.323,83 - € 37.605,20 = € 14.718,63.”
In een beslissing op het bezwaar tegen voornoemde beschikking van 10 december 2012 heeft het UWV het volgende overwogen:
“De genoemde periodes en bedragen in de beslissing van 3 september 2012 zijn wel verwarrend. Het moet als volgt zijn.
Zoals uit de specificatie bij de terugvorderingsbeslissing te herleiden is, is over de periode 1 april 2008 tot en met 25 augustus 2009 bruto € 28.595,46 aan WW-uitkering aan u betaald. Dit bedrag is dus onverschuldigd aan u betaald omdat u over eerdergenoemde periode alsnog recht heeft op ZW-uitkering. De afdeling WW heeft een deel van het bruto bedrag van € 28.595,46 verrekend met de bruto WW-uitkering die u over een latere periode nog tegoed had, maar heeft niet het hele bedrag kunnen verrekenen.
Het bedrag dat niet verrekend kon worden bedraagt € 14.718,63. Dit bedrag moet u dus nog aan ons terug betalen dan wel moeten wij verrekenen met de ZW-uitkering die u over diezelfde periode nog tegoed heeft. (…).”
De rechtbank Midden-Nederland heeft in haar uitspraak van 6 februari 2014, nr. UTR 13/51 op het beroep van belanghebbende tegen voornoemde beslissing op bezwaar de beschikking terugvordering WW-uitkering vernietigd en het UWV opgedragen een nieuw besluit te nemen, ofschoon de rechtbank de herziening en terugvordering als zodanig juist heeft bevonden.
In de brief van 14 juli 2014 heeft het UWV een overzicht opgesteld waarbij de toegepaste verrekening opnieuw is toegelicht en is aangegeven in welke perioden belanghebbende recht had op een WW-uitkering en in welke perioden een ZW-uitkering. Op 20 maart 2014 heeft het UWV een nabetaling gedaan vanwege een verhoging van het dagloon. In de brief van 14 juli 2014 heeft het UWV aangegeven dat de verrekening volledig is afgehandeld.
Aanslag IB 2009 (16/00748)
Belanghebbende heeft aangifte gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 13.742. De aanslag IB/PVV is met dagtekening 27 juli 2011 overeenkomstig deze aangifte vastgesteld.
Belanghebbende heeft in zijn brief van 2 december 2012 het volgende geschreven:
“Betreft: uw brief d.d. 27 november 2012
(…)
Tevens: verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen 2008 t/m 2010
(…)
Vanwege een technische fout (te late ziekmelding door ex werkgever) kreeg ik vanaf 1 april 2008 t/m 31 augustus 2010 een WW-uitkering i.p.v. een ziektewetuitkering. Na bezwaar en beroep heeft het UWV deze WW uitkering stopgezet. (…)
Gezien bovenvermelde en op grond van artikel 65 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, verzoek ik u om ambtshalve vermindering van de aanslag van 2010 (…). Mocht u van mening zijn dat de aanslag definitief is vastgesteld, dan vraag ik u om ambtshalve een nieuwe aanslag op te laten legen op basis van de bovenvermelde invorderingen. Tevens verzoek ik u om ambtshalve nieuwe aanslagen m.b.t. de jaren 2008 t/m 2009.”
In zijn brief van 9 april 2015 verzoekt belanghebbende onder meer de aanslag IB/PVV 2009 te herstellen en om gehoord te worden. De Inspecteur heeft deze brief aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2009.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op bezwaar het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tevens heeft hij het bezwaar aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en daarop beslist geen vermindering toe te passen.
Beschikking afwijzing verzoek ambtshalve vermindering IB/PVV 2010 (16/00749)
In haar uitspraak van 25 juni 2013, nr. AWB 12/6171, heeft de Rechtbank op het beroep van belanghebbende tegen de aanslag IB/PVV 2010 het volgende overwogen:
“Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of in het jaar 2010 sprake is van negatief loon.
(…)
4 Beoordeling van het geschil
In de Wet inkomstenbelasting 2001 worden bedragen in beginsel in aanmerking genomen volgens het zogenoemde kasstelsel. In het onderhavige geval heeft dit tot gevolg dat bedragen in aftrek kunnen worden gebracht in het jaar waarin zij daadwerkelijk worden betaald.
