Civiel recht overig
Aanneming van werk. Minderwerk? Tekortkoming aannemer? Opschortingsbevoegdheid opdrachtgever?
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 25 november 2014
ECLI:NL:GHARL:2014:9114 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 25 november 2014
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2014-9114
Zaakgegevens
Op 25 november 2014 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 25 november 2014
- Datum publicatie
- 25 november 2014
- Zaaknummer
- 200.089.252-01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. M.M Rietveldt, mr. N Entzinger
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2014:9114
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Aanneming van werk. Minderwerk? Tekortkoming aannemer? Opschortingsbevoegdheid opdrachtgever?
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.089.252/01
(zaaknummer rechtbank Groningen 120271 / HA ZA 10-692)
arrest van de eerste kamer van 25 november 2014 in de zaak van:
1 [appellant 1],
wonende te [woonplaats],
2. [appellante 2],
gevestigd te [woonplaats],
appellanten,
in eerste aanleg eisers
hierna: [appellanten],
advocaat: mr. M.M. Rietveldt, kantoorhoudend te Hoogezand,
tegen
[geïntimeerde],
wonende te [woonplaats],
geïntimeerde,
in eerste aanleg gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. N. Entzinger, kantoorhoudend te Groningen.
Het tussenarrest van 3 september 2013 wordt hier overgenomen.
1 Het verdere procesverloop in hoger beroep
Bij voormeld tussenarrest heeft het hof [appellant 1] opgedragen te bewijzen dat tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] de afspraak geldt dat [appellant 1] vanaf 1 april 2008 een maandelijkse onkostenvergoeding zou ontvangen van € 1.500,- en dat de onkostenvergoeding vanaf augustus 2008 aan [appellante 2] zou worden voldaan;
[appellanten] hebben de volgende getuigen doen horen:
- [appellant 1] (hierna: [appellant 1]) op 18 oktober 2013;
- [getuige 2] (hierna: [getuige 2]) op 18 oktober 2013;
- [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) op 3 december 2013;
- [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) op 3 december 2013;
- [getuige 5] (hierna: [getuige 5]) op 24 juni 2014.
In contra-enquête heeft [geïntimeerde] zichzelf als getuige doen horen op 24 juni 2014.
Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd en daartoe de stukken overgelegd.
2 De verdere beoordeling in hoger beroep
[appellant 1] heeft, voor zover relevant, verklaard als volgt:
"(...) In januari 2008 is er voor het eerst concreet over een onkostenvergoeding voor mij gesproken. Dat gebeurde in een gesprek tussen [getuige 4] en mijzelf. De aanleiding voor dat gesprek was de verslechterde gezondheid van [geïntimeerde] sr. En het feit dat deze een tijd met zijn vrouw in het buitenland was in verband met een reis naar Zuid-Afrika. [getuige 4] en ik hebben in die periode afgesproken dat wij samen de makelaardij zouden voortzetten. Ik had toen al een B.V. en wilde met die B.V. toetreden tot de vennootschap onder firma, maar wat de precieze constructie zou moeten worden was voor ons nog niet duidelijk. Bovendien moest er fiscaal nog een heleboel worden doorgerekend. Ik heb toen tegen [getuige 4] gezegd: Ik ga intussen niet voor niets zitten werken. Daarop zei [getuige 4] dat hij voor zichzelf 1500,- euro per maand aan het bedrijf onttrok en dat ik dat ook kon krijgen. Ik heb toen gezegd: Dat is prima dan dien ik daar nota’s voor in. [getuige 4] vroeg mij om die nota’s zó op te maken dat het er niet op zou lijken dat ik salaris ontving of een dienstverband met [geïntimeerde] had. Dat is de reden waarom de omschrijvingen op mijn facturen zo verschillen.
De afspraak ging meteen in, maar er staat jammer genoeg helemaal niets van op papier.
Vervolgens heb ik mijn eerste factuur over februari 2008 persoonlijk aan [getuige 4] ter hand gesteld. Ook de andere facturen heb ik persoonlijk aan [getuige 4] of één van zijn ouders afgegeven, dat deed ik elke keer vlak na de maand waar die factuur op zag.
