Civiel recht overig

Burengeschil over uitleg en nakoming ter zitting gemaakte afspraken. Boetes verbeurd? Matiging.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.363.718/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. M. Horsten-Van Gemeren, mr. M. Goosen
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6400
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Burengeschil over uitleg en nakoming ter zitting gemaakte afspraken. Boetes verbeurd? Matiging.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof: 200.363.718/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen: 148845)

arrest van 6 oktober 2026

in de zaak van

1 [appellant1]

2. [appellant2]

die wonen in [woonplaats1]

hierna respectievelijk [appellant1], [appellant2] en gezamenlijk [appellanten]

advocaat: mr. M. Horsten-Van Gemeren

en

1 [geïntimeerde1]

2. [geïntimeerde2]

die wonen in [woonplaats1]

hierna respectievelijk [geïntimeerde1], [geïntimeerde2] en gezamenlijk [geïntimeerden]

advocaat: mr. M. Goosen

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
- de appeldagvaarding van 9 december 2025

  • de memorie van grieven

  • de memorie van antwoord tevens van grieven in voorwaardelijk incidenteel appel

  • de memorie van antwoord in voorwaardelijk incidenteel appel tevens akte uitlaten producties

1.2

Door partijen is afgezien van de mogelijkheid van een mondelinge behandeling bij het hof. Het hof zal daarom recht doen op het procesdossier.

1.3

Partijen hebben arrest gevraagd, waarna het hof de datum voor arrest heeft bepaald op heden.

2 De feiten

2.1

[appellanten] en [geïntimeerden] zijn directe buren van elkaar, die al geruime tijd in onmin met elkaar leven. In een procedure bij de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, hebben partijen over en weer vorderingen ingesteld, onder meer tot verwijdering of aanpassing van een aantal camera’s die zij hebben hangen, voorzover die zijn gericht op het perceel van de ander.

2.2

In die procedure hebben partijen over een aantal van hun geschilpunten afspraken met elkaar gemaakt die ter zitting van 3 mei 2023 zijn vastgelegd in een proces-verbaal, dat vervolgens door hen is ondertekend. Daarin staat onder meer dat tussen partijen het volgende is afgesproken:

“1. [geïntimeerden] en [appellanten] zullen per direct over en weer jegens elkaar ieder contact,

direct of indirect, dan wel via derden, schriftelijk dan wel fysiek waaronder, doch niet

beperkt, tot contact per telefoon, per sms, per e-mail of via sociale media staken en gestaákt

houden en nalaten. Ook zullen zij per direct over en weer jegens elkaar, dan wel via derden,

alle onrechtmatige gedragingen, waaronder maar niet uitsluitend, het vernielen van elkaars

goederen en het veroorzaken van onrechtmatige geluidsoverlast, staken en gestaakt houden

en nalaten.

2. [geïntimeerden] en [appellanten] zullen binnen vier weken na heden (…) over en weer hun camera's slechts richten op het eigen perceel, waarbij de bij de camera's behorende verlichting ook slechts op het eigen perceel straalt. Hiervan zullen partijen over en weer bewijs aan elkaar leveren nadat de camera's zijn aangepast.

3. [geïntimeerden] en [appellanten] verbeuren een dwangsom van € 1.000,00 per dag of een

deel daarvan indien in strijd wordt gehandeld met het onder 1 en/of 2 genoemde, met een

maximum van € 50.000,00.

(…)”

2.3

Tussen partijen is in de periode nadien onenigheid ontstaan over het al of niet nagekomen zijn van de onder 2 weergeven afspraak.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Partijen hebben allebei bij de rechtbank betoogd dat de ander zich niet aan de onder 2 genoemde afspraak gehouden heeft. In dat geschil vorderden partijen allebei dat de ander een bedrag van € 50.000 betaalt. Ook vorderden beide partijen een bevestiging (verklaring voor recht) van de rechter dat zij de genoemde afspraak zelf niet hebben geschonden en dus dat zij aan de ander geen bedrag verschuldigd zijn. Over en weer concludeerden zij tot afwijzing van wat de andere partij heeft gevorderd en dat de andere partij in de proceskosten wordt veroordeeld.

