Civiel recht overig
118 Rv. Enkele percelen vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap waarvan beide echtelieden inmiddels zijn…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 4 mei 2021
ECLI:NL:GHARL:2021:4293 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 4 mei 2021
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2021-4293
Zaakgegevens
Op 4 mei 2021 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 4 mei 2021
- Datum publicatie
- 4 mei 2021
- Zaaknummer
- 200.276.486
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B Nijman, mr. P.J.W.M. Theunissen
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2021:4293
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
118 Rv. Enkele percelen vallen in de ontbonden huwelijksgemeenschap waarvan beide echtelieden inmiddels zijn overleden. De erven van de vrouw zeggen dat de man de percelen onbevoegd heeft verpacht. De erven van de vrouw moeten de erven van de man in het geding oproepen als deelgenoten in de ontbonden huwelijksgemeenschap en de nalatenschap van de vrouw en medeverpachters van de percelen.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht, handel
zaaknummer gerechtshof 200.276.486
(zaaknummer rechtbank 7919946)
arrest van de pachtkamer van 4 mei 2021
in de zaak van
1 [appellant 1] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
2. [appellant 2] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
3. [appellant 3] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
4. [appellant 4] ,
wonende te [woonplaats] ,
5. [appellant 5] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
6. [appellant 6] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
7. [appellant 7] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
8. [appellant 8] ,
wonende te [woonplaats] ,
9. [appellant 9] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
10. [appellant 10] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
11. [appellant 11] ,
wonende te [woonplaats] ,
12. [appellant 12] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
13. [appellant 13] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
14. [appellant 14] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
15. [appellant 15] ,
wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,
16. [appellant 16] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
17. [appellant 17] ,
wonende te [woonplaats] ,
18. [appellant 18] ,
wonende te [woonplaats] ,
19. [appellant 19] ,
wonende te [woonplaats] ( [land] ),
20. [appellant 20] ,
wonende te [woonplaats] ,
21. [appellant 21] ,
wonende te [woonplaats] ,
22. [appellant 22] ,
wonende te [woonplaats] ,
23. [appellant 23] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,
in eerste aanleg: eisers,
hierna: de erven [van de vrouw] ,
advocaat: mr. B. Nijman,
tegen:
1 [geïntimeerde 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [geïntimeerde 2] ,
wonende te [woonplaats] (gemeente [gemeente] ),
geïntimeerden,
in eerste aanleg: gedaagden,
hierna: [de pachter] ,
advocaat: mr. P.J.W.M. Theunissen.
1 Het procesverloop tot nu toe
Het hof heeft op 15 september 2020 een tussenarrest gewezen. Daarin heeft het hof het procesverloop tot dan toe beschreven en een zitting aangekondigd.
Op 21 januari 2021 heeft de zitting plaatsgevonden. Aan het eind van de zitting hebben partijen vier weken uitstel gevraagd om te proberen met elkaar tot overeenstemming te komen. Dat is niet gelukt. Daarna heeft het hof arrest bepaald.
2 De beoordeling van het hoger beroep
[de vrouw] (hierna [de vrouw] ) en [de man] (hierna [de man] ) waren bij leven met elkaar gehuwd in gemeenschap van goederen. [de vrouw] is op 2 februari 2001 overleden en [de man] op 11 december 2017. De ontbonden huwelijksgemeenschap van [de vrouw] en [de man] is niet verdeeld. De nalatenschappen van [de vrouw] en [de man] zijn ook nog onverdeeld. Er zijn dus drie onverdeelde gemeenschappen.
Na het overlijden van [de vrouw] heeft [de man] in november 2008 enkele percelen grond regulier verpacht aan [de pachter] . De erven [van de vrouw] vinden dat [de man] onbevoegd de gronden aan [de pachter] heeft verpacht en willen in deze procedure dat vast komt te staan dat er geen pachtovereenkomst (meer) (jegens hen) is. Daarnaast vorderen zij schadevergoeding tot een bedrag van € 10.000. [de pachter] beroept zich op goede trouw en derdenbescherming.
De erven [van de man] zijn rechtsopvolger onder algemene titel van [de man] en daarmee ook van zijn hoedanigheid van deelgenoot in de ontbonden huwelijkse gemeenschap en de nalatenschap van [de vrouw] . Daarnaast zijn zij medeverpachter, aangenomen dat er een pachtovereenkomst bestaat. De eventuele afwijzing van de vorderingen van de erven [van de vrouw] brengt mee dat het hof uitgaat van een pachtverhouding die aan de erven [van de vrouw] én de erven [van de man] kan worden tegengeworpen. Een eventuele toewijzing daarvan doet vaststaan dat [de man] onbevoegd heeft gehandeld, waarvan de erven [van de man] mogelijk de gevolgen moeten dragen. Het hof is daarom van oordeel dat de erven [van de vrouw] niet zonder de erven [van de man] kunnen procederen over de vraag of de in de onverdeelde huwelijksgemeenschap vallende percelen al dan niet bevoegdelijk zijn verpacht (en dus of er een pachtverhouding bestaat). Er is sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Het hof stelt de erven [van de vrouw] daarom in de gelegenheid de erven [van de man] in dit geding op te roepen op de voet van artikel 118 Rv.
Na de oproeping zijn de erven [van de man] partij in de procedure en kunnen zij desgewenst bij memorie een standpunt aan het hof ter beoordeling voorleggen.
Slotsom
De erven [van de vrouw] worden in de gelegenheid gesteld de erven [van de man] op te roepen. De erven [van de vrouw] zullen bij akte een afschrift in het geding moeten brengen van het exploot waarbij zij de erven [van de man] hebben opgeroepen om vertegenwoordigd door een advocaat in dit geding te verschijnen op de roldatum als hierna vermeld. Verder houdt het hof iedere beslissing aan.
3 De beslissing
Het hof, recht doende in hoger beroep:
bepaalt dat de erven [van de vrouw] de erven [van de man] moeten oproepen om te verschijnen op roldatum 1 juni 2021;
verwijst de zaak naar die roldatum voor akte in geding brengen exploot aan de zijde van de erven [van de vrouw] ;
bepaalt dat de erven [van de man] op die roldatum in het geding kunnen verschijnen, waarna zij een memorie kunnen nemen met hun standpunt;
houdt verder iedere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, D.H. Witte en B.J.H. Hofstee en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 mei 2021.