Civiel recht overig

Vervolg op tussenarrest ECLI:NL:GHARL:2025:3670. Verkoper van appartementen niet geslaagd in bewijsopdracht…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.337.909/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M. Hoogenboom, mr. B.M.B. Gruppen
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6392
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Vervolg op tussenarrest ECLI:NL:GHARL:2025:3670. Verkoper van appartementen niet geslaagd in bewijsopdracht dat tussen partijen is overeengekomen dat koper verplicht was om een bepaald bedrag als onderdeel van de koopsom te betalen of aan te vullen indien aan verkoper voor verbouwingen geen subsidies werden toegekend. Vorderingen afgewezen.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.337.909/01

zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 218944

arrest van 6 oktober 2026

in de zaak van

[verkoper] ,

die woont in [woonplaats1] ,

die hoger beroep heeft ingesteld,

bij de rechtbank optrad als eiser in conventie en verweerder in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [verkoper],

advocaat: mr. M. Hoogenboom,

en

[koper] ,

die woont in [woonplaats2] ,

bij de rechtbank optrad als gedaagde in conventie en eiser in (voorwaardelijke) reconventie,

hierna: [koper],

advocaat: mr. B.M.B. Gruppen.

1 Het verdere verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

Het hof heeft in het tussenarrest van 10 juni 2025 [verkoper] toegelaten tot het leveren van bewijs. Daarop heeft [verkoper] in de enquête twee getuigen laten horen. [koper] heeft in de contra-enquête ook twee getuigen laten horen. Hiervan zijn processen-verbaal opgemaakt.

1.2

[verkoper] heeft vervolgens een memorie na getuigenverhoor genomen en daarbij overgelegd producties Q, R en S. [koper] heeft daarna een antwoordmemorie genomen en daarbij producties 18 en 19 overgelegd. [verkoper] heeft in een nadere akte nog gereageerd op de door [koper] ingediende producties. De bij deze nadere akte ingediende productie is door de rolraadsheer geweigerd.

1.3

Partijen hebben de stukken aan het hof gegeven. Het hof heeft arrest bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

De kern van de zaak en de bewijsopdracht

2.1

[verkoper] en [koper] hebben een koopovereenkomst gesloten op grond waarvan [verkoper] zeven appartementen aan de [adres1] A tot en met D en aan de [adres2] B tot en met D in [woonplaats2] aan [koper] heeft verkocht.

2.2

[verkoper] heeft betoogd dat mondeling een totale koopprijs van € 1.260.500 met [koper] is overeengekomen. Daarbij is volgens hem afgesproken dat [koper] € 28.000 van die koopsom mocht voldoen via SNN-subsidies waarvoor [verkoper] vanwege door hem gedane duurzaamheidsinvesteringen in aanmerking zou komen. [verkoper] heeft betoogd dat tot de gemaakte afspraken behoort dat [koper] dit onderdeel van de koopsom ook moet betalen als de subsidies niet (volledig) zouden worden toegekend.

2.3

Het hof heeft in het tussenarrest [verkoper] toegelaten tot het leveren van bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid:

- dat het bedrag van € 28.000 tot de (oorspronkelijk overeengekomen) koopsom van € 1.260.500 behoorde; en

- dat [koper] verplicht was het bedrag van € 28.000 als onderdeel van de (oorspronkelijk overeengekomen) koopsom aan [verkoper] te betalen of aan te vullen als de SNN-subsidies niet (of niet volledig) werden toegekend.

De getuigenverklaringen

2.4

[verkoper] heeft in de enquête de heer [naam1] en zichzelf doen horen.

2.5

[verkoper] heeft als getuige onder andere het volgende verklaard. De eerste bezichtiging was op vrijdag 2 april 2021. [verkoper] :
“ [koper] is toen gekomen. [naam1] en ik waren er ook. […] Het was [koper] die op die middag het bedrag van 1.284.000 euro noemde. Hij vroeg mij of dat een harde prijs was of dat er nog wat te onderhandelen was. Ik heb toen geantwoord dat er misschien wel wat mogelijk was. Zo heb ik gewezen op de SNN-subsidies. Die zouden een onderdeel van de koopprijs kunnen zijn en zouden hetzij door mij hetzij door hem kunnen worden aangevraagd, maar in beide gevallen zou het bedrag mij toekomen. Op die vrijdagmiddag is niet besproken wat er zou gebeuren als de SNN-subsidies niet werden verleend. Op de bespreking van 2 april 2021 hebben wij informatief een goed gesprek gehad. Er is toen geen overeenkomst gesloten.”