Toen ik de tweede factuur aan [getuige 4] ter hand stelde heb ik hem gevraagd waar de betaling van de eerste bleef. [getuige 4] vertelde mij dat er nog geen ruimte was voor die betaling, maar hij zegde mij toe dat dat goed zou komen en dat ik gewoon betaald zou worden. Ook bij het afgeven van de latere facturen heb ik naar het uitblijven van de betalingen gevraagd. Ik kreeg steeds een antwoord dat erop neerkwam dat er complicaties waren met geldstromen maar dat ik als dat in orde zou zijn gebracht betaald zou worden.
In april/mei 2008 was mijn geduld op. Het echtpaar [geïntimeerde] sr. was intussen terug van vakantie, maar sr. was nauwelijks op kantoor en [getuige 4] was er ook heel weinig. Intussen zag ik bovendien administratief dingen gebeuren waar ik mijn vraagtekens bij had: ik had het gevoel dat zakelijk en privé teveel door elkaar liepen.
Ik heb toen een indringend gesprek gehad met mevrouw [getuige 5], dat was in mei 2008.
Zij heeft mij toen een aantal zaken uit de administratie uitgelegd en getoond en wij hebben samen gebrainstormd over de stand van zaken van de makelaardij. Het beeld dat privé en zakelijk teveel door elkaar liepen werd voor mij op dat moment bevestigd. Ik heb tegen mevrouw [getuige 5] gezegd: Dit is een zinkend schip, dit kan zo niet doorgaan. Mevrouw [getuige 5] vroeg mij of ik alsjeblieft wilde blijven om de makelaardij uit de brand te helpen. Ik heb toen gezegd: ja dat wil ik wel, maar dan moeten mijn facturen wel betaald worden.
Mevrouw [getuige 5] gaf aan dat het geld er daarvoor niet was. Ik heb toen met haar afgesproken dat de betaling van mijn facturen bij mijn toetreding tot de vof verrekend zou worden. In geld of in natura, dat hing af van de constructie die de accountant zou adviseren en waarvoor uiteindelijk gekozen zou worden. Ook van dat gesprek staat niets op papier, maar dat is de basis waarop ik toen nog bij [geïntimeerde] ben gebleven.
In juni 2008 heb ik een gesprek gehad met dochter [dochter van geïntimeerde]. Dat ging over de kans dat het bedrijf nog zou kunnen worden voortgezet en over of ik mijn geld nog zou krijgen. [dochter van geïntimeerde] heeft mij toen beloofd dat ik volledig zou worden betaald. Met de andere crediteuren zou ze proberen om een regeling te treffen.
Het concrete bedrag van 1500,- euro was zoals ik u net vertelde in januari 2008 afgesproken. Mijn stage periode was toen al sinds november 2007 verlopen, maar in november 2007 waren wij zoals ik u uitlegde al een tijdje aan het spreken over een overname van de zaak, vandaar dat wij niet meer over verlenging van de stageovereenkomst hebben gesproken."
[getuige 2] is van beroep accountant. Ten tijde hier van belang was hij werkzaam bij
[bedrijf x] accountants en belastingadviseurs. [getuige 2] heeft, voor zover relevant, verklaard als volgt:
"(...) Ik ben tussen 2005 en 2011 in dienst geweest van [bedrijf x] accountants en belastingadviseurs. Ik werkte daar als accountant AA. Ik heb namens [bedrijf x] werkzaamheden voor [geïntimeerde] verricht, vermoedelijk ook in het tijdvak 2007_2008.
Voor zover ik mij dat nu nog kan herinneren ben ik er nooit bij geweest dat er afspraken tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] over een aan [appellant 1] te betalen vergoeding zijn gemaakt.
Het bedrag van 1500,- euro zegt mij in die zin ook niets.
