Civiel recht overig

Na een stage bij een makelaarskantoor, zou eiser tegen betaling werkzaamheden hebben verricht. Vordering in…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 3 september 2013

Zaakgegevens

Op 3 september 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
3 september 2013
Datum publicatie
11 september 2013
Zaaknummer
200.089.252-01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M.M Rietveldt, mr. N Entzinger
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2013:6678
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Na een stage bij een makelaarskantoor, zou eiser tegen betaling werkzaamheden hebben verricht. Vordering in eerste aanleg afgewezen omdat niet (onvoldoende) was voldaan aan de stelplicht. Stellingen in hoger beroep aangevuld en aan eiser is het bewijs van zijn stellingen opgedragen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.089.252/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 120271 / HA ZA 10-692)

arrest van de eerste kamer van 3 september 2013

in de zaak van

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2. [appellante 2],

gevestigd te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg eisers

hierna: [appellanten],

advocaat: mr. M.M. Rietveldt, kantoorhoudend te Hoogezand,

tegen:

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: [geïntimeerde]

advocaat: mr. N. Entzinger, kantoorhoudend te Groningen.

Het tussenarrest van het gerechtshof te Leeuwarden van 30 augustus 2011 wordt hier overgenomen.

1 Het verdere procesverloop

1.1

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft op 3 november 2011 een comparitie van partijen plaatsgevonden, zoals blijkt uit het daarvan opgemaakte proces-verbaal.

1.2

Vervolgens hebben [appellanten] een memorie van grieven (met productie) genomen, waarvan de conclusie luidt:

"(...) te vernietigen het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 16 maart 2011 (...) en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde ([geïntimeerde]):

a. te veroordelen om aan eiser sub 1 ([appellant 1]) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 5.000,00 (...) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

b. te veroordelen om aan eiser sub 2 (de besloten vennootschap [appellante 2]) tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen de somma van € 3.570,00 (...) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 21 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

c. althans te bepalen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren met veroordeling van geïntimeerde ([geïntimeerde]) in de kosten van het onderhavige geding en het geding in eerste aanleg."

1.3

[geïntimeerde] heeft bij memorie van antwoord geconcludeerd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, tot bekrachtiging van het aangevallen vonnis - zo nodig met verbetering en/of aanvulling van gronden - en veroordeling van [appellanten] in de kosten van beide instanties.

1.4

Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest.

1.5

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Stb. 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2 De feiten

2.1

Het hof ziet reden de feiten zelf vast te stellen. In hoger beroep staan de navolgende feiten vast als gesteld en erkend, dan wel als niet of onvoldoende weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties.

2.2

Met ingang van 1 januari 2003 wordt de onderneming [geïntimeerde] Makelaardij gedreven door de vennootschap onder firma [geïntimeerde]. Vennoten hiervan waren, tot de ontbinding van de v.o.f. op 30 september 2008, [geïntimeerde], zijn (inmiddels ex-) echtgenote [(ex-) echtgenote van geïntimeerde], [geïntimeerde] Makelaardij B.V. en [zoon van geïntimeerde] (zoon van [geïntimeerde]; hierna ook: [geïntimeerde] jr.). Na de ontbinding heeft [geïntimeerde] de onderneming als eenmanszaak voortgezet.

2.3

[appellant 1] heeft een landbouwbedrijf. Hij is de makelaarsopleiding gaan volgen. In het kader van zijn opleiding vond [appellant 1] een stageplaats bij [geïntimeerde].

2.4

Bij schriftelijk vastgestelde stageovereenkomst van 18 januari 2007 zijn partijen het navolgende - voor zover hier van belang - overeengekomen:

"1. De stagegever stelt de stagiaire in de gelegenheid in het kader van zijn opleiding Landelijk Vastgoed praktische ervaring op te doen gedurende de periode van 13 weken, beginnende op 17 januari 2007.

(...)

6. De stagiaire ontvangt een vergoeding van: nader door stagegever te bepalen.

(...)

9. Deze stage-overeenkomst kan niet worden beschouwd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7.610 van Burgerlijk Wetboek."

2.5

Op 22 mei 2007 hebben partijen wederom een dergelijke overeenkomst gesloten

waarin zij - kort samengevat en zakelijk weergegeven - zijn overeengekomen dat [appellant 1]

met ingang van 18 mei 2007 gedurende 26 weken nogmaals stage zou lopen bij [geïntimeerde], derhalve tot en met 16 november 2007.