3.2

De rechtbank heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard eindvonnis van 10 september 2025 voor recht verklaard dat [geïntimeerden] jegens [appellanten] geen boetebedragen verschuldigd zijn en [appellanten] veroordeeld om de verdere executie te dezen te staken en gestaakt te houden. Ook heeft de rechtbank (naar het hof begrijpt) voor recht verklaard dat [appellanten] jegens [geïntimeerden] een boetebedrag verschuldigd zijn, dit bedrag gematigd tot

€ 20.000 en hen hoofdelijk veroordeeld tot betaling van dit bedrag. Tot slot heeft de rechtbank [appellanten] zowel in conventie als in reconventie veroordeeld in de proceskosten van [geïntimeerden] , vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

4 De vorderingen en grieven van partijen

4.1

[appellanten] vorderen in hoger beroep vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank en van de daaraan voorafgaande tussenvonnissen van 30 oktober 2024 en 16 april 2025 en, na eiswijziging, dat het hof bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad,

primair:

a. [geïntimeerden] niet-ontvankelijk verklaart in hun vorderingen uit de eerste aanleg, althans deze vorderingen afwijst en ook voor recht verklaart dat [appellanten] aan [geïntimeerden] geen dwangsom of boete verschuldigd zijn;

b. voor recht verklaart dat aan het proces-verbaal van 3 mei 2023 en de op basis daarvan uitgebrachte exploten geen rechtsgevolg toekomt;

c. [geïntimeerden] veroordeelt om verdere executiehandelingen in verband met het proces-verbaal

te staken en gestaakt te houden;

d. [geïntimeerden] hoofdelijk veroordeelt tot terugbetaling aan [appellanten] van € 25.151, welk bedrag op basis van het eindvonnis door laatstgenoemden aan [geïntimeerden] is betaald, vermeerderd met wettelijke rente;

subsidiair:

de door [geïntimeerden] opgeëiste dwangsom of boete op te heffen of te verminderen tot nihil.

Ook vorderen [appellanten] dat [geïntimeerden] worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

4.2

[geïntimeerden] hebben voorwaardelijk - voor het geval het hof oordeelt dat [appellanten] een boete verschuldigd zijn - incidenteel appel ingesteld tegen de hiervoor genoemde vonnissen en vorderen in dat kader dat het hof voor recht verklaart dat [appellanten] aan [geïntimeerden] een dwangsom dan wel boete van € 50.000, althans een in goede justitie door het hof te bepalen bedrag, verschuldigd zijn en dat het hof hen hoofdelijk veroordeelt om dit bedrag aan hen te betalen, vermeerderd met wettelijke rente. Ook vorderen [geïntimeerden] (naar het hof begrijpt) dat [appellanten] worden veroordeeld in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente en nakosten.

4.3

[appellanten] hebben de vonnissen waarvan beroep bestreden met een achttal grieven, die tot toewijzing van hun vorderingen moeten leiden. Zij komen in hun hoger beroep niet op tegen de afwijzing van hun vorderingen, alleen tegen de toewijzing van de vorderingen van [geïntimeerden] Door [geïntimeerden] zijn in voorwaardelijk incidenteel appel vier grieven tegen de vonnissen gericht.

4.4

Het hof zal hierna de grieven van partijen zoveel mogelijk thematisch/gebundeld behandelen. De beslissing zal zijn dat het hoger beroep van [appellanten] gedeeltelijk slaagt en dat het voorwaardelijk incidenteel appel faalt. Die beslissing wordt hieronder toegelicht.

5 De beoordeling

Eiswijziging

5.1

[appellanten] hebben in hoger beroep hun eis gewijzigd. [geïntimeerden] hebben zich niet tegen deze eiswijziging verzet. Het hof ziet ook geen reden de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten. De eiswijziging is in de memorie van grieven opgenomen en daarmee tijdig ingediend.

Feitenvaststelling door de rechtbank

5.2

Voor zover door partijen mocht zijn beoogd ook grieven aan te voeren tegen de feitenvaststelling door de rechtbank, overweegt het hof als volgt. Het hof heeft de feiten opnieuw vastgesteld, zodat partijen in zoverre bij de behandeling van daartegen gerichte grieven geen belang hebben. Inhoudelijke bezwaren en stellingen over de waardering en interpretatie van de feiten komen waar nodig hierna aan de orde. Voor zover het hof die bezwaren en stellingen niet specifiek behandelt worden die bezwaren geacht te zijn verworpen of als voor de beoordeling niet relevant geacht.

Is de afspraak onder 2 door [appellanten] nagekomen of niet?

5.3

In dit geschil staat de vraag centraal of [appellanten] zijn tekortgeschoten in de nakoming van de hiervoor onder 2 weergegeven afspraak (hierna ook: de afspraak onder 2) en, zo ja, wat van het door hen geschonden zijn van deze afspraak de rechtsgevolgen (moeten) zijn. Van ‘tekortschieten’ kan worden gesproken als het doen en laten van een der contractspartijen in enig opzicht ‘ten achter blijft’ bij ‘hetgeen de overeenkomst in de gegeven omstandigheden van haar vergde’. Het antwoord op de vraag wát de overeenkomst in de gegeven omstandigheden van de schuldenaar vergde - en dus ook of deze tegenover de contractuele wederpartij tekortschoot - kan slechts worden gegeven door uitleg van die overeenkomst met inachtneming van alle op dat moment relevante omstandigheden van het geval.