De tweede bezichtiging was op vrijdag 9 april 2021. [verkoper] :

“Op vrijdagmiddag 9 april waren opnieuw [koper] , [naam1] en ik aanwezig. De appartementen zijn toen opnieuw bezichtigd. Ook het tweede gesprek was een vriendelijk gesprek. [koper] vroeg mij of de 28.000 euro buiten de koopovereenkomst kon worden gehouden. Ik had daar geen probleem mee. Ik zag het als een voorwaardelijke prijsverlaging of een soort uitgestelde betaling. Ik zou in ieder geval de 28.000 euro krijgen als onderdeel van de koopsom. Het is op die bespreking geweest dat ook is besproken dat [koper] de 28.000 euro aan mij zou betalen als de SNN-subsidies niet werden uitbetaald. Daar was [koper] het mee eens. Hij zei mij dat het hem logisch leek en het een prima afspraak vond.[…]”

Over de onderhandelingen tot aan de koopovereenkomst heeft [verkoper] verklaard:

“De SNN-subsidies zijn daarna in de onderhandelingen niet meer aan de orde gekomen.[…] In de contacten die ik met [naam1] had, heb ik ook steeds gerekend met de 28.000 euro wat naast de koopsom in de koopovereenkomst betaald moest worden. Ik heb dan ook steeds gezegd welk bedrag [koper] moest betalen als de SNN-subsidies werden toegekend en welk bedrag hij aan mij moest betalen als de SNN-subsidies niet werden toegekend.”

[verkoper] verklaart over de koopovereenkomst van 26 april 2021:

“In de koopovereenkomst is wel naar deze afspraak verwezen door de bepaling dat [koper] geen aanspraak maakt op de SNN-subsidies.”

Over wat er gebeurde na de koopovereenkomst heeft [verkoper] verklaard:

“Eerst nadat de beide panden juridisch geleverd waren, kwam de SNN-subsidies weer aan de orde. […] Ik heb toen [naam1] gevraagd de SNN-subsidies aan te vragen.”

Toen de aanvragen van [verkoper] voor de SNN-subsidies waren afgewezen, is volgens [verkoper] het volgende gebeurd:

“toen duidelijk werd dat de SNN-subsidies niet aan mij werden uitbetaald, heb ik daardoor tegen [koper] gezegd dat hij mij de 28.000 euro moest betalen. Dat staat ook in het besprekingsverslag van 22 april 2022.”

2.6

De door [verkoper] opgeroepen getuige [naam1] , makelaar/vastgoedbeheerder, heeft onder andere het volgende verklaard. Over de aanloop naar de eerste bezichtiging:

“Ik ben altijd opzoek naar panden die verkocht zouden kunnen worden. […] Zo heb ik ook de gegevens van [verkoper] gevonden en heb ik hem begin 2021, ik denk eind maart, telefonisch benaderd. […] Ik ben toen samen met een klant, dat was niet [koper] , in de beide panden geweest. [….] De eerste klant met wie ik in de panden was geweest, haakte af. Ik heb toen [koper] benaderd. […]”

Over de eerste bezichtiging op 2 april 2021:

“Begin april, ik denk op 2 april 2021, heb ik met [koper] en [verkoper] de appartementen bezichtigd. […] Tijdens die bezichtiging op 2 april 2021 is zowel door [verkoper] , mij en [koper] de door [verkoper] gevraagde koopprijs van 1.284.000 euro genoemd. [koper] heeft toen gevraagd of er ruimte was voor onderhandeling. [verkoper] heeft toen aangegeven dat hij de SNN-subsidies zou aanvragen en dat dat bedrag van zeven keer 4.000 euro van de koopprijs af zou kunnen. Er is toen duidelijk gezegd door [verkoper] dat als de subsidies niet werden verkregen, [koper] dat bedrag aan hem moest betalen. Ik vond dat een redelijk voorstel van [verkoper] . [koper] is daar toen ook mee akkoord gegaan.

U vraagt mij of er toen op 2 april 2021 overeenstemming is bereikt. Nee, we zaten nog in het onderhandelingsproces. Er is later ook nog wat van de koopprijs afgegaan.”

Over de tweede bezichtiging op 9 april 2021:

“Op 9 april 2021 is er weer een bezichtiging geweest. De afspraak over de SNN-subsidies was al op 2 april 2021 gemaakt. Dat is toen op die bezichtiging herhaald.”

Vervolgens is de getuige [naam1] gevraagd naar zijn whatsappbericht van 10 april 2021:

“In het whatsappbericht van 10 april 2021 doe ik een tekstvoorstel aan [koper] en daarin staat het bedrag van 1.232.500 euro. […] In dat bericht wordt geen melding gemaakt van de 28.000 euro aan SNN-subsidies. Maar dat bedrag moet er wel bij worden opgeteld. Daarover was op 2 april 2021 een mondelinge afspraak […] gemaakt. [koper] wilde niet dat die afspraak zwart op wit kwam en moest buiten de overeenkomst blijven.”

