Civiel recht overig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · Hoger beroep · Civiel recht overig
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 23 juni 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4225 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 23 juni 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4225
Zaakgegevens
Op 23 juni 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Leeuwarden
- Datum uitspraak
- 23 juni 2026
- Datum publicatie
- 26 juni 2026
- Zaaknummer
- 200.365.980/01
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. J.B de Jong in Almere, mr. P.C van den Berg in Utrecht
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4225
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Kostenveroordeling.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Leeuwarden
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.365.980/01
zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere , 11639135
arrest van 23 juni 2026
in de zaak van
[appellant]
die woont in [woonplaats]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. J.B. de Jong in Almere , die zich heeft onttrokken
en
Lean Lawyers LLP
die is gevestigd in Surrey (Verenigd Koninkrijk) en kantoor houdt in Utrecht
hierna: Lean Lawyers
advocaat: mr. P.C. van den Berg in Utrecht
1 Het verloop van de procedure bij de rechtbank
De procedure bij de rechtbank blijkt uit het vonnis van 12 november 2025 van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Almere .
2 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het procesverloop in hoger beroep blijkt uit het namens [appellant] uitgebrachte exploot van betekening van de dagvaarding in hoger beroep van 11 februari 2026, met oproeping van Lean Lawyers tegen de zitting van het hof van 10 maart 2026. De zaak is tegen de rolzitting van die datum aangebracht.
Aan [appellant] is een termijn gegeven voor het nemen van de memorie van grieven. Het hof heeft de zaak hiertoe op de rol van 21 april 2026 geplaatst.
Op 6 april 2026 en op 20 april 2026 is een uitstelverzoek ontvangen van [appellant] voor het nemen van de memorie van grieven. Het hof heeft [appellant] een uitstel gegeven tot 19 mei 2026 (ambtshalve peremptoir).
Op de rol van 19 mei 2026 heeft mr. De Jong zich onttrokken aan de zaak. Hij heeft zijn cliënt schriftelijk gewezen op de gevolgen daarvan. Voor het opnieuw stellen van een advocaat en het indienen van de memorie van grieven is aan [appellant] twee weken uitstel verleend tot 2 juni 2026.
Op de rol van 2 juni 2026 heeft zich voor [appellant] geen nieuwe advocaat gesteld. Namens [appellant] is dus ook geen memorie van grieven ingediend. Lean Lawyers heeft op voornoemde roldatum gevraagd om arrest te wijzen waarin een kostenveroordeling is opgenomen.
Vandaag wordt arrest gewezen op het griffiedossier.
3 De beoordeling in hoger beroep
In artikel 133 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bepaald dat indien een proceshandeling niet is verricht binnen de daarvoor gestelde termijn en daarvoor geen uitstel kan worden verkregen, het recht vervalt om de desbetreffende proceshandeling te verrichten. Op grond van artikel 353 Rv is die bepaling van overeenkomstige toepassing in hoger beroep. In art. 1.12 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven (Lpr; achttiende versie, januari 2026) is bepaald dat de termijnen ambtshalve worden nageleefd, tenzij uit dit reglement anders voortvloeit.
Op 2 juni 2026 heeft zich namens [appellant] geen nieuwe advocaat gesteld en heeft [appellant] daarom niet van grieven gediend. Hierdoor is het recht van [appellant] om een memorie van grieven te nemen vervallen. In aanmerking nemend dat dit vonnis niet in strijd is met rechtsregels van openbare orde, zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.
[appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Deze worden aan de zijde van Lean Lawyers vastgesteld op € 851,- aan griffierecht en € 456,- (0,5 punt x tarief I) voor salaris van de advocaat overeenkomstig het liquidatietarief.
4 De beslissing
Het hof:
verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep;
veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en stelt deze kosten aan de zijde van Lean Lawyers vast op € 851,- aan griffierecht en op € 456,- aan salaris advocaat;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. W.F. Boele en mr. J. Smit, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op
23 juni 2026.