2.6

Bij facturen gedateerd respectievelijk 10 april 2008, 8 mei 2008, 20 juni 2008 en 22 juli 2008 heeft [appellant 1] aan [geïntimeerde] Makelaars & Taxateurs een bedrag van telkens € 1.500,-- in rekening gebracht, onder vermelding van:

- "de kosten inzake de op 21 februari 2008 gedane NVM/SOM praktijktoets Wonen/MKB. Dit betreffen de door mij betaalde examengelden met bijbehorende reis en studiekosten."

(factuur d.d. 10 april 2008);

- "de kosten inzake de diverse door mij verrichte werkzaamheden. Dit is inclusief de kosten inzake WOZ examen d.d. 16 april te Utrecht. Dit betreffen de door mij betaalde examengelden met bijbehorende reis- en studiekosten."

(factuur d.d. 8 mei 2008);

- "de kosten inzake de diverse door mij verrichte werkzaamheden. Dit is inclusief de kosten inzake AL & V examen d.d. 17 juni te Mill. Dit betreffen de door mij betaalde examengelden met bijbehorende reis- en studiekosten."

(factuur d.d. 20 juni 2008);

- "de kosten inzake de diverse door mij verrichte werkzaamheden."

(factuur d.d. 22 juli 2008);

2.7

Bij facturen van 26 augustus 2008 en 30 september 2008 heeft [appellant 1] in zijn hoedanigheid van directeur van [appellant 1] [woonplaats] BV aan [geïntimeerde] Makelaars & Taxateurs een bedrag van telkens € 1.785,-- (€ 1.500 plus € 275,- btw) in rekening gebracht, onder vermelding van:

"Betreft: kosten management ondersteuning en taxatiewerkzaamheden".

2.8

Op 12 september 2008 is door [geïntimeerde] Makelaardij BV € 1.000,-- overgemaakt op de privérekening van [appellant 1] met als omschrijving "Werkzaamheden".

3 De procedure in eerste aanleg

3.1

[appellanten] hebben gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van:

a. € 5.000,00 aan [appellant 1], vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

b. € 3.570,00 aan [appellant 1] Kropswolde BV, te vermeerderen met de wettelijk rente vanaf 21 januari 2009 tot de dag der algehele voldoening;

c. de kosten van het onderhavige geding.

3.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

3.3

De vordering van [appellanten] is door de rechtbank Groningen bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De rechtbank heeft hiertoe (samengevat) overwogen dat [appellant 1] c.s. hun stellingen onvoldoende hebben onderbouwd. [appellanten] zijn als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld.

4 De beoordeling in hoger beroep

4.1

[appellanten] hebben 11 grieven opgeworpen. In de kern genomen komt het geschil er op neer of partijen een overeenkomst hebben gesloten, inhoudende dat [appellant 1] met ingang van 1 april 2008 voor [geïntimeerde] werkzaamheden zou gaan verrichten waarvoor [appellant 1] (en later diens B.V.) een maandelijkse onkostenvergoeding zou ontvangen van € 1.500,- (en later € 1.750,-).

4.2

[appellanten] voeren aan dat [appellant 1] en [geïntimeerde] jr. in het najaar van 2007 er over hebben gesproken om samen het bedrijf van [geïntimeerde] sr. over te nemen. Een aantal gesprekken zou op het kantoor van [accountantskantoor] hebben plaatsgevonden. Tijdens deze besprekingen ([appellanten] spreken van onderhandelingen) zou medio december 2007 zijn afgesproken dat, wanneer partijen er op 1 april 2008 nog niet uit waren, [appellant 1] een onkostenvergoeding van € 1.500,- per maand zou krijgen. [appellant 1] deed werkzaamheden als makelaar in onroerend goed en verrichtte taxaties. Op de website van het bedrijf van [geïntimeerde] werd [appellant 1] als vastgoedadviseur vermeld en hij had zijn eigen visitekaartjes. [appellanten] stellen de overeengekomen bedragen iedere maand te hebben gefactureerd en deze facturen ook aan [geïntimeerde] ter hand te hebben gesteld. Het bedrag van € 1.000,- dat [geïntimeerde] aan [appellant 1] heeft overgemaakt, was een aanbetaling op voornoemde facturen. [appellanten] stellen dat zij niet eerder tot sommatie zijn overgegaan, omdat [geïntimeerde] liquiditeitsproblemen had. In overleg met [geïntimeerde] jr. is toen besloten dat [appellant 1] zou gaan factureren vanuit zijn B.V., en in plaats van betaling van deze facturen met geld, zou er worden afgerekend met inventaris van het makelaarskantoor. Subsidiair stellen [appellant 1] c.s. (het hof begrijpt: indien geen overeenkomst zou worden aangenomen) dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking van [geïntimeerde] ten koste van [appellanten]

Tot zover [appellant 1] c.s.

