Civiel recht overig
Houtworm en boktor in gekochte woning, toewijzing voorschot herstelkosten en verwijzing naar de…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 september 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:6084 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 september 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/civiel-recht/civiel-recht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-6084
Zaakgegevens
Op 22 september 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 22 september 2026
- Datum publicatie
- 22 september 2026
- Zaaknummer
- 200.344.601
- Rechtsgebied
- Civiel recht » Civiel recht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- Advocaat
- mr. B. van Treijen, mr. V.P. Melens
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:6084
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Houtworm en boktor in gekochte woning, toewijzing voorschot herstelkosten en verwijzing naar de schadestaatprocedure.
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.344.601
zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen 425030
arrest van 22 september 2026
in de zaak van
1 [appellant1]
2. [appellante2]
die wonen in [woonplaats]
hierna tezamen aangeduid als [appellanten]
advocaat: mr. B. van Treijen
en
[geïntimeerde]
die woont in [woonplaats]
advocaat: mr. V.P. Melens
1 Het verloop van de procedure in hoger beroep
Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
-
het tussenarrest van 16 december 2025 en de daarin genoemde stukken
-
een akte uitlating herstelkosten namens [appellanten] , tevens houdende vermeerdering van eis
-
een antwoordakte namens [geïntimeerde] .
Hierna heeft het hof opnieuw arrest bepaald.
2 De verdere beoordeling door het hof
In het tussenarrest van 16 december 2025 heeft het hof bepaald dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de kosten van herstel van door houtworm en boktor aangetaste delen van de woning en van de constructie onder de badkamer. Omdat het debat over de omvang van de feitelijke herstelkosten nog niet was gevoerd, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich daarover uit te laten. Daarnaast mochten partijen zich uitlaten over het bepaalde in artikel 6.3 van de algemene voorwaarden ten aanzien van de “nieuw voor oud” aftrek.
Het hof zal beslissen dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van een voorschot op de schadevergoeding en de zaak voor het overige verwijzen naar de schadestaatprocedure. Het hof licht dat hierna toe.
3 De toelichting op de beslissing van het hof
Eiswijziging wordt toegelaten
In eerste aanleg vorderde [appellanten] verklaringen voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de herstelkosten met een veroordeling tot vergoeding van de herstelkosten en deskundigenkosten, te bepalen in de schadestaatprocedure. Daarnaast vorderde [appellanten] een voorschot van € 69.606,00, buitengerechtelijke kosten te begroten over het toegewezen bedrag en met een minimum van € 1.779 en proceskosten. In de akte uitlating herstelkosten heeft [appellanten] de vorderingen gewijzigd. Wiendels heeft daarin een concreet schadebedrag van € 122.306,58 genoemd en de deskundigenkosten begroot op
€ 1.306,80. De vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure met toekenning van het voorschot heeft [appellanten] daarbij als subsidiaire vordering gehandhaafd. Daarnaast heeft [appellanten] de vordering van het bedrag aan buitengerechtelijke kosten verhoogd naar een minimum van € 1.998,06. Ten slotte heeft [appellanten] een nieuw element toegevoegd, te weten terugbetaling van de proceskosten van eerste aanleg van € 3.907, die [appellanten] aan [geïntimeerde] heeft betaald.
De eiswijziging dateert van na de memorie van grieven. Dat is in beginsel in strijd met de twee-conclusie-regel en [geïntimeerde] beroept zich daar ook op. Het hof is echter van oordeel dat er in dit geval een uitzondering op deze in beginsel strakke regel gerechtvaardigd is en dat de aard van het geschil meebrengt dat in dit stadium nog een eiswijziging kan plaatsvinden. Naar het oordeel van het hof komt de eiswijziging niet in strijd met de eisen van een goede procesorde. Het hof licht dit toe.
Voor zover de concretisering van herstelkosten en deskundigenkosten als eiswijziging zou moeten worden beschouwd, geldt dat deze invulling geven aan de eerder geformuleerde vordering van veroordeling in de herstelkosten en deskundigenkosten, te bepalen in de schadestaatprocedure. Ook de vordering van de buitengerechtelijke kosten is nader gespecificeerd, maar valt nog steeds binnen de eerder geformuleerde eis van buitengerechtelijke kosten te begroten over het toegewezen bedrag. Slechts het minimumbedrag is verhoogd, maar feitelijk blijft de vordering hetzelfde. [geïntimeerde] wordt door deze nadere concretiseringen naar het oordeel van het hof niet benadeeld. Ten aanzien van de nieuwe vordering tot terugbetaling van de proceskosten van eerste aanleg, geldt dat die vordering rechtstreeks voortvloeit uit de vernietiging van het vonnis van de rechtbank van 15 mei 2024. Het is naar het oordeel van het hof niet wenselijk als [geïntimeerde] enkel voor die vordering een nieuwe procedure aanhangig zou moeten maken.