Over de koopovereenkomst van 26 april 2021:

“In de koopovereenkomst is wel een verwijzing naar de SNN-subsidies opgenomen. Ik heb de tekst van de koopovereenkomst gemaakt en dus ook die passage. [koper] was daarmee akkoord, omdat er geen bedrag werd genoemd. […] Dat de regeling over 28.000 euro niet zwart op wit kwam, was de wens van [koper] . Dat scheelde hem kosten, zoals de overdrachtsbelasting.”

Eerder in de getuigenverklaring heeft [naam1] het over een koopovereenkomst van 2 juni 2021, maar hij zal hebben gedoeld op de leveringsakte van die datum. Getuige [naam1] verklaart:

“In de koopovereenkomst van 2 juni 2021 is een koopprijs opgenomen van 1.200.000 euro. Daarnaast gold nog de afspraak over 28.000 waarover al eerder overeenstemming was bereikt. Bovendien moest [koper] ook betalen een cashbetaling van 35.000 euro. Dat heeft hij ook gedaan.”

De getuige [naam1] is iedere alinea van zijn schriftelijke verklaring van 16 november 2022 voorgehouden. De getuige [naam1] heeft steeds verklaard dat het voorgelezene klopt en heeft over de laatste alinea in zijn verklaring verklaard:

“U zegt dat in die laatste alinea staat dat de heer [koper] op verschillende momenten na 2 juni 2021 heeft verklaard dat hij de restantkoopsom van 28.000 euro aan [verkoper] zou voldoen. Dat klopt wat er staat. In ieder geval is dat niet op schrift gebeurd, maar was dat mondeling. En dat heeft [koper] op verschillende momenten tegen mij gezegd. Wanneer dat was, dat weet ik niet meer.”

2.7

[koper] heeft in de contra-enquête zichzelf en zijn zoon [naam2] (hierna: [naam2] ) laten horen.

2.8

Getuige [koper] heeft – voor zover relevant – het volgende verklaard. Over de eerste bezichtiging op 2 april 2021:

“Op de bezichtiging op 2 april 2021 waren [verkoper] , [naam1] , mijn zoon en ik aanwezig. U moet weten dat mijn bedoeling is mijn panden door te geven aan mijn kinderen. Mijn zoon is in deze business geïnteresseerd, zodat ik in hem in principe mijn opvolger zie. […] Bij aanvang van de bezichtiging kende ik niet de vraagprijs van [verkoper] . Ik kan mij ook niet herinneren dat de vraagprijs op de bezichtiging is besproken. Op die eerste bezichtiging is ook niet gesproken over SNN-subsidies. Na afloop van de bezichtiging heb ik gezegd dat ik over de aankoop van de panden zou nadenken. […] U leest mij een passage voor in de getuigenverklaring van [verkoper] […] Nu ik dit hoor, zal op die bezichtiging een prijs genoemd zijn, maar welke prijs weet ik niet. Ik heb in ieder geval gevraagd of het een harde prijs was en of er nog wat te onderhandelen viel.”

Over de tweede bezichtiging op 9 april 2021:

“Op 9 april 2021 zijn de panden opnieuw bezichtigd. Het initiatief kwam van mij. […] Ik denk niet dat op die tweede bezichtiging over de prijs is gesproken. Op deze tweede bezichtiging waren naast [verkoper] , [naam1] en ik ook mijn zoon aanwezig. De tweede bezichtiging is afgesloten met mijn mededeling dat we erop terug zouden komen. […] Op die tweede bespreking is niet over de 28.000 euro gesproken. Dat is later gebeurd. […] Ook is niet gesproken over de SNN-subsidies.”

Over de periode na de tweede bezichtiging tot de koopovereenkomst van 26 april 2021:

“In de onderhandelingen voorafgaand aan de koopovereenkomst is niet over SNN-subsidies gesproken.”

Over de koopovereenkomst:

“De eerste keer was tijdens de bespreking van de koopovereenkomst. Daarin staat een regeling over de subsidies. Bij die passage ontbreekt een artikelnummer. Ik las het toen voor het eerst. Ik heb toen gevraagd: ‘wat bedoelen jullie hiermee?’ [verkoper] wilde toen zeker stellen dat het bedrag van de subsidie die hij had aangevraagd bij hem terecht zou komen en niet naar de koper zou gaan. Het leek mij logisch dat als hij de subsidie had aangevraagd, de subsidie naar hem ging. Ik ben toen akkoord gegaan met deze regeling. Op die bespreking is niet over 28.000 euro gesproken. Ook eerder niet trouwens. Ook is niet afgesproken dat dat bedrag in mindering kwam op de koopprijs.”