Uit de beslissing op bezwaar van het UWV van 10 december 2012 blijkt dat eiser een bedrag van € 14.718,63 terug dient te betalen. Van een terugbetaling aan het UWV kan derhalve voor het eerst sprake zijn 2012. Eiser kan derhalve niet eerder dan in het jaar 2012 het bedrag van € 14.718,63 in mindering brengen op zijn inkomen als negatief loon.”
In zijn brief van 9 april 2015 verzoekt belanghebbende onder meer de aanslag IB/PVV 2010 te herstellen en om gehoord te worden. De Inspecteur heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
Bij beschikking van 22 april 2015 heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
De Inspecteur heeft op 26 mei 2015 het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de afwijzing ontvangen. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verwezen naar de jaaropgaven van het UWV en de nabetaling aan en verrekening door het UWV. Hij verwijst daarbij naar een brief van het UWV van 14 juli 2014 (zie onder 2.5).
In een bericht van 14 juli 2015 heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op het bezwaarschrift.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op het bezwaar van 28 juli 2015 het bezwaar afgewezen en bepaald dat belanghebbende geen recht op een dwangsom heeft.
Beschikking afwijzing verzoek ambtshalve vermindering IB/PVV 2011 (16/00750)
De Inspecteur heeft op 15 november 2013 de aanslag IB/PVV 2011 opgelegd in overeenstemming met de aangifte van belanghebbende.
In zijn brief van 9 april 2015 verzoekt belanghebbende onder meer de aanslag IB/PVV 2011 te herstellen en om gehoord te worden. De Inspecteur heeft deze brief aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering.
Bij beschikking van 22 april 2015 heeft de Inspecteur belanghebbendes verzoek om ambtshalve vermindering afgewezen.
De Inspecteur heeft op 26 mei 2015 het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de afwijzing ontvangen. Belanghebbende heeft in zijn bezwaarschrift verwezen naar de jaaropgaven van het UWV en de nabetaling aan en verrekening door het UWV. Hij verwijst daarbij naar een brief van het UWV van 14 juli 2014 (zie onder 2.5).
In een bericht van 14 juli 2015 heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het uitblijven van een uitspraak op het bezwaarschrift.
De Inspecteur heeft in zijn uitspraak op het bezwaar van 28 juli 2015 het bezwaar afgewezen en bepaald dat belanghebbende geen recht op een dwangsom heeft.
Bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013 (16/00751)
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV 2013 een bedrag van € 22.091 als negatief loon opgevoerd, dat volgens belanghebbende aan het UWV zou zijn terugbetaald. Nadat belanghebbende desgevraagd geen betalingsbewijzen van de terugbetaling had overgelegd, heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag dit bedrag niet in aanmerking genomen.
De Inspecteur heeft bij het vaststellen van het belastbare inkomen uit werk en woning rekening gehouden met de door het UWV in de jaaropgaven over het jaar 2013 genoemde uitkeringen.
Beroep tegen uitblijven beslissing bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2012 (16/00752)
De Rechtbank heeft in haar uitspraak van 28 juli 2015, nr. AWB 14/7924, onder meer beslist dat de aanslag IB/PVV 2012 dient te worden verminderd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.643 waarbij de Rechtbank rekening heeft gehouden met de vermeende terugbetaling aan het UWV van € 14.719 als negatief loon.
De Inspecteur heeft met als dagtekening 25 augustus 2015 de aanslag IB/PVV 2012, kenmerk [0000.00.000] .H.26.01 verminderd overeenkomstig de uitspraak van de Rechtbank van 28 juli 2015.
Bij brief van 9 september 2015 (de brief draagt abusievelijk als dagtekening 9 september 2012) heeft belanghebbende het volgende aan de Inspecteur geschreven:
“Betreft: Aanslag 2012
Uw kenmerk: [0000.00.000] .H.26.01 dagtekening 25 augustus 2015
(…)
Naar aanleiding van de bovenvermelde aanslag deel ik u mee dat de opgelegde aanslag met dagtekening van 25 augustus 2015 niet juist is. In 2012 heb ik in totaal € 20.699,80 netto ontvangen van het UWV. De in december 2012 ontvangen ZW-uitkering van 15.435,10 (€ 2.745,04 +12.690,06) zijn mijn ziektewetuitkering over 2008 t/m 2009 (zie bijlagen). Deze bedragen behoren daarom tot het belastingjaren 2008 en 2009. Over deze jaren heb ik in plaats van een ZW een WW-uitkering ontvangen. De ontvangen WW-uitkering is door het UWV bruto teruggevorderd. Ik verzoek u daarom de aanslag 2012 ambtshalve te verminderen met de in december 2012 ontvangen ZW-uitkering over de periode 1 februari 2008 t/m 25 augustus 2009.”