Verwijzing naar de schadestaatprocedure
[appellanten] heeft in de akte uitlating herstelkosten een Excel sheet met een specificatie van zijn schade overgelegd en deze (deels) met facturen onderbouwd. De daarin opgenomen posten tellen op tot een bedrag van € 122.306,58. Een deel van die schadeposten wordt door [geïntimeerde] betwist. Ook betwist [geïntimeerde] dat er contante betalingen zijn gedaan, zoals het overzicht van [appellanten] aangeeft.
Het hof is van oordeel dat het op dit moment niet mogelijk is om aan de hand van de door partijen overgelegde gegevens de schade te begroten en zal verwijzen naar de schadestaatprocedure. Zo zijn er kostenposten die gemotiveerd zijn betwist en lijken niet alle door [appellanten] opgevoerde schadeposten betrekking te hebben op herstelkosten, zoals de kosten voor tijdelijke woonruimte en de kosten voor opslag van inboedel, terwijl [appellanten] enkel vergoeding van herstelkosten vordert. [geïntimeerde] heeft ook deze kosten betwist. Zonder nadere onderbouwing van [appellanten] , is onvoldoende duidelijk of en waarom deze kosten als herstelkosten voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast twisten partijen over de vraag of bij de vaststelling van de herstelkosten rekening moet worden gehouden met een “nieuw voor oud” aftrek. Volgens [appellanten] kan [geïntimeerde] geen beroep doen op bepalingen die zijn aansprakelijkheid beperken (zoals de “nieuw voor oud” aftrek in artikel 6.3 van de algemene voorwaarden) doordat hij zijn mededelingsplicht heeft geschonden. [geïntimeerde] is van mening dat wel rekening moet worden gehouden met die aftrek omdat het schenden van de mededelingsplicht alleen ziet op de vaststelling van aansprakelijkheid en niet op de schadeomvang. Het hof is van oordeel dat op grond van artikel 6.3 van de algemene voorwaarden bij de bepaling van de schade wel rekening moet worden gehouden met de aftrek “nieuw voor oud”. In de eerste plaats geldt dat het hof niet heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] zijn mededelingsplicht heeft geschonden ten aanzien van de constructie onder de badkamer (zie r.o. 3.21 van het tussenarrest). Het betoog van [appellanten] gaat daarom al niet op voor die herstelkosten. Het relevante deel van artikel 6.3 luidt als volgt: “Voor gebreken die het normale gebruik belemmeren en die niet aan koper bekend of kenbaar waren op het moment van het tot stand komen van deze koopovereenkomst is verkoper uitsluitend aansprakelijk voor de herstel kosten. Bij het vaststellen van de herstelkosten wordt rekening gehouden met de aftrek 'nieuw voor oud'. Verkoper is niet aansprakelijk voor overige (aanvullende) schade, tenzij verkoper een verwijt treft.” Hierin wordt voor de toepassing van de “nieuw voor oud” aftrek geen onderscheid gemaakt ten aanzien van de grondslag van de aansprakelijkheid. De algemene voorwaarden bevatten ook geen andere bepaling op basis waarvan de “nieuw voor oud” aftrek niet van toepassing is in het geval de verkoper zijn mededelingsplicht heeft geschonden en [geïntimeerde] heeft dat ook niet gesteld. Het voorgaande betekent dat bij de vaststelling van de herstelkosten in ieder geval een “nieuw voor oud” aftrek in acht moet worden genomen. De overgelegde stukken en gegeven toelichtingen bieden het hof echter onvoldoende aanknopingspunten om te begroten welke aftrek voor welke schadepost aan de orde zou moeten zijn. Zo heeft [geïntimeerde] bijvoorbeeld niet gesteld wat de gemiddelde levensduur is van een pannendak enerzijds en van de dragende constructie anderzijds. Het is niet ondenkbaar dat daar verschil in zit. Ook is nog onduidelijk in hoeverre de herstelkosten betrekking hebben op doorgevoerde wijzigingen aan het dak. Dit is een onderwerp dat bij uitstek in een schadestaatprocedure verder aan de orde kan komen.
[geïntimeerde] stelt nog dat de asbestclausule in artikel 6.4.3.1. van de koopovereenkomst in de weg staat aan de herstelkosten die betrekking hebben op de inventarisatie en verwijdering van asbest. [appellanten] heeft hier nog niet op kunnen reageren zodat het beginsel van hoor en wederhoor eraan in de weg staat dat het hof op dit punt een beslissing neemt. Ook dit debat zal daarom nog gevoerd moeten worden in de schadestaatprocedure.
