Civiel recht overig
Appel van afwijzing vordering schadevergoeding benadeelde partij. Eigenschuldverweer gemotiveerd betwist…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 1 april 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:2716 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 1 april 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2014-2716
Zaakgegevens
Op 1 april 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 1 april 2014
- Datum publicatie
- 4 april 2014
- Zaaknummer
- 200.102.625-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.O Hovinga, mr. R.J de Boer
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2014:2716
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Appel van afwijzing vordering schadevergoeding benadeelde partij. Eigenschuldverweer gemotiveerd betwist. Niet is komen vast te staan dat de schade van appellante mede een gevolg is van een omstandigheid die aan haar kan worden toegerekend.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.102.625/01
(parketnummer rechtbank Assen 19-157074-11)
arrest van de eerste kamer van 1 april 2014
in de zaak van
[appellante],
wonende te [woonplaats],
appellante,
in eerste aanleg: benadeelde partij,
hierna: [appellante],
advocaat: mr. J.O. Hovinga, kantoorhoudend te Groningen,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg: verdachte,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. R.J. de Boer, kantoorhoudend te Coevorden.
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 5 november 2013 hier over.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
In het genoemde tussenarrest heeft het hof de zaak naar de rol verwezen teneinde [appellante] in de gelegenheid te stellen zich bij akte uit te laten over de bij memorie van antwoord gevoegde productie en het eigenschuldverweer.
[appellante] heeft een akte genomen.
Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.
2 De verdere beoordeling
Het hof constateert dat [appellante] bij haar akte nieuwe producties in het geding heeft gebracht. [geïntimeerde] heeft op deze producties niet kunnen reageren. Het hof zal ze om die reden buiten beschouwing laten. Uit wat hierna volgt, blijkt dat [appellante] daardoor niet in haar belangen wordt geschaad.
[appellante] heeft in haar akte het eigenschuldverweer van [geïntimeerde] gemotiveerd betwist. Zij stelt dat zij geen aanleiding heeft gegeven tot de door [geïntimeerde] gepleegde mishandeling. Volgens [appellante] is zij door de echtgenoot van [geïntimeerde] in haar gezicht geslagen en vervolgens tegen de grond gewerkt, waarna [geïntimeerde] bovenop haar is gesprongen. [appellante] stelt dat zij daarop door [geïntimeerde] is mishandeld, doordat [geïntimeerde] onder andere aan haar haren heeft getrokken, haar in haar gezicht heeft gekrabd en in haar borsten heeft geknepen. [appellante] is niet begonnen met slaan of duwen en betwist dat zij [geïntimeerde] en/of haar echtgenoot heeft aangevallen. [appellante] stelt volkomen verbouwereerd te zijn geweest door het onverwachte geweld van [geïntimeerde]. Voorts geeft [appellante] aan dat zij - in tegenstelling tot [geïntimeerde] - van de jegens haar ten laste gelegde mishandeling is vrijgesproken.
Bij deze stand van zaken dient [geïntimeerde] te bewijzen dat [appellante] een eigen aandeel heeft gehad in het gebeurde op 6 februari 2011. [geïntimeerde] heeft op dit punt echter geen gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Het hof oordeelt derhalve dat niet vast is komen te staan dat de schade van [appellante] mede een gevolg is van een omstandigheid die aan haar kan worden toegerekend. Het beroep van [geïntimeerde] op eigen schuld wordt dan ook verworpen.
Onder verwijzing naar het tussenarrest en het vorenstaande luidt de conclusie dat de vorderingen van [appellante] ter zake van materiële en immateriële schade kunnen worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 456,32. Voor zover de tweede grief hiermee overeenstemt slaagt hij, voor het overige faalt hij.
Nu partijen in hoger beroep over en weer gedeeltelijk in het ongelijk worden gesteld, zal het hof de proceskosten in deze instantie compenseren als hierna te melden.
3 De beslissing
Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:
vernietigt het vonnis van de politierechter van 14 november 2011 voor zover daarbij de vordering van de benadeelde partij [appellante] is afgewezen;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
veroordeelt [geïntimeerde] om aan [appellante] te betalen een bedrag van € 456,32;
compenseert de proceskosten in hoger beroep tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. L. Groefsema en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 1 april 2014.