Over de periode na de koopovereenkomst:

“De eerste keer dat het bedrag van 28.000 euro genoemd is en voor mij duidelijk werd dat [verkoper] wilde dat ik dat bedrag aan hem moet betalen, is het Whatsappbericht geweest van 2 april 2022. […] Het klopt dat op 22 april 2022 ook een online bespreking is geweest waarvan [naam1] een verslag heeft gemaakt. Na die bespreking is een conceptvaststellingsovereenkomst toegezonden. Die heb ik niet getekend, want daarin stonden gekke bepalingen.”

In reactie op de getuigenverklaring van [naam1] :

“Mondelinge toezeggingen over betaling van 28.000 euro heb ik nooit gedaan.”

2.9

[naam2] heeft – voor zover relevant – verklaard. Over zijn rol:

“Inhoudelijk ben ik bij de aankoop van de panden van [verkoper] niet betrokken geweest. Ik was wel op de bezichtigingen aanwezig. De data van die bezichtigingen weet ik niet, maar ik neem aan dat de data in de stukken kloppen. Er zijn twee bezichtigingen geweest. Daarbij waren aanwezig mijn vader en ik, [naam1] en [verkoper] . […] Ik was toen 19 jaar en zat in 6 vwo. […] Mijn vader neemt mij regelmatig mee zodat ik wat kan leren. Mijn broer en ik gaan mogelijk op termijn met de panden van mijn vader verder en ik heb er affiniteit mee.”

Over de eerste bezichtiging op 2 april 2021:

“Mijn vader was op de eerste bezichtiging enthousiast. Op de eerste bezichtiging is er niet over een koopprijs gesproken, niet over 28.000 euro en ook niet over SNN-subsidies.”

Over de tweede bezichtiging op 9 april 2021:

“De tweede keer was de bezichtiging zakelijker. Er is toen wel over geld gesproken. Zo is mogelijk gesproken over factoren en huurprijs, maar ik weet dat niet meer zo precies. Dat er over geld is gesproken, weet ik nog goed, omdat ik toen in de kamer stond en uit het raam keek. Mijn vader stond bij mij en verderop stonden [verkoper] en [naam1] . Ik vond het moeilijk een houding te geven en ben er later door mijn vader op aangesproken. Ik weet zeker dat toen niet is gesproken over 28.000 euro en SNN-subsidies. Van SNN-subsidies had ik tot deze procedure nog nooit gehoord.”

Het oude bewijsrecht is van toepassing

2.10

Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. De nieuwe regels gelden voor gerechtelijke procedures die op of na 1 januari 2025 zijn gestart. Als een procedure vóór 1 januari 2025 is aangevangen, blijft het oude bewijsrecht gelden totdat de procedure bij die instantie is geëindigd. Dat volgt uit artikel XIIA van de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht dat het overgangsrecht regelt.

2.11

De procedure bij het hof is aangevangen met de appeldagvaarding van 23 januari 2024 die door [verkoper] is uitgebracht. Omdat de dagvaarding in hoger beroep vóór 1 januari 2025 is uitgebracht, is het oude bewijsrecht van toepassing op deze procedure. Dit betekent dat het hof het bewijs conform de regels van het oude bewijsrecht zal waarderen.

Uitgangspunten bewijswaardering

2.12

Op [verkoper] rust de bewijslast en daarmee het bewijsrisico. Omdat op [verkoper] de bewijslast rust, komt aan de door [verkoper] afgelegde getuigenverklaring beperkte bewijskracht toe. Hij moet worden beschouwd als partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv (oud). Zijn verklaring als partijgetuige omtrent de door hem te bewijzen feiten kunnen geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. De beperking van de bewijskracht van de verklaring van de partijgetuige geldt niet als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen, dat zij de verklaring van de partijgetuige voldoende geloofwaardig maken.

2.13

Doordat op [verkoper] de bewijslast rust is [koper] geen partijgetuige als bedoeld in artikel 164 lid 2 Rv (oud) en geldt voor zijn getuigenverklaring niet de beperkte bewijskracht als in die bepaling is bedoeld.

