Civiel recht overig
Artikelen 350 Fw. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, waarin de schuldsaneringsregeling ten aanzien…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 14 november 2019
ECLI:NL:GHARL:2019:9790 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 14 november 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2019-9790
Zaakgegevens
Op 14 november 2019 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 14 november 2019
- Datum publicatie
- 14 november 2019
- Zaaknummer
- 200.265.181
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. R.G. van der Laan.
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2019:9790
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Artikelen 350 Fw.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank, waarin de schuldsaneringsregeling ten aanzien van saniet tussentijds is beëindigd, bekrachtigd. Het hof heeft geoordeeld dat saniet, die al diverse kansen heeft gehad om de regeling tot een goed einde te brengen, wederom toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof zag geen aanleiding om deze tekortkomingen buiten beschouwing te laten.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM -LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.265.181
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, C/16/17/341 R)
arrest van 14 november 2019
inzake
[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant, hierna: [appellant] ,
advocaat: mr. R.G. van der Laan.
1 Het geding in eerste aanleg
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 24 mei 2017 is [appellant] (samen met zijn toenmalige echtgenote, verder te noemen: [toenmalig echtgenote] ) toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Daarbij is B. Smit benoemd tot bewindvoerder. Op dit moment is bewindvoerder: N.L. van Schijndel.
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 28 juni 2018 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] (en [toenmalig echtgenote] ) tussentijds beëindigd.
Bij arrest van dit hof van 24 september 2018 is het vonnis van 28 juni 2018 vernietigd en is bepaald dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] (en [toenmalig echtgenote] ) wordt voortgezet en is de looptijd van die regeling verlengd met twaalf maanden, tot 24 mei 2021.
Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 augustus 2019 is de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] beëindigd en is verstaan dat [appellant] van rechtswege in staat van faillissement zal verkeren zodra dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
2 Het geding in hoger beroep
Bij ter griffie van het hof op 29 augustus 2019 ingekomen verzoekschrift is [appellant] in hoger beroep gekomen van voornoemd vonnis van 23 augustus 2019 en heeft hij het hof verzocht dat vonnis te vernietigen en het verzoek tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling alsnog af te wijzen, althans de schuldsaneringsregeling te verlengen voor zover nodig om de nieuwe schulden en de achterstand te kunnen inlopen.
Het hof heeft kennisgenomen van het verzoekschrift met bijlagen, alsmede van de brief van [toenmalig echtgenote] , ingekomen op 22 oktober 2019, de brieven met bijlagen van mr. Van der Laan van 28 oktober 2019, de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 31 oktober 2019 en de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 6 november 2019.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 7 november 2019, waarbij [appellant] is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn advocaat. Voorts is de bewindvoerder verschenen.
3 De motivering van de beslissing in hoger beroep
De rechtbank heeft de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] beëindigd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieverplichting niet is nagekomen, waardoor de bewindvoerder niet in staat was om het vrij te laten bedrag en de boedelafdracht te berekenen. Ook heeft [appellant] volgens de rechtbank, sinds het bevel van de rechter-commissaris van 26 maart 2018 om zijn onderneming op te heffen, niet voldaan aan de sollicitatieverplichting. Voorts heeft [appellant] tijdens de schuldsaneringsregeling nieuwe schulden laten ontstaan. De rechtbank achtte bovendien sprake van benadeling van de schuldeisers.
[appellant] kan zich met de beslissing van de rechtbank niet verenigen. Hij stelt
in zijn beroepschrift dat er weliswaar sprake is van nieuwe schulden, maar dat hij bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep zal toelichten dat deze schuldenlast niet bovenmatig is en dat er betalingsregelingen zijn, zodat deze nieuwe schulden volgens hem niet kunnen leiden tot een beëindiging van de schuldsaneringsregeling.
[appellant] stelt voorts in zijn beroepschrift dat de hoogte van boedelachterstand nog niet vast staat en dat hij nog graag gelegenheid krijgt om een eventuele achterstand in te lopen.
[appellant] erkent dat er sprake is van tekortkomingen, maar stelt dat deze gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden niet tot een tussentijdse beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling dienen te leiden.
Het hof overweegt als volgt. Dit hof heeft in zijn arrest van 24 september 2018
overwogen dat [appellant] op dat moment toerekenbaar was tekortgeschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de schuldsaneringsregeling. Desondanks heeft het hof [appellant] nog een kans gegeven alsnog op correcte wijze aan die verplichtingen te voldoen en daartoe de looptijd van de regeling verlengd. Tijdens de zitting bij het hof heeft [appellant] erkend dat hij ook in de periode na september 2018 niet op correcte wijze heeft voldaan aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en dat nieuwe problemen zijn ontstaan. Zo heeft hij erkend dat hij wederom en bij herhaling onvoldoende informatie aan de bewindvoerder heeft gezonden. De bewindvoerder heeft ter zitting - onweersproken - verklaard dat zij daardoor niet in staat is geweest om het vrij te laten bedrag en de boedelafdracht te berekenen en dat de reeds vaststaande (maar mogelijk dus hogere) achterstand op de boedelrekening op dit moment € 2.433,93 bedraagt. Voorts blijkt uit het overzicht van de bewindvoerder (in het geding gebracht bij brief van 6 november 2019) dat tijdens de regeling nieuwe schulden ter hoogte van ruim € 15.000,- zijn ontstaan die (nagenoeg) alle verband houden met de door hem tot eind juni 2019 voortgezette onderneming [onderneming] . Eventuele schadeclaims van klagende opdrachtgevers die zich bij de bewindvoerder hebben gemeld, zijn daar nog niet in begrepen. Ook het bestaan van deze, naar het oordeel van het hof aanzienlijke, nieuwe schuldenlast is door [appellant] niet weersproken. De door [appellant] in zijn beroepschrift toegezegde toelichting, waaruit volgens hem zou blijken dat hij met een betalingsregeling in staat zal zijn deze nieuwe schulden en de boedelachterstand binnen de looptijd van de regeling af te lossen, is uitgebleven. Het hof is van oordeel dat sprake is van toerekenbare tekortkomingen die een beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling rechtvaardigen. Het hof ziet in de door [appellant] genoemde persoonlijke omstandigheden, zoals de problemen rond zijn echtscheiding en de bedrijfsbeëindiging, geen aanleiding om deze tekortkomingen buiten beschouwing te laten en de schuldsaneringsregeling, ook niet met een verlenging van de looptijd, in stand te laten.
De in hoger beroep aangevoerde gronden treffen geen doel. Van omstandigheden op grond waarvan de schuldsaneringsregeling zou moeten voortduren is onvoldoende gebleken. Het vonnis waarvan beroep zal dan ook worden bekrachtigd.
4 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 23 augustus 2019.
Dit arrest is gewezen door mrs. A.S. Gratama, D. Stoutjesdijk en D.M.I. de Waele, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door mr. De Waele en is op 14 november 2019 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.