Civiel recht overig

Vervolg op: ECLI:NL:GHARL:2018:6781 Erfrecht. Geschil van twee zussen over de afwikkeling van de nalatenschap…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 11 december 2018

Zaakgegevens

Op 11 december 2018 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Arnhem
Datum uitspraak
11 december 2018
Datum publicatie
11 december 2018
Zaaknummer
200.167.690
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R.A van Huussen, mr. F.P. van Dalen
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2018:10757
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolg op: ECLI:NL:GHARL:2018:6781

Erfrecht. Geschil van twee zussen over de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders. Is het laatste testament van de vader van partijen, dat hij heeft gemaakt bij notariële akte, een vervalsing? Dwingend bewijs notariële akte, behoudens tegenbewijs.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.167.690

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Arnhem 210333)

arrest van 11 december 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats1] , Frankrijk,

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

hierna: [appellante] ,

advocaat: mr. R.A. van Huussen,

tegen:

1 [geïntimeerde1] ,

2. [geïntimeerde2],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

beiden wonende te [woonplaats2] ,

hierna: [geïntimeerde1] respectievelijk [geïntimeerde2] of (samen) [geïntimeerde1] c.s. (enkelvoud),

advocaat: mr. F.P. van Dalen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het arrest van 24 juli 2018 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

? de akte aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s.;

? de antwoordakte aan de zijde van [appellante] .

1.3

Het hof heeft arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in het incidenteel hoger beroep

incidenteel hoger beroep

2.1

Het hof dient alleen nog een oordeel te geven over grief II in het incidenteel hoger beroep (rov. 2.22 van het arrest van 24 juli 2018).

2.2

Het hof is van oordeel dat is komen vast te staan dat [geïntimeerde1] c.s. een bedrag van € 19.364,01 (productie 1, zoals toegelicht in de akte aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s.) aan servicekosten heeft betaald voor het appartement van erflater in [plaats1] . [appellante] heeft dat in haar antwoordakte onvoldoende gemotiveerd betwist.

2.3

Het hof is verder aan de hand van de ingebrachte producties van oordeel dat is komen vast te staan dat het totaal van de aanslagen WOZ 2010-2018 € 2.761,86 bedraagt (productie E bij de antwoordakte aan de zijde van [appellante] ).

2.4

[appellante] is, zoals al is overwogen in het arrest van 24 juli 2018 (rov. 2.22), gehouden daarin voor 25% bij te dragen (€ 4.841,- respectievelijk € 690,46). Hetgeen [appellante] in haar antwoordakte (of beter gezegd de feitelijk door haar zelf geschreven antwoordakte) aanvoert kan niet leiden tot heroverweging van deze bindende eindbeslissing.

2.5

Daarnaast is [appellante] gehouden met ingang van 1 september 2018 tot aan de levering van het appartement aan een derde of aan een van de deelgenoten aan [geïntimeerde1] c.s. een bedrag van € 43,75 per maand te betalen (servicekosten zoals gespecificeerd in productie 1 bij de akte aan de zijde van [geïntimeerde1] c.s. en in de akte nader genoemd).

2.6

Het hof zal aldus beslissen en de kosten van het incidenteel hoger beroep compenseren als volgt.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incidenteel hoger beroep

veroordeelt [appellante] aan [geïntimeerde1] c.s. te € 5.531,46 (€ 4.841,- respectievelijk € 690,46) te betalen;

veroordeelt [appellante] met ingang van 1 september 2018 en totdat het appartement van erflater in [plaats1] is geleverd aan een derde of aan een deelgenoot aan [geïntimeerde1] c.s. telkens € 43,75 per maand te betalen;

verklaart deze beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het incidenteel hoger beroep zo dat iedere partij haar eigen proceskosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Lieber, M.L. van der Bel en M.H.H.A. Moes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 december 2018.