2.14

Anders dan [verkoper] betoogt, acht het hof de verklaring van [naam2] niet ongeloofwaardig. [naam2] heeft op heldere wijze en consistent verklaard over de gebeurtenissen tijdens de twee bezichtigingen en de reden waarom hij hierbij aanwezig was. [naam2] vergezelde zijn vader in het kader van het opdoen van ervaringen met de vastgoedportefeuille van zijn vader. Vanuit deze positie heeft hij zich niet actief met de gesprekken met [verkoper] bemoeid. Het is bepaald denkbaar dat [verkoper] en [naam1] door die bescheiden rol van [naam2] zijn aanwezigheid jaren later in het kader van de getuigenverhoren niet meer herinneren.

Bewijswaardering

2.15

Het hof komt tot de volgende bewijswaardering. De getuigenverklaringen van [verkoper] en [naam1] komen op essentiële onderdelen niet overeen. Volgens partijgetuige [verkoper] is op 2 april 2021 geopperd dat de SNN-subsidies aan hem toekomen, maar is volgens hem niet gesproken wat er zou gebeuren als zijn subsidieaanvraag werd afgewezen. Er is volgens partijgetuige [verkoper] toen hierover ook geen overeenstemming bereikt. [naam1] wijkt in zijn getuigenverklaring hiervan af. Volgens hem is op de bespreking van 2 april 2021 juist wel afgesproken dat [koper] het bedrag van € 28.000 zou betalen als [verkoper] de SNN-subsidies niet kreeg. Partijgetuige [verkoper] heeft vervolgens verklaard dat op 9 april 2021 is afgesproken dat [koper] het bedrag aan SNN-subsidies zou betalen als die subsidies niet aan hem werden verleend. Op verzoek van [koper] zou volgens [verkoper] dat bedrag buiten de koopprijs worden gehouden. Volgens [naam1] is op de bespreking van 9 april 2021 de volgens hem al op 2 april 2021 gemaakte afspraak herhaald. Na de getuigenverhoren, waarbij de getuigen onder ede zijn gehoord, heeft [naam1] op een vraag van de advocaat van [verkoper] bij e-mail van 20 april 2026 geantwoord dat hij in zijn getuigenverklaring met 2 april 2021 bedoeld heeft 9 april 2026. Op het getuigenverhoor heeft [naam1] een duidelijke en uitgesproken verklaring afgelegd. In zijn – niet onder ede – afgegeven nadere verklaring wordt niet duidelijk waarom hij zich toen vergist zou hebben. In de e-mail wordt gemeld dat hij in zijn agenda heeft gekeken. De pagina van die agenda is niet overgelegd, zodat niet kan worden nagegaan of [naam1] wat bij de data 2 en 9 april 2021 heeft gezet en zo ja wat daar stond. Ook wordt niet duidelijk wat volgens hem dan wel op 2 april 2021 is besproken. Tegen deze achtergrond hecht het hof aan deze nadere verklaring een gering gewicht toe.

De niet met elkaar in lijn afgelegde getuigenverklaringen vinden geen enkele steun in de verklaringen van [koper] en [naam2] Zij verklaren dat op beide besprekingen niet over de SNN-subsidies is gesproken, laat staan dat gesproken is over wat er zou gebeuren als de SNN-subsidies niet aan [verkoper] werden toegekend.

2.16

De door [verkoper] gestelde afspraak op de (tweede) bezichtiging vindt ook geen steun in de op de bezichtigingen gevolgde onderhandelingen. Zo ontvangt [koper] na de bezichtiging op 9 april 2021 van [naam1] het Whatsappbericht dat [verkoper] € 1.250.000 wil. In dat bericht wordt niet verwezen naar de SNN-subsidies van € 28.000 en de daarover gestelde afspraak, wat wel voor de hand had gelegen als die afspraak zo kort daarvoor was gemaakt. Ook in het tekstvoorstel van [naam1] bij Whatsappbericht van 10 april 2021, waarin het tegenbod van € 1.232.500 wordt genoemd, wordt op geen enkele wijze een verwijzing gemaakt naar die gestelde afspraak over de SNN-subsidies. Dat [koper] geen melding wilde maken van (het bedrag van) deze afspraak acht het hof niet aannemelijk. Zo is tijdens de onderhandelingen de koopprijs op verzoek van [koper] op papier verlaagd naar € 1.200.000 om de financiering bij de bank te kunnen verkrijgen waarbij het restantbedrag aan koopsom, eerst € 32.500 en later € 35.000, door [koper] contant zou worden voldaan en ook is voldaan. Deze afspraak is in een addendum bij de koopovereenkomst vastgelegd, welke op 28 april 2021 is ondertekend. Daarna is de koopsom op papier (van € 1.200.000) opnieuw verlaagd naar € 1.180.000, welke afspraak is bevestigd in de e-mails van 25 en 26 mei 2021 en de leveringsakte van 2 juni 2021. In het licht van deze omstandigheden valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom [koper] van de afspraak van € 28.000 in bijvoorbeeld e-mailberichten of een addendum geen melding zou willen, terwijl de afspraken over de verlaging van de koopsom naar € 1.200.000 en daarnaast de contante betaling van € 35.000 wel zijn vastgelegd. [verkoper] en [naam1] hebben daarvoor geen toereikende verklaring gegeven.