Met als dagtekening 22 oktober 2015 heeft belanghebbende de Inspecteur in gebreke gesteld vanwege het niet tijdig beslissen op zijn brief van 9 september 2015, waarbij hij heeft aangekondigd dat de Inspecteur een dwangsom zal verbeuren als hij niet binnen twee weken beslist.
Belanghebbende heeft op 5 november 2015 digitaal een beroepschrift ingediend, waarin hij beroep instelt tegen het uitblijven van een beslissing van de Inspecteur op de brief van 9 september 2015.
3 Geschil
In geschil is of:
-
de Inspecteur het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 ten onrechte niet- ontvankelijk heeft verklaard;
-
de Inspecteur ten onrechte geen beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2009 heeft vastgesteld.
-
de Inspecteur ten onrechte het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 heeft afgewezen;
-
de Inspecteur de hoorplicht heeft geschonden bij de behandeling van de bezwaarschriften tegen de beschikkingen afwijzing verzoek ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011;
-
de Inspecteur dwangsommen verschuldigd is geworden, omdat hij niet tijdig heeft beslist op de bezwaarschriften tegen de beschikkingen afwijzing verzoek ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011;
-
de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2013 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met negatief loon;
-
de Inspecteur een dwangsom verschuldigd is geworden, omdat hij niet tijdig heeft beslist op de brief van 9 september 2015;
-
de Inspecteur enig algemene beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden bij de behandeling van de verzoeken, aanslagregeling en bezwaarschriften.
Belanghebbende beantwoordt deze vragen bevestigend, de Inspecteur beantwoordt deze ontkennend.
4 Beoordeling van het geschil
Algemeen
Belanghebbende verwijst in hoger beroep naar hetgeen hij heeft aangevoerd in zijn bezwaarschiften, zijn beroepschriften bij de Rechtbank en hetgeen hij heeft aangedragen in de procedures bij het Hof met de nummers 15/01380 en 15/01381. Het Hof heeft laatstgenoemde zaken gelijktijdig behandeld en heeft hetgeen belanghebbende en de Inspecteur in die zaken hebben ingebracht in zijn oordeel betrokken.
Ter informatie van belanghebbende merkt het Hof op, dat enkel de voor bezwaar vatbare beslissingen van de Inspecteur, waartegen beroep en hoger beroep is ingesteld in hoger beroep aan de orde kunnen komen. Belanghebbende heeft in beroep noch in hoger beroep gesteld en het Hof is evenmin gebleken, dat de Inspecteur niet alle door belanghebbende aangedragen grieven tegen de beschikkingen heeft behandeld. Het Hof zal daarom aansluiten bij de door de Inspecteur in zijn uitspraken op bezwaar behandelde grieven.
Ontvankelijkheid bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 (16/00748)
Ingevolge artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 22j van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) aan met ingang van de dag na die van dagtekening van een aanslagbiljet of van de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De dagtekening van de aanslag IB/PVV 2009 is 27 juli 2011. Gesteld noch gebleken is dat de bekendmaking van de aanslag later heeft plaatsgevonden. De termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigt dan op 7 september 2011. Het bezwaarschrift tegen de aanslag IB/PVV 2009 is op 9 april 2015 door de Inspecteur ontvangen. Het bezwaarschrift is dus gelet op artikel 6:9, eerste lid, van de Awb te laat ingediend.
Belanghebbende verwijst nog naar de onder 2.7. genoemde brief van 2 december 2012. De Inspecteur geeft aan dat deze brief als een verzoek om ambtshalve vermindering is behandeld. Zelfs als deze brief met een voorwaardelijk verzoek als een bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 zou moeten worden aangemerkt, dan is deze nog buiten de termijn ingediend.
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft bij een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
Belanghebbende heeft als verklaring voor het moment van inzending van de brief van 2 december 2012 aangegeven, dat hij eerst na de brief van het UWV van 3 september 2012 van de terugvordering van de WW-uitkering op de hoogte was. Belanghebbende heeft voor het bezwaarschrift van 9 april 2015 als rechtvaardiging voor de termijnoverschrijding aangegeven, dat het eerst in 2015 duidelijk was dat de aanslag IB/PVV 2009 te hoog was vastgesteld, omdat – aldus belanghebbende – de in dat jaar genoten WW-uitkering nadien door het UWV is teruggevorderd.
Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende niet in staat was binnen de wettelijke bezwaartermijn tegen de aanslag IB/PVV 2009 bezwaar te maken. Een nadien opgekomen reden kan niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (vgl. HR 11 juni 2004, nr. 39.009, ECLI:NL:HR:2004:AP1368). Het Hof merkt de verrekening van de WW-uitkering aan als een na het verstrijken van de termijn opgekomen reden. Van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb is dan geen sprake.
De Inspecteur heeft daarom terecht het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2009 niet-ontvankelijk verklaard.
Voor zover belanghebbende stelt dat hij bezwaar kan maken tegen de weigering van de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2009 ambtshalve te verminderen, overweegt het Hof het volgende. De afwijzing van de ambtshalve vermindering is een ingevolge de belastingwet genomen besluit. De wetgever heeft een dergelijk besluit echter niet aangemerkt als een voor bezwaar vatbare beschikking. Dit brengt – gelet op het gesloten systeem van rechtsmiddelen – mee dat tegen de beslissing van de Inspecteur op een verzoek om ambtshalve vermindering ingevolge artikel 26, eerste lid, van de AWR in verbinding met artikel 7:1, lid 1, van de Awb geen bezwaar en beroep openstaat. Voor zover belanghebbende ook tegen deze beslissing beroep heeft ingesteld, had de Rechtbank zich onbevoegd moeten verklaren (vgl. HR 20 december 2013, nr. 12/02872, ECLI:NL:HR:2013:1797, BNB 2014/42).
Voor zover belanghebbende een beroep doet op artikel 9.6, derde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) en stelt dat de Inspecteur heeft nagelaten deze weigering in een voor bezwaar vatbare beschikking te vervatten, merkt het Hof het volgende op. Ingevolge artikel 9.6, derde lid, van de Wet IB 2001 dient bij geheel of gedeeltelijke afwijzing van een verzoek om ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV bij voor bezwaar vatbare beschikking te worden beslist. In artikel XXVII, eerste lid, onder a, van de Fiscale vereenvoudigingswet 2010 (Stb. 2009, 611) is bepaald dat artikel 9.6 van de Wet IB 2001 eerst toepassing vindt met betrekking tot belastingaanslagen IB/PVV ter zake van tijdvakken die aanvangen op of na 1 januari 2010. Nu het verzoek van belanghebbende betrekking heeft op de aanslag IB/PVV 2009 waarvan het tijdvak eindigt op 31 december 2009, is artikel 9.6 van de Wet IB 2001 in dit geval niet van toepassing.
Bezwaren tegen de afwijzende beschikkingen ambtshalve vermindering IB/PVV 2010 en IB/PVV 2011 (16/00749 en 16/00750)
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de beschikkingen waarin zijn verzoeken om ambtshalve vermindering van de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 zijn afgewezen. De Inspecteur heeft de bezwaren afgewezen omdat belanghebbende geen nieuwe argumenten en omstandigheden heeft aangedragen dan waarop de Rechtbank in haar uitspraak van 25 juni 2013 (onder 2.10) heeft beslist.
Ingevolge artikel 9.6, tweede lid, van de Wet IB 2001 wordt in bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen een onjuiste belastingaanslag door de inspecteur ambtshalve verminderd. In artikel 45aa van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 is bepaald, dat de inspecteur een belastingaanslag die op een te hoog bedrag is vastgesteld, ambtshalve vermindert zodra hem dat is gebleken en zich niet een van de uitzonderingssituaties heeft voorgedaan.
Het Hof begrijpt de stelling van de Inspecteur aldus, dat niet is gebleken dat de belastingaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld, omdat belanghebbendes verzoek in wezen gelijkluidend is aan belanghebbendes grief waarover de Rechtbank in haar uitspraak van 25 juni 2013 (onder 2.10) al heeft geoordeeld.
De Rechtbank heeft het inkomen uit werk en woning voor het jaar 2010 vastgesteld op dezelfde bedragen als in de jaaropgaaf waarnaar belanghebbende verwijst in zijn bezwaarschrift. De Rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat voor het eerst in de brief van 10 december 2012 van het UWV over een terugbetaling van de uitkering gesproken wordt, zodat niet eerder dan in het jaar 2012 sprake kan zijn van een negatief loon.
Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur terecht geoordeeld dat belanghebbendes verzoek op dezelfde feiten en omstandigheden gestoeld is als waarover de Rechtbank al heeft beslist. Hij heeft derhalve terecht de verzoeken om ambtshalve vermindering afgewezen, omdat niet gebleken is dat de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 op te hoge bedragen zijn vastgesteld.
De stelling van belanghebbende dat de toepassing van artikel 32c van de Wet op de loonbelasting 1964 door het UWV in het jaar 2012 met zich brengt, dat het in de jaren 2008 tot en met 2011 genoten loon wijziging ondergaat, vindt geen steun in het recht.
Belanghebbende beklaagt zich erover dat hij niet is gehoord in de bezwaarfase. De Inspecteur brengt hier tegen in dat hij van het horen heeft afgezien, omdat de bezwaarschriften kennelijk ongegrond zijn.
Van een kennelijk ongegrond bezwaar is sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie (Kamerstukken II, 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 146). Als voorbeeld van een geval waarin sprake kan zijn van een kennelijk ongegrond bezwaar noemt de wetgever onder meer een bezwaar dat zich richt tegen de afwijzing van een herhaalde aanvraag zonder dat in het bezwaarschrift melding wordt gemaakt van sedert het eerste besluit nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden.
Uit de verzoeken noch uit de bezwaarschriften volgt dat belanghebbende andere feiten of veranderde omstandigheden stelt dan die al door de Rechtbank zijn beoordeeld. De brief van het UWV van 14 juli 2014 maakt dit niet anders, omdat deze brief enkel een nieuw opgezette toelichting van de verrekening behelst. De Inspecteur heeft dan ook terecht het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Ingevolge artikel 4:19, eerste lid, van de Awb, heeft het beroep tegen de afwijzing van de ambtshalve vermindering mede betrekking op een beschikking tot vaststelling van de hoogte van de dwangsom. Het Hof zal belanghebbendes beroep gericht tegen het afwijzen van de dwangsommen behandelen.
Indien een beschikking op aanvraag niet tijdig wordt gegeven, verbeurt het bestuursorgaan ingevolge artikel 4:17, eerste lid, van de Awb aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is.
Ingevolge artikel 7:10, eerste lid, van de Awb, beslist het bestuursorgaan binnen zes weken op het bezwaar, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. De beschikkingen dragen als dagtekening 22 april 2015. In het onderhavige geval eindigde de bezwaartermijn van zes weken (artikel 6:7 van de Awb) voor beide beschikkingen op 3 juni 2015 en de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar in beginsel op 15 juli 2015.
Volgens vaste jurisprudentie is van een ingebrekestelling als bedoeld in artikel 4:17, derde lid, van de Awb, slechts sprake als deze plaatsvindt nadat de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken (CRvB 19 maart 2015, nr. 13/3067 AW, ECLI:NL:CRVB:2015:933). De ingebrekestelling van 14 juli 2015 voldoet niet aan deze voorwaarde aangezien de beslistermijn op dat moment nog niet was verstreken. Verder merkt het Hof nog op dat het niet mogelijk is om het bestuursorgaan al bij voorbaat in gebreke te stellen voor het geval niet tijdig zal worden beslist. Dan zou de ingebrekestelling immers zijn functie niet meer kunnen vervullen (Kamerstukken II, 2004-2005, 29 934, nr. 6, blz. 12).
De Inspecteur heeft belanghebbende daarom terecht geen dwangsommen toegekend.
Ten overvloede merkt het Hof nog het volgende op. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarover de dwangsom verschuldigd is, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Nu de Inspecteur binnen twee weken na de schriftelijke ingebrekestellingen uitspraken op bezwaar gedaan, is ook aan deze voorwaarde niet voldaan.
Bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2013 (16/00751)
Belanghebbende is van mening dat de Inspecteur ten onrechte een bedrag van € 22.091 niet als negatief loon heeft aangemerkt.
De Inspecteur betwist onder verwijzing naar de jaaropgaven van het UWV en het ontbreken van betalingsbewijzen dat belanghebbende in 2013 genoemd bedrag aan het UWV heeft terugbetaald.
Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt, dat hij genoemd bedrag aan het UWV heeft terugbetaald in 2013. De jaaropgaven en het onder 2.1 e.v. opgenomen procesverloop geven ook geen steun aan belanghebbendes stelling.
De Inspecteur heeft daarom terecht geen rekening gehouden met negatief loon.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op het verzamelinkomen en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
Beroep tegen het niet tijdig beslissen/dwangsom (16/00752)
Belanghebbende is in beroep gegaan omdat de Inspecteur niet tijdig een besluit heeft genomen op de brief van 9 september 2015. Daarnaast heeft de Inspecteur op 22 oktober 2015 een ingebrekestelling van belanghebbende ontvangen vanwege het niet beslissen op de brief van 9 september 2015.
In de uitspraak op het verzet van 27 juni 2017 heeft het Hof de brief van 9 september 2015 aangemerkt als een hogerberoepschrift. De uitspraak op het verzet is aangehecht aan deze uitspraak. De Inspecteur heeft terecht de brief van 9 september 2015 als hogerberoepschrift doorgestuurd aan het Hof. De Rechtbank heeft in haar uitspraak onder 28. terecht overwogen dat zij onbevoegd is het hogerberoepschrift te behandelen.
Nu de brief van 9 september 2015 als hogerberoepschrift wordt aangemerkt, is van een door de Inspecteur te nemen besluit op een beschikking op aanvraag geen sprake, zodat het beroep wegens het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk moet worden verklaard en een toekenning van een dwangsom niet mogelijk is.
Ten overvloede overweegt het Hof het volgende. Indien belanghebbende, anders dan het Hof heeft geoordeeld, met de brief tevens of alleen een verzoek om ambtshalve vermindering heeft willen indienen, heeft belanghebbende de Inspecteur ten onrechte, want voortijdig, in gebreke gesteld. Ingevolge artikel 6:12 van de Awb kan een beroepschrift dat is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, ingediend worden zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken na de dag waarop belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft medegedeeld dat het in gebreke is. Belanghebbende stelt dat hij in zijn brief van 9 september 2015 met een beroep op artikel 9.6 van de Wet IB 2001 om een ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2012 heeft verzocht. In de Wet IB 2001 is geen termijn gegeven waarbinnen de Inspecteur op een dergelijk verzoek moet reageren. Het Hof gaat daarom uit van de termijn voor een verzoek op aanvraag als bedoeld in artikel 4:13 van de Awb. Die termijn bedraagt acht weken en verliep op 4 november 2015. Nu belanghebbende de Inspecteur binnen die termijn in gebreke heeft gesteld, heeft de ingebrekestelling onterecht plaatsgevonden. Zonder ingebrekestelling is het niet mogelijk beroep in te stellen op grond van artikel 6:12 van de Awb, zodat het beroep dan niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Aangezien de Rechtbank niet expliciet alle beslissingen in het dictum heeft opgenomen of eenduidig heeft verwoord, zal het Hof de uitspraak van de Rechtbank vernietigen, de Inspecteur gelasten het griffierecht voor het hoger beroep te vergoeden en beslissen als de Rechtbank had behoren te doen. Nu de beslissing op bezwaar en de overige beslissingen in stand blijven, ziet het Hof geen reden voor een vergoeding van het griffierecht of de proceskosten voor het bezwaar en beroep.
Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep deels ongegrond, deels gegrond en deels niet-ontvankelijk.
5 Griffierecht en proceskosten
Het Hof ziet aanleiding voor vergoeding van het griffierecht en geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
6 Beslissing
Het Hof:
– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,
– verklaart de Rechtbank onbevoegd ter zake van de beslissing op het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2009,
– wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom ter zake van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de beschikking afwijzing verzoek ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2010 af,
– wijst het verzoek om toekenning van een dwangsom ter zake van het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de beschikking afwijzing verzoek ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PVV 2011 af,
– verklaart het beroep wegens het niet tijdig beslissen op de brief van 9 september 2015 niet-ontvankelijk,
– verklaart de Rechtbank onbevoegd kennis te nemen van het hogerberoepschrift van 9 september 2015 en
– verklaart het beroep voor het overige ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. G.B.A. Brummer, in tegenwoordigheid van mr. N. Huizenga als griffier.
De beslissing is op in het openbaar uitgesproken.
De griffier, De voorzitter,
(N. Huizenga) (R.F.C. Spek)
Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 29 juni 2017
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),
Postbus 20303,
2500 EH Den Haag.
Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.