Ik heb tijdens mijn werkzaamheden voor [geïntimeerde] ook nooit iets gemerkt van afspraken over een onkostenvergoeding voor [appellant 1]. Ik weet wel dat [appellant 1] zich vanuit zijn eigen bedrijf uitleende aan de makelaardij, ik weet dat hij daar niet in loondienst was. In mijn herinnering was [appellant 1] bij [geïntimeerde] werkzaam vanwege zijn agrarische expertise voor de makelaardij ingeleend. U vraagt mij hoe ik dat weet. Ik kan u dat nu na al die jaren niet meer precies zeggen hoe ik dat weet, maar dat zit gewoon als feit in mijn hoofd. Het zal wel eens besproken zijn denk ik, maar het is zo lang geleden dat ik dat niet meer precies weet.
Ik kwam wel eens bij [geïntimeerde] op kantoor, de heer [appellant 1] was daar dan ook aanwezig.
(...)"
[getuige 3] is van beroep belastingadviseur. Ten tijde hier van belang was hij werkzaam bij [bedrijf x] accountants en belastingadviseurs. [getuige 3] heeft, voor zover relevant, verklaard als volgt:
(...) Ik ben nooit bij afspraken over de beloning van de heer [appellant 1] aanwezig geweest.
Ik weet wel dat er tussen [appellant 1] en mensen van [geïntimeerde] over dat onderwerp gesproken is, in het kader van de vraag hoe het nu verder moest met de samenwerking die nog vormgegeven moest worden. Hoe ik dat weet kan ik nu na al die tijd niet meer zeggen: het kan zijn dat mijn collega het mij verteld heeft, maar het kan ook zijn dat [appellant 1] of [geïntimeerde] senior mij zelf gezegd hebben dat zij daarover in bespreking waren.
Er speelden in die periode - het zal in 2008 geweest zijn, ik heb dat niet meer nagezocht - heel veel dingen bij [geïntimeerde]. Op een gegeven moment kwam ons ter ore, ik weet niet meer hoe, dat we het punt van de samenwerking moesten laten rusten. [geïntimeerde] lag toen in scheiding, het ging niet goed met de gezondheid van zijn zoon [getuige 4], en er was sprake van een algehele malaise in de makelaardij. Onze opdracht was om ons op die problemen te concentreren en dat hebben we vervolgens ook gedaan. Marco [getuige 2] en ik waren van kantoor degenen die zich met het dossier [geïntimeerde] bezighielden, hij als accountant en ik als belastingadviseur.
Het onderwerp van de samenwerking met en/of beloning van [appellant 1] is later niet meer opgekomen, althans niet meer dat ik me kan herinneren.
Als belastingadviseur nam ik kennis van de boekhouding van [geïntimeerde]. Ik kan mij niet herinneren of ik in de boeken ooit iets over een beloning voor [appellant 1] of een arbeidsrelatie tussen [geïntimeerde] en [appellant 1] heb aangetroffen.
(...)"
[getuige 4] heeft, voor zover relevant, verklaard als volgt:
"(...)
Ik ben niet betrokken geweest bij het binnenhalen van [appellant 1] als stagiair. Ik weet ook niet of er toen een stageovereenkomst of iets dergelijks is opgesteld. Volgens mij kreeg [appellant 1] tijdens zijn stage geen vergoeding van ons, dat deden wij namelijk nooit dus dat zou mij verbazen. Maar zoals ik al zei ben ik niet bij de indeling van zijn stage betrokken geweest.
Ik ga ervan uit dat mijn vader dat regelde.
Omdat ik mij niet met de indeling van zijn stage bemoeide weet ik ook niet tot wanneer die stage liep. Ik wist wel dat [appellant 1] zijn vakdiploma moest halen en daarvoor ervaring bij ons op moest doen. Dat diploma heeft hij uiteindelijk pas na mijn vertrek uit de makelaardij behaald. Mijn vertrek was formeel medio september 2008, maar ik had mij in augustus 2008 al ziek gemeld. In de periode dat ik nog op kantoor was, was [appellant 1] er bijna dagelijks. Toen hij bij ons begon was het de bedoeling dat hij er maar een dag of twee per week zou zijn. Omdat je dan teveel mist, kwam hij vaker. Dat was zijn eigen initiatief. Niemand heeft hem daartoe verplicht.
Ergens in de tweede helft van 2007 is het plan voor een samenwerking opgekomen.