2.17

In de koopovereenkomst van 26 april 2021 is onder het kopje “aanvullende afspraken” een passage opgenomen waarin staat dat [koper] geen aanspraak meer kan maken op de € 4.000 subsidie. De maximale SNN-subsidie per appartement is € 4.000. De verkoop betreft 7 appartementen, zodat deze bepaling kennelijk het oog heeft op maximaal € 28.000 aan SNN-subsidies. Uit de bewoordingen van deze contractuele bepalingen blijkt alleen dat [koper] op die subsidie geen aanspraak meer kan maken. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat [koper] de aanspraak van [verkoper] voor door hem gedane investeringen waarvoor SNN-subsidie kan worden verkregen niet mag frustreren door ook aanvragen voor de SNN-subsidie in te dienen. Die kennelijk bedoeling blijkt ook uit het meer dan een jaar later opgemaakte verslag van een bespreking op 22 april 2022. [naam1] heeft in een e-mail van 23 april 2022 een samenvatting van de bespreking “inzake SNN subsidies” gegeven en daarin opgenomen:

“Uitgaande van de bestaande koopovereenkomst heeft [koper] afstand gedaan van zijn rechten tot de subsidie waardevermeerdering van het SNN, waardoor [koper] , strikt juridisch gezien, voor deze panden voornoemde subsidies niet meer mag aanvragen.”

Uit de bewoordingen van de aanvullende afspraak in de koopovereenkomst blijkt niet dat [koper] aan [verkoper] maximaal € 28.000 moet betalen als [verkoper] de SNN-subsidie niet (volledig) toegekend krijgt. Evenmin blijkt uit de bewoordingen dat dit bedrag een onderdeel is van de koopsom.

[verkoper] heeft verklaard dat met deze aanvullende afspraak is verwezen naar de afspraak die tijdens de bezichtiging is gemaakt. De tekst biedt hiervoor geen steun. Verder heeft de getuige [naam1] slechts verklaard dat de afspraak van € 28.000 ten tijde van de koopovereenkomst nog gold, maar heeft geen specifieke toelichting op deze door hem opgestelde contractuele bepaling gegeven. Getuige [naam1] heeft volstaan met de mededeling dat op verzoek van [koper] geen bedrag is genoemd. Maar dat is onjuist, doordat in de bepaling het bedrag aan subsidie van € 4.000 wordt genoemd, uit het aantal verkochte appartementen is af te leiden dat het om maximaal € 28.000 aan subsidie gaat en niet op toereikende wijze is toegelicht waarom in deze bepaling – of in een begeleidende e-mail of addendum bij de overeenkomst – niet is bepaald dat het risico op het verkrijgen van subsidie op [koper] rust, zodat bij (gedeeltelijke) afwijzing [koper] het bedrag tot maximaal € 28.000 heeft aan te vullen.

De door [verkoper] gestelde betekenis van deze aanvullende afspraak wordt ook niet gesteund door de verklaring van getuige [koper] . Volgens [koper] is de SNN-subsidie voor het eerst ter sprake gekomen tijdens de bespreking van de koopovereenkomst. Volgens [koper] wilde [verkoper] er zeker van zijn dat de door hem aangevraagde subsidie ook bij hem terecht zou komen, waarmee [koper] akkoord is gegaan. Er zijn geen andere afspraken gemaakt, aldus [koper] . Zoals hiervoor is overwogen steunen de bewoordingen van de aanvullende afspraak die uitleg van [koper] .

