Civiel recht overig

Geschil over aansprakelijkheid in verband met levering van vervuild mengvoer aan pluimveehouders in…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 19 september 2023

Zaakgegevens

Op 19 september 2023 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
19 september 2023
Datum publicatie
19 september 2023
Zaaknummer
200.292.817/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M.J.G. Peters, mr. M.R. Ruygvoorn
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2023:7875
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Geschil over aansprakelijkheid in verband met levering van vervuild mengvoer aan pluimveehouders in Duitsland. Toepassing van onder meer artikel 35/38 en 39 Weens Koopverdrag. Het hof kwam in een tussenarrest (ECLI:NL:GHARL:2023:2514) net als eerder de rechtbank, tot het oordeel dat de leverancier aansprakelijk is voor de schade. Bewijsopdracht over een schadepost. In dit eindarrest is het oordeel dat het bewijs daarover niet is geleverd.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.292.817/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 202458)

arrest van 19 september 2023

in de zaak van

Aan- en Verkoopcoöperatie De Eendracht U.A.,

die is gevestigd in Rouveen,

die hoger beroep heeft ingesteld en tevens verweerder is in het incidenteel hoger beroep,

bij de rechtbank: gedaagde,

hierna: De Eendracht,

advocaat: mr. M.J.G. Peters, die kantoor houdt te Zwolle,

tegen

1 Raiffeisenbank Emsland-Mitte eG,

die is gevestigd in Klein Berßen (Duitsland),

hierna: Raiffeisenbank,

2. R+V Allgemeine Versicherungs AG,

die is gevestigd in Wiesbaden (Duitsland)

hierna: R+V,

die verweerder zijn in het principaal hoger beroep en zelf ook hoger beroep hebben ingesteld (het incidenteel hoger beroep),

bij de rechtbank: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: Raiffeisenbank c.s.,

advocaat: mr. M.R. Ruygvoorn, die kantoor houdt te Utrecht.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar en neemt over wat in het arrest van 21 maart 2023 is overwogen en beslist. Het hof heeft in dat tussenarrest Raiffeisenbank c.s. opgedragen te bewijzen dat sprake is van eieren die in de verbodsperiode zijn gelegd en die niet als biologische eieren konden worden verkocht na het einde van het handelsverbod.

1.2

Raiffeisenbank c.s. hebben na dat tussenarrest een akte uitlating genomen en De Eendracht een antwoordakte. Vervolgens hebben partijen het hof verzocht opnieuw een arrest te wijzen.

1.3

In verband met een rechterswisseling heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld om desgewenst om een nieuwe mondelinge behandeling van de zaak te vragen ten overstaan van de nieuwe combinatie van raadsheren. Partijen hebben het hof medegedeeld dat zij geen behoefte hebben aan een nieuwe mondelinge behandeling en dat de zaak voor arrest kan blijven staan.

2 De verdere beoordeling in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het hof geeft eerst een kort resume van wat het hof in het tussenarrest van

21 maart 2023 heeft geoordeeld (tussen haakjes de rechtsoverwegingen in dat arrest):

- de vorderingen van Raiffeisenbank c.s. zijn niet verjaard (6.2-6.7);
- het beroep van De Eendracht op verval van rechten omdat Raiffeisenbank niet heeft voldaan aan artikel 38/39 Weens Koopverdrag (6.6-6.17) wordt verworpen;

- het door De Eendracht geleverde mengvoer voldoet niet aan de overeenkomsten met Raiffeisenbank (6.18-6.23);

- R+V heeft aangetoond dat zij als gesubrogeerde verzekeraar recht heeft op schadevergoeding (6.24-6.25);

- De Eendracht is aansprakelijk voor de voorzienbare schade als gevolg van de tekortkoming en zij kan zich niet op beperking van aansprakelijkheid beroepen (6.27-6.32);

- de grieven van De Eendracht over een aantal van de door de rechtbank toegewezen schadeposten slagen niet (6.33-6.37);
- het beroep van De Eendracht op schending van de schadebeperkingsplicht door Raiffeisenbank slaagt niet (6.38-6.44);

- R+V heeft in aanvulling op wat al door de rechtbank is toegewezen alleen nog recht op een aanvullend bedrag van € 5.974,75 (met wettelijke rente met ingang van de dag van betaling) als vergoeding voor advocaatkosten (7.4-7.11).