Mijn vader kwam op een leeftijd dat je het rustiger aan wilt gaan doen, en ik had zelf geen agrarische expertise.
In de periode dat mijn ouders twee weken op vakantie waren, dat was in januari 2008, hebben [appellant 1] en ik een aantal keren gebrainstormd over hoe een samenwerking eruit zou kunnen zien. Het was de bedoeling dat [appellant 1] toe zou treden als vennoot, als we met elkaar verder zouden gaan. Er is toen niet gesproken over een beloning voor [appellant 1], want als vennoot krijg je immers geen loon. We hebben wel besproken dat € 1500,- per maand een minimumvergoeding zou moeten zijn die je als vennoot uit het bedrijf zou moeten kunnen halen: als er per vennoot geen € 1500,- in zou zitten, zou de exploitatie van de makelaardij geen zin hebben. Dat bedrag van € 1500,- is dus alleen maar besproken in het kader van de levensvatbaarheid van de makelaardij, als minimumbeloning die we in de toekomst nodig zouden hebben.
[appellant 1] kreeg op dat moment geen vergoeding. U vraagt mij of dat niet gek is, aangezien hij wel elke dag op kantoor was. Ik vind dat echter niet zo raar, want daar was niets over afgesproken en hij was immers nog geen vennoot en hij was ook niet in loondienst bij de makelaardij. Hij was dus ook helemaal niet verplicht om op kantoor te komen.
Over een beloning voor [appellant 1] tot het moment dat de samenwerking een feit zou zijn hebben wij niet gesproken. Daar ging ik ook niet over, daar ging mijn vader over, hij had [appellant 1] ook binnengehaald en daar ga ik dan niet tussendoor fietsen. Uiteindelijk is de samenwerking nooit van de grond gekomen omdat ik ziek werd en ten slotte de makelaardij verliet.
Ik weet niet meer wat ik op dat moment zelf als vennoot verdiende. Ik deed wel opnames voor mijn levensonderhoud, en die werden later onderling afgerekend.
[appellant 1] heeft in de periode dat mijn ouders op vakantie waren een factuur van € 1500,- bij mij ingediend, die gaf hij mij in handen. Ik heb hem gezegd dat ik dat aan mijn ouders door zou geven. Ik heb niet aangegeven dat de factuur betaald zou worden. Het moment is mij bijgebleven omdat ik nog weet dat ik toen dacht: vreemd dat dat nu moet nu hij al die tijd al bij ons is en net nu mijn ouders op vakantie zijn. Daarom heb ik het onthouden. Ik herinner mij niet of ik later nog meer facturen van [appellant 1] heb gekregen.
Toen mijn ouders terug waren van vakantie hebben [appellant 1] en ik ook nog regelmatig over een samenwerking gesproken. Van concrete afspraken is het echter nooit gekomen: over de samenwerking niet en ook niet over een beloning, niet voor de tussentijd en niet voor de toekomst.
In de loop van 2008 ging het slechter met mij en ben ik ermee gestopt.
Ik weet zeker dat ik [appellant 1] nooit betalingen heb toegezegd. Ik heb ook nooit van anderen gehoord dat zij hem betalingen hebben toegezegd. Het enige dat ik weet, is dat [appellant 1] in juli/augustus 2008 nadat ik er een zootje van had gemaakt is gevraagd om nog op kantoor aanwezig te zijn, en dat hij daarvoor betaald heeft gekregen. Hoeveel hij daarvoor kreeg weet ik niet, maar ik herinner mij nog dat mijn vader boos op hem was omdat hij het niet genoeg vond.
Ik weet niet of er ooit over gesproken is dat er niet aan [appellant 1] zelf betaald moest worden maar aan zijn B.V.
Naar aanleiding van vragen van mr. Rietveldt verklaar ik nog. Doordat [appellant 1] zijn examen niet haalde, werd de stage niet afgesloten. Tot het moment dat hij over zijn vakdiploma zou beschikken konden er dus ook geen concrete afspraken worden gemaakt.