2.18

Na het sluiten van de koopovereenkomst en de eigendomsoverdracht van de appartementen heeft [naam1] op 3 september 2021 namens [verkoper] de SNN-subsidies aangevraagd. Op 30 november 2021 heeft [naam1] gevraagd of [koper] zijn medewerking wilde verlenen aan de ten behoeve van [verkoper] aangevraagde SNN-subsidies. [koper] heeft deze medewerking in eerste instantie geweigerd, maar na rechtstreeks Whatsappcontact tussen [koper] en [verkoper] op 11 december 2021 heeft [koper] zijn medewerking alsnog verleend door een overdrachtsformulier te ondertekenen waarin [koper] als koper de subsidieaanvraag overdraagt aan [verkoper] als verkoper. Op 16 februari 2022 heeft de SNN aan [naam1] laten weten dat de subsidieaanvraag is afgewezen, omdat “getracht is de subsidie te laten uitbetalen aan de heer [verkoper] , ondanks dat hij geen eigenaar meer is van de woning”. Daarop heeft [naam1] in april 2022 aan [koper] gevraagd of op zijn naam de aanvragen voor de subsidie konden worden ingediend. [koper] liet daarop weten dat hij geen aanvragen voor subsidies ging tekenen zonder inzage in de documenten die daarvoor nodig zijn, en dat hij geen ‘katvanger’ wil zijn die de € 28.000 aan subsidies moet terugbetalen als de plannen voor waardevermeerdering niet blijken te zijn uitgevoerd. Op 22 april 2022 heeft vervolgens een video call plaatsgevonden, waarin [koper] , [naam1] en [verkoper] hebben afgesproken dat [koper] [naam1] zal machtigen om namens hem de subsidieaanvraag in te dienen en dat [koper] op basis van die aanvraag toegekende subsidie aan [verkoper] zal betalen. Op 25 juli 2022 heeft SNN laten weten dat de subsidieaanvraag niet in behandeling is genomen, omdat deze identiek is aan de eerder ingediende aanvraag waarover al een besluit is genomen.
Het hof overweegt dat uit deze gang van zaken blijkt dat [verkoper] indringend en langdurig met [koper] contact heeft gehad om ten behoeve van hem een nieuwe subsidieaanvraag te doen. Die opstelling past niet bij de door [verkoper] gestelde afspraak dat € 28.000 onderdeel was van de koopsom en dat [koper] dat bedrag ook moest betalen indien de subsidie niet zou worden toegekend. In dat geval was het immers niet nodig geweest om [koper] ertoe te bewegen zijn medewerking te verlenen en had [verkoper] kunnen volstaan met nakoming van de volgens hem gemaakte afspraak. Verder blijkt een erkenning van de gestelde afspraak ook niet uit het hiervoor aangehaalde gespreksverslag van de video call, waar [verkoper] in zijn verklaring naar heeft verwezen. Tot slot is de blote verklaring van getuige [naam1] , die door [koper] is ontkend, dat [koper] meerdere keren tegen [naam1] zou hebben gezegd dat hij de restantkoopsom van € 28.000 zou voldoen aan [verkoper] , gelet op het voorgaande niet aannemelijk.

2.19

Het hof is van oordeel dat gelet op het voorgaande weliswaar is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat als er SNN-subsidies zouden worden ontvangen voor de door [verkoper] gedane investeringen, deze subsidies aan [verkoper] zouden toekomen. De verklaringen van [verkoper] en [naam1] zijn echter, ook in samenhang met het andere voorhanden bewijsmateriaal, onvoldoende om tot het oordeel te komen dat partijen hebben afgesproken dat het bedrag van € 28.000 aan SNN-subsidies onderdeel zou zijn van de koopprijs en dat [koper] dit bedrag ook moest betalen indien de subsidies voor de investeringen van [verkoper] niet zouden worden uitgekeerd.

2.20

De conclusie is dat [verkoper] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De primaire vordering van [verkoper] wordt dus afgewezen. Het hof zal hierna de subsidiaire vorderingen van [verkoper] beoordelen.

Betaling van € 9.611,45

2.21

[verkoper] vordert subsidiair onder meer dat [koper] wordt veroordeeld aan hem € 9.611,45, zijnde het bedrag dat [koper] aan subsidie op basis van de Regeling waardevermeerdering heeft ontvangen, te betalen. Aan deze vordering heeft [verkoper] een drietal gronden ten grondslag gelegd. Er is volgens hem sprake van een tekortkoming, althans [koper] heeft onrechtmatig gehandeld, althans [koper] is ongerechtvaardigd verrijkt.

2.22

Het hof heeft hiervoor al geoordeeld dat partijen hebben afgesproken dat de subsidie op basis van de Regeling waardevermeerdering van maximaal € 4.000 per appartement voor door [verkoper] uitgevoerde duurzaamheidswerkzaamheden aan [verkoper] toekomt.