5.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de afspraak onder 2 uit twee elementen of delen bestaat, te weten de verplichting over en weer tot het correct “richten” van de camera’s op het eigen perceel en het over en weer ervoor zorgen dat de bij de camera's behorende verlichting slechts op het eigen perceel “straalt”. Het hof zal hierna eerst ingaan op de vraag of dit tweede deel van de afspraak onder 2 is nagekomen en vervolgens overgaan tot behandeling van het eerste deel daarvan.

Het stralen van de bij de camera’s horende verlichting op het eigen perceel

5.5

Met hun grieven 5 t/m 7 keren [appellanten] zich tegen het oordeel van de rechtbank dat zij in de nakoming van dit deel van de afspraak onder 2 tekort zijn geschoten. In dit kader verwijten zij de rechtbank onder meer dat deze dit oordeel heeft gemotiveerd door te overwegen dat [appellanten] met een combinatie van twee cameralampen en twee buitenlampen “onnodig veel licht” produceren resp. door op basis van het door [geïntimeerden] aangedragen beeldmateriaal bewezen te achten dat het licht dat daarop te zien is afkomstig is van de cameralamp van [appellanten] , terwijl de rechtbank tegelijkertijd onderkent dat dit uit het overgelegde beeldmateriaal (juist) “niet onomstotelijk blijkt”.

5.6

Met [appellanten] is het hof het eens dat de onder 2 genoemde afspraak slechts rept over “de camera’s” resp. “de bij de camera’s behorende verlichting”, die enkel “op het eigen perceel” mag “stralen”. Mede omdat het hier een ter terechtzitting in aanwezigheid van de raadslieden van partijen gemaakte afspraak betreft, op het overtreden waarvan bovendien een forse financiële sanctie is gesteld, is er - bij afwezigheid van feiten en omstandigheden in het dossier die duidelijk in een andere richting wijzen - geen reden om de door partijen in deze bewoordingen gegoten afspraak zodanig ‘op te rekken’ dat ook andere lampen of verlichting dan behorende bij de camera’s onder de werking van de afspraak zou(den) vallen. Omdat in het eindvonnis nadrukkelijk ook de (uit)straling van dergelijke andere lampen en verlichting is betrokken bij de vaststelling dat dit deel van de afspraak door [appellanten] is geschonden, heeft naar het oordeel van het hof de rechtbank aan de afspraak op dit punt een te ruime uitleg gegeven.

5.7

Daarop aansluitend is het hof het ook met [appellanten] eens dat [geïntimeerden] in eerste aanleg geen genoegzaam bewijs hebben geleverd van de stelling dat [appellanten] zich niet hebben gehouden aan de verplichting om er voor te zorgen dat de bij de camera's behorende verlichting slechts op het eigen perceel “straalt”. Zij wijzen er terecht op dat de in eerste aanleg bij akte van 14 mei 2025 door [geïntimeerden] in het geding gebrachte producties niet duidelijk maken uit welke lichtbron(n) het door hobbyfotograaf [naam1] als “best hinderlijk” ervaren licht afkomstig was en evenmin of het door hem waargenomen resp. op de foto’s weergegeven licht daadwerkelijk op het perceel van [geïntimeerden] heeft “gestraald”. Daaronder moet naar het oordeel van het hof redelijkerwijs worden verstaan dat op dat perceel lichtinval heeft plaatsgevonden, waarvan duidelijk is dat die is veroorzaakt door de “bij de camera’s (van [appellanten] ) behorende verlichting” (en dus niet door een of meer andere lichtbronnen in de nabije omgeving van het perceel). Hetzelfde euvel kleeft ook aan het door [geïntimeerden] in hoger beroep ingebrachte proces-verbaal van bevindingen van deurwaarder [naam2] , omdat dat in de sleutel is geplaatst van het al of niet optreden van “lichthinder” (een generieke term die niet in de afspraak onder 2 is opgenomen) en dus niet is toegespitst op de hier geëigende (en dus ‘engere’) vraag of op het perceel van [geïntimeerden] lichtinval is waar te nemen, waarvan duidelijk is dat die wordt veroorzaakt door bij de camera’s van [appellanten] behorende verlichting (en dus niet door een of meer andere lichtbronnen in de nabije omgeving van het perceel). Gelet op dit een en ander en in aanmerking nemend dat [appellanten] zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een proces-verbaal van bevindingen van een andere deurwaarder van respectievelijk 12 maart 2025 en 17 november 2025 hebben overgelegd, waarin die vraag wel door die deurwaarder tot richtsnoer is genomen en vervolgens ontkennend is beantwoord, acht het hof, anders dan de rechtbank, [geïntimeerden] niet geslaagd in het leveren van bewijs dat [appellanten] zich niet hebben gehouden aan de afspraak onder 2 voor wat betreft het enkel op het eigen perceel mogen stralen van de bij de eigen camera’s behorende verlichting. In zoverre slagen de grieven 5 t/m 7.