Mr. Rietveldt vraagt mij wat [appellant 1] vijf dagen per week op kantoor deed. Ik zeg u dat hij vooral meeliep en geen zelfstandige functie had. Hij stond wel als vastgoedbemiddelaar vermeld op onze site en hij had ook visitekaartjes, maar dat deden wij zo bij alle stagiaires.
Ik heb zojuist verklaard dat ik de stageovereenkomst van [appellant 1] niet ken. Als mr. Rietveldt mij voorleest wat daarin staat, in het bijzonder dat mijn naam daar als stagegever op staat vermeld en mij voorhoudt dat mijn handtekening er ook op staat, dan zeg ik dat dat best zou kunnen. Ik kan mij niet herinneren dat ik die stageovereenkomst heb getekend, maar als ik dat gedaan heb heb ik dat gewoon gedaan omdat mijn vader dat aan mij vroeg."
[getuige 5] heeft, voor zover relevant, verklaard als volgt:
"(...)
Ik was in de periode 2007-2009 gehuwd met meneer [geïntimeerde] sr. Ik ben in die periode niet werkzaam geweest in de makelaardij. Ik kwam hooguit een á twee keer per jaar op kantoor en bemoeide mij verder niet met de gang van zaken.
Vroeger werkte ik wel mee in de zaak, maar in 2005 ben ik met een burn-out uit de makelaardij gestapt. Ik was toen bijna 64 jaar. Op advies van mijn psycholoog heb ik mij vanaf dat moment helemaal buiten de zaak gehouden. Dat advies had ook mijn ex-man van de psycholoog gekregen, om mij met rust te laten.
Dat advies van de psycholoog heb ik opgevolgd, tot ik er omstreeks juli 2008 achter kwam dat de hele makelaardij op zijn kop lag. Toen ben ik een week lang op kantoor geweest, heb ik alle post opengemaakt en die op een rij gelegd. De post van verschillende schuldeisers en deurwaarders heb ik toen gerubriceerd. Het was een chaos.
In die week waren de heer [appellant 1] en mijn ex-man op kantoor aanwezig. Mijn zoon was er die week niet of heel weinig, dat weet ik niet meer. Ik weet ook niet of de andere beide heren er iedere dag zijn geweest, daarvoor is het te lang geleden.
De heer [appellant 1] heeft mij op een van de eerste dagen in die week een nota van € 1.500,- overhandigd. Ik heb hem toen gezegd dat mij daar niets van bekend was. Vervolgens kwamen er nog vijf nota’s, die stelde hij mij in diezelfde week in één keer ter hand. De nota’s waren allemaal voor € 1.500,- en betroffen een periode van zes maanden. Ik heb hem toen weer gezegd dat ik daar niets van wist, maar zou gaan informeren en dat als er een overeenkomst voor lag die nota’s zouden worden meegenomen in de oplossing voor de schulden van de makelaardij. Ik weet niet meer wat zijn reactie daarop was.
Ik heb vervolgens navraag gedaan bij mijn man, en die vertelde mij dat er geen overeenkomst was. Daarna heb ik [appellant 1] hierover niet meer gesproken, ik ben na die week namelijk niet meer op kantoor geweest en heb mij ook niet meer met de makelaardij bemoeid.
U houdt mij voor dat [appellant 1] hier als getuige heeft verklaard dat ik hem gevraagd heb om alsjeblieft op kantoor te blijven en dat wij daarbij ook over een vergoeding hebben gesproken. Ik kan mij dat niet herinneren. Ik weet wel dat ik nooit heb toegezegd dat de nota’s betaald zouden worden.
De werkzaamheden die [appellant 1] in die periode op de makelaardij verrichtte zijn mij niet bekend. Ik weet ook niet hoe vaak hij op kantoor kwam. Mijn man en ik spraken daar thuis ook niet over. Mijn man had mij in december van het jaar daarvoor wel verteld dat [appellant 1] misschien het agrarische deel van de makelaardij over zou nemen, als hij zijn diploma’s gehaald zou hebben en beëdigd zou zijn. Daar was toen ook contact over met de accountant, maar ik heb mij daar verder niet mee bemoeid. Mijn man heeft nooit met mij gesproken over een salaris of een vergoeding voor [appellant 1] en mijn zoon evenmin.
