Civiel recht overig
Incident tot zekerheidstelling door buitenlandse partij. Niet voldaan aan zekerheidstelling…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 15 oktober 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:8448 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 15 oktober 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-8448
Zaakgegevens
Op 15 oktober 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 15 oktober 2019
- Datum publicatie
- 15 oktober 2019
- Zaaknummer
- 200.257.080
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.M Stevers, mr. L.S Kerkman, M.A Schuring, mr. J Becker, mr. I.M.C.A Reinders Folmer
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:8448
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Incident tot zekerheidstelling door buitenlandse partij. Niet voldaan aan zekerheidstelling. Niet-ontvankelijkverklaring.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.257.080
(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 329475)
arrest in het incident van 15 oktober 2019
in de zaak van
[appellante] ,
wonende te [A] Ghana,
appellante in het hoger beroep,
verweerster in het incident,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. J.M. Stevers,
tegen:
1 de stichting Stichting Maastricht School of Management,
gevestigd te Maastricht,
hierna: MSM,
advocaat: mr. L.S. Kerkman,
2. [geïntimeerde2],
wonende te [B] ,
hierna: [geïntimeerde2] ,
advocaat: M.A. Schuring,
3. de publiekrechtelijke rechtspersoon Wageningen Universiteit/Wageningen University,
gevestigd te Wageningen,
hierna: WUR,
advocaat: mr. J. Becker,
4. de stichting Stichting Nuffic,
gevestigd te Den Haag,
hierna: Nuffic,
advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer,
geïntimeerden in hoger beroep,
eisers in het incident.
Geïntimeerden worden hierna gezamenlijk genoemd: MSM c.s.
1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
Het hof neemt de inhoud van het arrest in het incident van 9 juli 2019 hier over.
Het verdere verloop blijkt uit:
- de vier akten uitlating zekerheidstelling van MSM c.s.;
- de akte uitlaten van [appellante] .
Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof (aanvullend) overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.
3 De ontvankelijkheid van het hoger beroep
Bij arrest in het incident van 9 juli 2019 heeft het hof bevolen dat [appellante] binnen vier weken na de datum van het arrest zekerheid diende te stellen ten gunste van MSM, WUR en Nuffic voor een bedrag (voor ieder van hen) van € 4.202,00 en ten gunste van [geïntimeerde2] voor een bedrag van € 3.785,00. De zekerheid diende te worden gesteld in de vorm van een bankgarantie conform het model van de Nederlandse Vereniging van Banken.
Bij akten uitlating zekerheidstelling van 6 augustus 2019 heeft MSM c.s. aan het hof medegedeeld dat [appellante] de door het hof bepaalde zekerheid niet heeft gesteld.
In haar akte uitlaten van 3 september 2019 heeft [appellante] erkend dat zij de gevraagde zekerheid niet heeft gesteld. Zij heeft medegedeeld dat zij niet over de benodigde financiële middelen beschikt om de gevraagde garanties te geven en dat zij ook niet in staat is geweest om sponsors te vinden die haar daartoe in staat stellen. [appellante] heeft geen verlenging van de termijn gevraagd en refereert zich aan het oordeel van het hof met betrekking tot de voortzetting van de procedure in hoger beroep.
WUR, Nuffic en [geïntimeerde2] hebben in hun incidentele memories strekkende tot zekerheidstelling proceskosten al gevorderd dat [appellante] , indien zij geen zekerheid stelt,
niet-ontvankelijk wordt verklaard. Het hof gaat ervan uit dat MSM dit eveneens heeft bedoeld. Nu [appellante] de bevolen zekerheid niet heeft gesteld, zal het hof, met (analoge) toepassing van art. 616 lid 3 sub a Rv, [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.
4 De slotsom
Het hof zal [appellante] niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep. Het hof komt daarom niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de zaak.
Omdat [appellante] in het ongelijk wordt gesteld in het incident en niet-ontvankelijk wordt verklaard in het hoger beroep, zal het hof [appellante] veroordelen in de kosten van het incident en het hoger beroep. De kosten voor het hoger beroep en het incident tezamen zullen aan de zijde van MSM, WUR en Nuffic voor ieder van hen worden vastgesteld op een bedrag van
€ 741,00 aan griffierecht en een bedrag van € 1.074,00 (te weten 1 punt x appeltarief II) voor salaris advocaat. De kosten voor het hoger beroep en het incident zullen aan de zijde van [geïntimeerde2] worden vastgesteld op een bedrag van € 324,00 aan griffierecht en een bedrag van
€ 1.074,00 voor salaris advocaat. Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten toewijzen als hierna vermeld.
5 De beslissing
Het hof, recht doende:
verklaart [appellante] niet-ontvankelijk in haar hoger beroep van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland van 15 augustus 2018;
veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, daaronder mede begrepen de kosten van het incident, tot aan deze uitspraak aan de zijde van MSM, WUR, Nuffic en [geïntimeerde2] , vastgesteld op de volgende bedragen:
MSM: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
WUR: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
Nuffic: € 741,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
[geïntimeerde2] : € 324,00 voor verschotten en € 1.074,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;
voormelde kosten van het incident en van het hoger beroep dienen door [appellante] te worden voldaan binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. H.L Wattel, H. Wammes en S.C.P. Giesen en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2019.