Belastingrecht

Wet Woz. Proceskostenvergoeding.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 31 maart 2026

Zaakgegevens

Op 31 maart 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over belastingrecht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
31 maart 2026
Datum publicatie
2 april 2026
Zaaknummer
24/384
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:2008
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Wet Woz. Proceskostenvergoeding.

Procesgang

  1. Rechtbank Midden-Nederland · 19 december 2023

    ECLI:NL:RBMNE:2023:7343
  2. Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 31 maart 2026deze uitspraak

    ECLI:NL:GHARL:2026:2008

    Bekrachtiging/bevestiging

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer BK-ARN 24/384

uitspraakdatum: 31 maart 2026

Uitspraak van de tweede enkelvoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[belanghebbende] te [woonplaats] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 19 december 2023, nummer UTR 23/64, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Vijfheerenlanden (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [plaats] , per waardepeildatum 1 januari 2021 en naar de toestand op die datum, voor het jaar 2022 vastgesteld op € 410.000.

1.2.

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de beschikking en de aanslag gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft op 6 februari 2024 tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het Hof heeft partijen bij bericht van 23 juli 2025 gevraagd of zij ter zitting willen worden gehoord. Belanghebbende heeft verklaard van dat recht geen gebruik te willen maken. De heffingsambtenaar heeft binnen de gestelde termijn van twee weken daarop niet gereageerd. Het Hof heeft bij bericht van 27 januari 2026 aan partijen gemeld dat het gerechtshof het onderzoek heeft gesloten en dat zonder mondelinge behandeling schriftelijk uitspraak wordt gedaan.

2 Overwegingen

2.1.

Belanghebbende stelt dat een veroordeling in de vergoeding van proceskosten op zijn plaats is omdat de heffingsambtenaar in de uitspraak op bezwaar andere vergelijkingsobjecten heeft gebruikt dan in de taxatiematrix. Het Hof volgt belanghebbende niet in deze stelling. Nu het naar vaste jurisprudentie de heffingsambtenaar vrijstaat om in elke fase van de procedure nieuwe vergelijkingsobjecten te selecteren ter onderbouwing van de door hem voorgestane waarde kan niet met vrucht worden gesteld dat reeds omwille van het feit dat de heffingsambtenaar in enige fase andere vergelijkingsobjecten selecteert de heffingsambtenaar in een voorgaande fase niet heeft voldaan aan de op hem rustende bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane waarde niet te hoog is vastgesteld. Het Hof ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

2.2.

Belanghebbende heeft in hoger beroep niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade bij overschrijding van de redelijke termijn. Na het sluiten van het onderzoek op 27 januari 2026 is in hoger beroep de redelijke termijn overschreden. Omdat deze overschrijding vóór de sluiting van het onderzoek ter zitting voorzienbaar was, zal het Hof niet ambtshalve een vergoeding van immateriële schade toekennen.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

3 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, lid van de tweede enkelvoudige belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. P.W.L. van den Bersselaar als griffier.

De beslissing is op 31 maart 2026 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De raadsheer is verhinderd de

uitspraak te ondertekenen.

(P.W.L. van den Bersselaar) (R.A.V. Boxem)

Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.

Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).

Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Vgl. HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252, rechtsoverweging 3.13.2.