Ik wist dat [appellant 1] op kantoor rondliep. Hij liep stage. Die overname zou pas aan de orde zijn als hij zijn diploma’s zou hebben en bij mijn weten had hij die nog niet.
Naar aanleiding van vragen van mr. Rietveldt verklaar ik nog als volgt.
Ik heb mij na die ene week dat ik op kantoor ben geweest werkelijk niet meer met de makelaardij bemoeid. Het was voor mij namelijk erg emotioneel om daar te zijn. Vervolgens heb ik twee weken op het gehandicapte kind van mijn dochter gepast, dat kwam er daarna nog bij. (De raadsheer-commissaris merkt op dat de getuige emotioneel wordt.) Ik heb daarna nadrukkelijk afstand gehouden, juist omdat het mij zo emotioneerde.
Wij hebben geen dochter die [dochter van geïntimeerde] heet. Wij hebben twee dochters, zij heten [naam1] en [naam 2]."
[geïntimeerde] heeft verklaard als volgt:
"Ik had met [appellant 1] afgesproken dat hij bij ons mocht blijven tot hij zijn diploma’s zou hebben. Daarom is hij na 16 november 2007 ook gebleven, die laatste stage is in feite doorgelopen omdat hij zijn diploma’s nog niet had. Dat diploma heeft hij pas in oktober 2008 gehaald.
[appellant 1] deed bij ons de voorkomende werkzaamheden, daar bedoel ik mee de telefoon aannemen en zo. Die werkzaamheden zijn in de loop van de periode niet veranderd. Ik had [appellant 1] in 2006 aanvankelijk afgewezen als stagiaire, maar op voorspraak van mijn zoon hebben we hem toch als stagiaire ingenomen, ook omdat hij kennis van de agrarische sector had. In het begin kwam hij twee dagen per week, maar dat vond hij zelf te weinig omdat een deel van het werk zich dan buiten zijn zicht afspeelde. Toen heb ik gezegd: dan moet je vaker komen. En daardoor kwam hij in het kader van de opleiding later bijna elke dag op kantoor. Hij nam bij ons onder andere de telefoon aan en nam taxatieopdrachten aan. Hij ging later ook wel in zijn eentje woningen opnemen, en maakte dan de taxatie op, die vervolgens door mij werd ondertekend. Hij deed alles onder begeleiding, en heeft ook nooit een eigen opdracht gehad. Het was in mijn ogen echt stagiairewerk dat hij deed, en niet te vergelijken met de werkzaamheden die ik zelf verrichtte.
Rond eind 2007 kwam ter sprake dat hij de zaak of een deel ervan wel over zou willen nemen. Daar had hij het met mijn zoon over gehad. In januari 2008 ben ik met mijn toenmalige echtgenote drie weken op vakantie geweest. Na onze terugkomst hebben [getuige 4] en ik tussen februari en april gesprekken gevoerd met de accountant over hoe zo’n overname er dan zou kunnen uitzien. Er is daarbij niet gesproken over een vergoeding of salaris voor [appellant 1]. Ik heb daar nooit met [appellant 1] over gesproken en van mijn zoon heb ik begrepen dat hij daar ook nooit met [appellant 1] over heeft gesproken.
[appellant 1] gaf mij in april 2008 een nota van € 1.500,- in handen, met de mededeling dat hij dat met [getuige 4] zo had afgesproken. Ik heb toen aan [getuige 4] gevraagd of dat klopte maar [getuige 4] zei dat dat niet zo was. Toen heb ik die nota aan [appellant 1] teruggegeven. Later kwam hij met nog meer nota’s, die heb ik allemaal terzijde gelegd.
Die afspraak waar [appellant 1] op doelde is nooit gemaakt en die kan ik ook helemaal niet gemaakt hebben, want ik was in diezelfde periode nu juist bezig om een makelaar te ontslaan. Waarom zou ik [appellant 1] dan € 1.500,- gaan betalen?