2.2

Het hof kon in het tussenarrest nog geen definitief oordeel geven over de schadepost
(€ 45.555,59) betreffende de schade die door de pluimveehouders zou zijn geleden doordat eieren die in de verbodsperiode zijn gelegd na afloop daarvan (toch) niet als biologische eieren verkocht konden worden. Het hof heeft daartoe overwogen dat tegenover de stellingen van Raiffeisenbank c.s. die zijn geadstrueerd met de bevindingen van [naam1] , die op basis van gegevens die zij van de betreffende pluimveehouders heeft gekregen berekeningen van de schade heeft gemaakt, de gemotiveerde betwisting stond van De Eendracht. Die betwisting was mede gebaseerd op de bevindingen van de door haar geraadpleegde deskundige [naam2] . Het hof heeft Raiffeisenbank c.s. daarom een bewijsopdracht gegeven, omdat zij hadden aangeboden nadere productiecijfers per pluimveehouder over te leggen en om deze pluimveehouders als getuige te horen.

2.3

Raiffeisenbank c.s. hebben geen nadere productiecijfers overgelegd en geen getuigen laten horen door het hof. In hun akte na het tussenarrest hebben zij volstaan met een verwijzing naar de bevindingen van [naam1] , die in opdracht van R+V de schadeclaims van de pluimveehouders kritisch zou hebben bekeken. Zij hebben betoogd dat de bevindingen van de heer [naam2] gebaseerd zijn op een onjuiste aanname. Hij zou er, kennelijk als gevolg van een onjuiste vertaling van het Duits naar het Nederlands, ten onrechte vanuit zijn gegaan dat de eieren niet iedere dag geraapt worden maar slechts iedere tweede of zelfs derde dag. Bovendien bevat de berekeningen van [naam2] een rekenfout (17,8% van 17,8% is niet 0,03 maar 3,17%). Daarmee, zo begrijpt het hof, kan niet van zijn bevindingen worden uitgegaan en staan de stellingen van Raiffeisenbank c.s. over deze schadepost vast. De Eendracht heeft de rekenfout erkend, maar betwist dat [naam2] van een onjuiste aanname is uitgegaan wat betreft het dagelijks rapen van de eieren. Bovendien valt weliswaar vast te stellen dat kennelijk - bijvoorbeeld in het geval van pluimveehouder [naam3] , maar ook bij andere pluimveehouders – in de verbodsperiode meer eieren zijn geraapt dan nadien zijn geleverd, maar dat die in de verbodsperiode geraapte eieren zijn afgeleverd blijkt niet uit de afrekeningen, aldus De Eendracht.

2.4

Het hof ziet voor de stelling van Raiffeisenbank c.s. dat [naam2] van een onjuiste aanname is uitgegaan wat betreft het dagelijks rapen van de eieren geen onderbouwing, noch een nader daarop toegespitst bewijsaanbod. De (impliciete) stelling dat aan diens bevindingen om die reden dan ook geen betekenis toekomt ter onderbouwing van de betwisting van De Eendracht, althans dat met de bevindingen van [naam1] het bewijs toch is geleverd wordt daarom door het hof niet gevolgd. De rekenfout die [naam2] heeft gemaakt maakt dat niet anders, want die is voor zijn verklaring niet van wezenlijk belang. Nu De Eendracht de bevindingen van [naam1] wederom gemotiveerd heeft betwist (bijvoorbeeld door te wijzen op discrepanties tussen haar cijfermatige aannames en de informatie uit de stalkaarten van de pluimveehouders) en bij gebrek aan nadere informatie afkomstig van die pluimveehouders komt het hof tot het oordeel dat Raiffeisenbank c.s. niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. De grieven 1 tot en met 7 in het incidenteel hoger beroep van Raiffeisenbank c.s. slagen niet. Hun vordering is voor wat betreft deze schadepost niet toewijsbaar.

3 De slotsom

3.1

De slotsom is dat het hof het eindvonnis van de rechtbank van 15 april 2020 in zoverre zal vernietigen dat aan R+V aanvullend een bedrag van € 5.974,75 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag van betaling door R+V zal worden toegewezen. Gelet op de uitkomst in het principaal hoger beroep van De Eendracht en het incidenteel hoger beroep van Raiffeisenbank c.s. is er geen grond voor een andere proceskostenveroordeling in de procedure bij de rechtbank. Het hof zal daarom het vonnis van de rechtbank voor het overige bekrachtigen. De uitkomst in het hoger beroep is zodanig dat het hof de proceskosten in het principaal en het incidenteel hoger beroep zal compenseren, aldus dat iedere partij geacht wordt de eigen proceskosten te dragen.

3.2

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3.3

Het hof zal het meer of anders gevorderde afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

4.1

vernietigt het vonnis van de rechtbank Overijssel van 15 april 2020 in zoverre dat het hof beslist dat De Eendracht aanvullend wordt veroordeeld om aan R+V te voldoen een bedrag van € 5.974,75 vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de dag van betaling door R+V en bekrachtigt dit vonnis voor het overige;

4.2

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten in het principaal en het incidenteel hoger beroep draagt;

4.3

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

4.4

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. J. Smit, M. Willemse en M.M. Lorist en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

19 september 2023.