Voorschot
Het hof ziet echter in de overgelegde stukken wel aanleiding om een voorschot op de schadevergoeding toe te wijzen. [geïntimeerde] heeft in een Excel sheet, overgelegd als productie 2HB, de posten voor behandeling van ongedierte erkend. Dit betreft een totaalbedrag van € 1.600. Ten aanzien van een aantal andere posten heeft [geïntimeerde] aangegeven dat volgens hem een 50% aftrek “nieuw voor oud” zou moeten worden toepast. Het hof begrijpt dit standpunt zo dat [geïntimeerde] daarbij erkent dat de andere 50% voor vergoeding in aanmerking komt. Dit betreft de posten: ‘Nieuw dak (incl. BTW)’, ‘Extra dakpannen’, ‘Materialen: gipsplaten (incl. BTW)’, ‘Materialen: vloerplaten OSB (incl. BTW)’, ‘Materialen: verstevigingsbalken (incl. BTW)’, ‘Materialen: stalen strip en draadstang M10 (incl. BTW)’, ‘Materialen: panlatten (incl. BTW)’, ‘Materialen: bevestigingsmaterialen (incl. BTW)’, ‘Stucadoorswerk (excl. BTW)’, ‘Extra stukadoorswerk (incl. BTW)’ en ‘Container Hoogveld’. Naar het oordeel van het hof is het waarschijnlijk dat de “nieuw voor oud” aftrek in de schadestaatprocedure op een lager percentage dan 50% worden begroot. Voor de begroting van het voorschot op de schadevergoeding, hanteert het hof een voorlopige schatting van een aftrekpercentage van 25%. Uitgaande van dit voorlopig geschatte percentage over de betreffende schadeposten, komt dit neer op een afgerond bedrag van
€ 50.000. Het hof zal daarom een voorschot toewijzen van € 50.000 + € 1.600 = € 51.600.
[geïntimeerde] heeft in productie 2 bij de antwoordakte uitlaten herstelkosten de deskundigenkosten ad € 1.306,80 erkend, zodat het hof deze ook zal toewijzen.
Buitengerechtelijke kosten
[appellanten] maakt aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten over het toegewezen bedrag en met een minimum van € 1.998,06. Volgens [geïntimeerde] liggen de door [appellanten] gevorderde kosten besloten in de proceskostenveroordeling en komen deze niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking.
[appellanten] vordert een bedrag dat is gebaseerd op het bepaalde in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit), maar zijn schadevergoedingsvordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit van toepassing is. Het hof zal de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn daarom toetsen aan de dubbele redelijkheidstoets uit artikel 6:96 lid 2 onder c BW. Dat betekent dat zowel het maken van de kosten als de omvang ervan redelijk moeten zijn. Het hof is van oordeel dat [appellanten] onvoldoende concreet heeft gesteld en onderbouwd dat (en welke) buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat deze vordering zal worden afgewezen.
De conclusie
Het hoger beroep slaagt. Omdat [geïntimeerde] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof [geïntimeerde] tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de rechtbank veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak. Dit betekent dat het hof ook de vordering van [appellanten] tot terugbetaling van de door [appellanten] aan [geïntimeerde] betaalde proceskosten van eerste aanleg van € 3.907 zal toewijzen. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat die kosten zijn betaald en terugbetaling daarvan is een logisch gevolg van het feit dat [geïntimeerde] met dit arrest in de proceskosten van beide instanties wordt veroordeeld.
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).
4 De beslissing
Het hof:
vernietigt het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 15 mei 2024 en beslist:
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de herstelkosten aan het huis wat betreft de herstellingen van de door houtworm of boktor aangetaste delen;
verklaart voor recht dat [geïntimeerde] aansprakelijk is voor de herstelkosten aan het huis wat betreft de herstellingen van de constructie onder de badkamer;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van schade aan [appellanten] ter hoogte van de herstelkosten van de door houtworm of boktor aangetaste delen en van de constructie onder de badkamer, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van € 51.600 bij wijze van voorschot op de nog vast te stellen schade van [appellanten] , te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de deskundigenkosten van € 1.306,80;
veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellanten] van € 3.907 aan proceskosten die [appellanten] op grond van het vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 15 mei 2024 aan [geïntimeerde] heeft betaald;
veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] tot aan de uitspraak van de rechtbank:
€ 1.301 aan griffierecht
€ 129,86 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 2.428 aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2 procespunten x het toepasselijke tarief € 1.214)
en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellanten] in hoger beroep:
€ 2.053 aan griffierecht
€ 136,72 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan [geïntimeerde]
€ 5.880 aan salaris van de advocaat van [appellanten] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief IV);
bepaalt dat al deze proceskosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit arrest is gewezen door mrs. C. Hoogland, M.J.P. Heijmans en P.E. Lucassen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.