4.3

[geïntimeerde] heeft de stellingen van [appellanten] betwist. Volgens [geïntimeerde] zijn er weliswaar meerdere gesprekken met [appellant 1] gevoerd over een eventuele overname van het bedrijf, maar is er nooit gesproken over een onkostenvergoeding van € 1.500,- per maand vanaf 1 april 2008. De vermelding van [appellant 1] op de website en zijn visitekaartjes van [geïntimeerde] Makelaardij, dienden slechts ter ondersteuning van zijn stage. [geïntimeerde] betwist dat [appellant 1] de facturen elke maand aan hem ter hand heeft gesteld. Volgens [geïntimeerde] zijn de facturen pas in augustus 2008 gelijktijdig aan hem gepresenteerd en heeft hij de facturen toen direct aan [appellant 1] teruggegeven met de mededeling dat zij nimmer een dergelijke afspraak hadden gemaakt. Verder is [geïntimeerde] van mening dat het bedrag van € 1.000,-- dat hij aan [appellanten] had overgemaakt geen aanbetaling was op de facturen, maar de redelijke stagevergoeding zoals vermeld in de stageovereenkomst. Deze bedroeg namelijk € 50,- per maand gedurende de 20 maanden dat [appellant 1] stage heeft gelopen bij [geïntimeerde].

Aldus tot zover [geïntimeerde].

4.4

Krachtens de hoofdregel van art. 150 Rv rust op [appellanten] de last om hun stelling dat [appellant 1] met ingang van 1 april 2008 tegen betaling werkzaamheden is gaan verrichten te onderbouwen en, bij betwisting, te bewijzen. [appellanten] hebben gebruik gemaakt van de herkansingsfunctie van het hoger beroep door hun in eerste aanleg betrokken stellingen aan te vullen. De onderbouwing van hun stellingen is er echter toe beperkt dat [geïntimeerde] ingaande 1 april 2008 een bedrag van € 1.500,- per maand zou betalen. Nergens hebben [appellanten] onderbouwd waarom [appellant 1], toen hij via zijn vennootschap is gaan factureren, € 1.750,- bij [geïntimeerde] in rekening zou mogen brengen. Indien al komt vast te staan dat, zoals [appellanten] stellen en zoals [geïntimeerde] gemotiveerd betwist, tussen partijen een maandelijkse onkostenvergoeding is overeengekomen, is de vordering niet toewijsbaar voor zover deze een maandelijkse vergoeding van € 1.500,- te boven gaat.

4.5

Dat tussen partijen een afspraak geldt zoals [appellanten] stellen, staat vooralsnog niet vast. Het hof leest in de grieven van [appellanten] en de daarop gegeven toelichting een voldoende gespecificeerd en ter zake dienend bewijsaanbod door middel van het horen van getuigen. Als mogelijke getuigen hebben [appellanten] genoemd [getuige 1] te [woonplaats] en [getuige 2] te [woonplaats], beiden medewerkers van [geïntimeerde], [getuige 2] en [getuige 2], beiden medewerkers van [accountantskantoor] te [woonplaats], de heer [zoon van geïntimeerde], mevrouw [(ex-) echtgenote van geïntimeerde], de beide dochters van [geïntimeerde] en [appellant 1] zelf als partijgetuige. Het hof zal [appellanten] opdragen te bewijzen dat tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] de afspraak geldt dat [appellant 1] vanaf 1 april 2008 een maandelijkse onkostenvergoeding zou ontvangen van € 1.500,- en dat de onkostenvergoeding vanaf augustus 2008 aan [appellante 2] zou worden voldaan.

4.6

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

De beslissing

Het gerechtshof:

draagt [appellanten] op te bewijzen dat tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] de afspraak geldt dat [appellant 1] vanaf 1 april 2008 een maandelijkse onkostenvergoeding zou ontvangen van € 1.500,- en dat de onkostenvergoeding vanaf augustus 2008 aan [appellante 2] zou worden voldaan;

bepaalt dat het getuigenverhoor voor zover [appellanten] het bewijs zouden willen leveren door middel van getuigen zal plaatsvinden in het Pales van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. A.M. Koene, hiertoe tot raadsheer-commissaris benoemd;

verwijst de zaak naar de rolzitting van dinsdag 17 september 2013 voor opgave van de verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuigen, voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat de advocaat van [appellanten] uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerde] alsnog de gelegenheid heeft uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

3 september 2013.