[appellant 1] kreeg helemaal niets betaald voor zijn aanwezigheid op kantoor. Hij had een tankpas, verder niks. Dat deed ik zo bij alle stagiaires. Dat was in 2007 zo met hem afgesproken en die afspraak is nooit meer veranderd en hij mocht blijven tot hij gediplomeerd was.
Ik heb [appellant 1] op een zeker moment € 1.000,- betaald. Dat was voor bewezen diensten in september 2008. Dat deed ik op verzoek van mijn ex-echtgenote, zij had hem namelijk gevraagd om nog even te blijven helpen. En zij zei tegen mij: maak hem maar € 1.000,- over. Ik weet niet of zij daar iets met [appellant 1] over had afgesproken. Ik vond het wel redelijk want hij had immers ook op de zaak gepast. Die € 1.000,- was een soort cadeautje en had niks te maken met die spookfacturen die hij mij had gegeven.
Ik heb met [appellant 1] geen concrete onderhandelingen over zijn eventuele overname gevoerd. Ik vroeg een keer aan hem: hoe ver ben je ermee. Hij zei toen: dat ligt aan [getuige 4]. In mijn visie moest [appellant 1] betalen om toe te kunnen treden tot de makelaardij, ook al was die in zijn ogen nog zo weinig waard. Daarop is het uiteindelijk blijven hangen.
Ik was eigenlijk wel klaar met hem, zijn houding beviel mij niet. Hij noemde het kantoor een klomp steen die eigenlijk niks waard is. In november 2008 heb ik hem op een vrijdag weggestuurd, hij vertrok met de mededeling dat hij er over na zou denken wat hij ervoor zou betalen. Die maandag was hij er weer: hij kwam naar eigen zeggen kijken hoe de vlag er bij mij bijhing. Ik heb hem toen in anderhalf uur uitgelegd hoe ik over hem dacht en vervolgens is hij vertrokken. Hij is daarna nog één keer teruggekomen en wilde toen met mij praten, maar daar had ik geen zin meer in. Een aantal weken later heeft hij via mijn dochter de tankpas en de sleutel terug laten bezorgen.
Betaling van zijn facturen was niet aan de orde: we hadden geen overeenkomst daarover en ik heb ook nooit toegezegd dat ik ze zou betalen. [appellant 1] had ook helemaal geen toegevoegde waarde meer voor de makelaardij.
Naar aanleiding van vragen van mr. Rietveldt verklaar ik nog:
Mijn ex heeft [appellant 1] in augustus 2008 gevraagd of hij op de toko wilde passen, zoals ik zojuist ook zei. Hij heeft toen één middag op de zaak gepast terwijl mijn vrouw en mijn zoon en ik bij de Kamer van Koophandel gesprekken voerden over mogelijke schuldhulpverlening aan de makelaardij. Die middag was [appellant 1] alleen op kantoor en paste hij op de winkel.
Die € 1.000,- waar ik het net over had was niet alleen voor die middag maar voor bewezen diensten, zoals ik net heb uitgelegd.
De taxatierapporten die [appellant 1] opstelde werden door mij gecontroleerd, zo nodig aangepast en ondertekend. Dat deed ik gewoon op kantoor, want als je zo ervaren bent als ik hoef je dat adres niet meer opnieuw na te lopen om een taxatie te kunnen beoordelen.
Mr. Rietveldt houdt mij de verklaring voor die mijn zoon hier op 3 december 2013 als getuige heeft afgelegd. Het gaat daarbij om de passage op blad 6, derde alinea van onderen. Mr. Rietveldt vraagt mij wat mijn reactie op die passage is. Mijn reactie is dat ik herhaal dat [appellant 1] voor bewezen diensten zoals ik net heb uitgelegd € 1.000,- van mij heeft gehad."
Bij de waardering van deze verklaringen stelt het hof voorop dat aan de verklaring van [appellant 1] als partijgetuige de beperkte bewijskracht van art. 164 lid 2 Rv toekomt.
Voor het oordeel dat [appellanten] zijn geslaagd in de bewijsopdracht zijn derhalve aanvullende bewijzen voorhanden nodig die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van [appellant 1] als partijgetuige voldoende geloofwaardig maken (ECLI:NL:HR:1995:ZC1688).