Dit betekent niet alleen dat [koper] geen subsidie mag aanvragen van door [verkoper] uitgevoerde duurzaamheidswerkzaamheden, maar dat hij ook geen subsidie mag aanvragen voor door hemzelf uitgevoerde werkzaamheden als daarmee het maximale bedrag aan subsidie voor [verkoper] van € 4.000 per appartement wordt verminderd. Voor de beoordeling van dit laatste aspect is van belang of [verkoper] nog aanspraak kan maken op subsidie. Het hof stelt vast dat SNN tweemaal – bij brieven van 16 februari 2022 en 25 juli 2022 – de aanvragen via [naam1] voor door [verkoper] uitgevoerde duurzaamheidswerkzaamheden heeft afgewezen. SNN heeft daarbij expliciet overwogen dat [verkoper] als voormalig eigenaar niet meer voor subsidie in aanmerking komt en dat ook geen aanvragen worden gehonoreerd waarmee wordt “getracht om de subsidie te laten uitbetalen aan” [verkoper] . SNN neemt ook geen subsidieaanvragen meer in behandeling die ertoe strekken dat [verkoper] het bedrag aan subsidie ontvangt. Tegen deze besluiten hebben [verkoper] en [naam1] geen bezwaarschrift ingediend en deze hebben daarmee formele rechtskracht gekregen. Dit betekent dat het hof het ervoor houdt dat [verkoper] als voormalig eigenaar niet meer voor subsidie op basis van de regeling in aanmerking komt. [koper] schaadt dan ook in dit opzicht niet het belang van [verkoper] als [koper] subsidie voor door hemzelf uitgevoerde duurzaamheidswerkzaamheden ontvangt.

2.23

[koper] heeft als verweer met stukken onderbouwd aangevoerd dat het bedrag van € 9.611,45 betrekking heeft op door hemzelf uitgevoerde duurzaamheidswerkzaamheden waarvan hij de kosten heeft betaald. [verkoper] heeft gelet op het gemotiveerde verweer onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd dat de toegekende subsidie betrekking heeft op werkzaamheden die hij heeft uitgevoerd. Daardoor is ook geen sprake van een onrechtmatige daad van [koper] en kan evenmin worden gesteld dat [koper] ten koste van [verkoper] ongerechtvaardigd is verrijkt.

Verbod duurzaamheidssubsidies aan te vragen en lopende aanvragen intrekken

2.24

[verkoper] vordert voorts subsidiair dat het [koper] op straffe van een dwangsom wordt verboden subsidies op basis van de Regeling waardevermeerdering bij SNN aan te vragen en wordt verplicht de lopende aanvragen bij SNN in te trekken.

2.25

Uit het hiervoor overwogene volgt dat het [koper] op zichzelf vrijstaat voor door hem gedane duurzaamheidsinvesteringen bij SNN subsidie aan te vragen. Voor een verbod tot indiening of verplichting tot intrekking van aanvragen is dan ook geen grondslag.

Aanvragen subsidie ten behoeve van [verkoper]

2.26

Tot slot vordert [verkoper] dat [koper] op straffe van een dwangsom wordt verplicht op eerste schriftelijk verzoek van [verkoper] en op zijn kosten, bij SNN duurzaamheidssubsidie voor de zeven woonappartementen aan te vragen op naam van [verkoper] en/of op zijn eigen naam en zich naar behoren in te spannen om die duurzaamheidssubsidies te verkrijgen en ontvangen subsidies aan hem af te dragen. Ook voor deze vordering bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

2.27

Uit het bovenstaande volgt dat grieven 1 t/m 3 van [verkoper] falen en dat de rechtbank [verkoper] ook terecht veroordeeld heeft tot betaling van de proceskosten in conventie (grief 4 faalt).

De tegenvordering van [koper]

2.28

Met grief 5 komt [verkoper] op tegen de toewijzing van de tegenvorderingen van [koper] . Het hof heeft hierboven vastgesteld dat de door [verkoper] gepretendeerde vordering niet bestaat en dat er door hem dus ten onrechte beslag is gelegd. De tegenvordering van [koper] is dan ook terecht toegewezen. Verder is [verkoper] terecht veroordeeld in de proceskosten in reconventie. Ook grief 5 wordt dus verworpen.

De conclusie

2.29

De grieven van [verkoper] slagen niet. De primaire en subsidiaire vorderingen worden afgewezen. Omdat [verkoper] in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof hem tot betaling van de proceskosten in hoger beroep veroordelen. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak.

2.30

De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

3 De beslissing

Het hof:

3.1

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 27 december 2023;

3.2

veroordeelt [verkoper] tot betaling van de volgende proceskosten van [koper] :

€ 349,- aan griffierecht;

€ 6.680,- aan salaris van de advocaat van [koper] (4 procespunten x het toepasselijke tarief III);

3.3

bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;

3.4

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

3.5

wijst af wat verder is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. A.A.J. Smelt en mr. A.L. Goederee, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

ECLI:NL:GHARL:2025:3670. Wet van 6 maart 2024 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en enige andere wetten in verband met de vereenvoudiging en modernisering van het bewijsrecht (Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht), Stb. 2024, 62. Onder meer: HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0159 en HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC1844. HR 10 juni 2022, ECLI: NL:HR:2022:853.