Uit zijn verklaring komt naar voren dat [appellant 1] in januari 2008 met [getuige 4]
(in [appellant 1] verklaring ook [getuige 4] genaamd) heeft afgesproken dat hij € 1.500,- per maand kon krijgen, maar dat deze afspraak niet op papier staat. Voor het bestaan van deze afspraak bevatten de verklaringen van [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], en [getuige 5] naar 's hofs oordeel echter geen aanvullend bewijs zoals bedoeld in 2.7. [getuige 2] en [getuige 3] hebben verklaard dat zij - voor zover zij zich kunnen herinneren - niet aanwezig zijn geweest bij besprekingen over een aan [appellant 1] te betalen vergoeding en [getuige 2] heeft daar aan toegevoegd dat het bedrag van € 1.500,- hem niets zegt. [getuige 5] heeft verklaard dat zij, nadat [appellant 1] haar omstreeks juli 2008 eerst één en later nog vijf nota's van € 1.500,- overhandigde, tegen [appellant 1] heeft gezegd dat zij daar niets van af wist. [getuige 5] heeft verder verklaard dat [geïntimeerde] en [getuige 4] nooit met haar hebben gesproken over een vergoeding voor [appellant 1] en dat zij [appellant 1] niet heeft toegezegd dat de nota's betaald zouden worden. [getuige 4] heeft verklaard dat het bedrag van € 1.500,- enkel ter sprake is gekomen in het kader van de besprekingen die hij met [appellant 1] heeft gevoerd eind 2007, begin 2008 over een eventuele toetreding van [appellant 1] tot de vennootschap. Het bedrag zou in dat verband genoemd zijn als de minimale vergoeding die een vennoot per maand uit het bedrijf zou moeten kunnen halen, aldus de verklaring van [getuige 4]
Op grond hiervan oordeelt het hof dat niet bewezen is dat er een afspraak is gemaakt op grond waarvan [appellant 1] aanspraak kan maken op een vergoeding van € 1.500,- per maand vanaf 1 april 2008. De vraag op welke grond [geïntimeerde] jegens [appellanten] gebonden zou zijn aan een dergelijke afspraak, die volgens de verklaring van [appellant 1] immers met [getuige 4] gemaakt zou zijn, kan verder onbesproken blijven. [appellanten] zijn er derhalve niet in geslaagd het opgedragen bewijs te leveren.
3 Slotsom
De grieven 3, 4, 5, 6, 7, 8 en 10, die betrekking hebben op overwegingen van de rechtbank over het bestaan van de door [appellanten] gestelde afspraak, falen. Aan grief 1, waarmee [appellanten] klagen over de vermelding van het procesverloop door de rechtbank in het bestreden vonnis, komt geen zelfstandig belang toe, te meer omdat het hof van alle gedingstukken kennis heeft genomen. Bespreking van grief 2, waarmee [appellanten] klagen over de feitenvastsstelling door de rechtbank, kan eveneens bij gebrek aan belang achterwege blijven, aangezien het hof de feiten zelfstandig heeft vastgesteld. Grief 9 strekt ertoe dat [appellanten] door de rechtbank ten onrechte niet tot bewijslevering zijn toegelaten. Aangezien [appellanten] in hoger beroep wel tot bewijslevering zijn toegelaten, is het belang aan deze grief eveneens komen te ontvallen. Grief 11, die betrekking heeft op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg, faalt in het verlengde van de andere grieven eveneens.
De slotsom luidt derhalve dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd. [appellanten] zullen als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De proceskosten in hoger beroep zullen worden vastgesteld op € 284,- aan verschotten en op € 1.896,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (gemaximeerd op drie punten in tarief I).
De beslissing
Het hof, rechtdoende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank van 16 maart 2011;
veroordeelt [appellanten] in de proceskosten van het geding in hoger beroep en stelt deze
kosten aan de zijde van [geïntimeerde] vast op € 284,- aan verschotten en op € 1.896,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, en verklaart dit arrest in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. H. de Hek en mr. A.M. Koene, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 25 november 2014.