5.8

[geïntimeerden] hebben in hoger beroep bewijs aangeboden “al (hun) stellingen te bewijzen door alle middelen rechtens”. Op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad geldt dat een partij in hoger beroep tot getuigenbewijs moet worden toegelaten indien zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden. Het antwoord op de vraag of een bewijsaanbod voldoende specifiek is, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij de rechter, mede in verband met de eisen van een goede procesorde, zal moeten letten op de wijze waarop het processuele debat zich heeft ontwikkeld en het stadium waarin de procedure verkeert. Tegen het licht van deze maatstaf schiet het in algemene termen gegoten in hoger beroep gedane bewijsaanbod van [geïntimeerden] te kort. Het hof zal hen daarom niet toelaten alsnog bewijs te leveren van hun hiervoor behandelde stellingen. Voor een gerechtelijke plaatsopneming acht het hof evenmin termen aanwezig, mede omdat [geïntimeerden] niet duidelijk maken dat en waarom een plaatsopneming licht kan werpen op de vraag of resp. gedurende welke periode [appellanten] zich in het verleden niet hebben gehouden aan de verplichting om er voor te zorgen dat de bij de camera's behorende verlichting slechts op het eigen perceel “straalt”.

Het correct “richten” van de camera’s

5.9

Dan komt het hof toe aan de vraag of [appellanten] zich hebben gehouden aan de verplichting om de eigen camera's slechts te “richten” op het eigen perceel. Tussen partijen staat niet ter discussie dat door [appellanten] aan dit deel van de afspraak ook kon (en kan) worden voldaan, indien de met de eigen camera’s te genereren beelden zodanig “softwarematig worden geblokt” dat daarop niet langer (delen van) het perceel van [geïntimeerden] is (zijn) te zien, maar enkel nog het eigen perceel van [appellanten] Ook zijn partijen het erover eens dat de softwarematige ingreep die [appellanten] hebben laten uitvoeren met hun camera’s niet heeft geresulteerd in het op de camerabeelden volledig geblokt worden/zijn van het perceel van [geïntimeerden] Wel verschillen partijen van mening over de vraag wat de juridische consequentie van dit gegeven is of zou moeten zijn. Volgens [geïntimeerden] is die consequentie helder en eenduidig; zij menen dat het door [appellanten] niet naar behoren naleven van dit deel van de afspraken tot gevolg heeft gehad dat het onder 3 van het proces-verbaal genoemde totaalbedrag van € 50.000 door hen verschuldigd is geworden en aan [geïntimeerden] moet worden voldaan. [appellanten] daarentegen menen (zo begrijpt het hof) dat zij weliswaar strikt genomen niet volledig aan dit deel van de afspraak onder 2 hebben voldaan, maar wel ‘naar de geest’ ervan hebben gehandeld, omdat het niet geblokte deel van het perceel van [geïntimeerden] dat op de camerabeelden nog wel te zien is, “niet de ruimte (is) waarin [geïntimeerden] zich beweegt of zal bewegen”, resp. dat “een en ander voor [appellanten] niet herkenbaar zal zijn” en dat “daarmee de privacy van [geïntimeerden] is gewaarborgd”. Verder wijzen [appellanten] erop dat zij voor het blokken van de camerabeelden afhankelijk zijn van een derde (naar het hof uit de stukken begrijpt: het beveiligingsbedrijf dat tot de software van de camera’s van [appellanten] toegang heeft) en dat [geïntimeerden] geen, althans onvoldoende belang hebben bij het niet volledig geblokt worden van hun perceel op de camerabeelden. Het niet volledig ‘blokken’ van het perceel op de beelden levert vanwege dit alles geen tekortkoming van [appellanten] op. Een verdergaande ‘afblokking’ van de beelden zou volgens [appellanten] bovendien betekenen dat zij niet meer het zicht zouden hebben op het volledige eigen perceel en daarmee tot gevolg hebben dat hun eigen privacybelangen in het gedrang zouden komen. Voor zover toch van een tekortkoming zou kunnen worden gesproken in relatie tot dit deel van de gemaakte afspraken, doen [appellanten] een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) resp. op matiging (art. 6:94 BW) voor zover de afspraak onder 3 als een boetebeding zou hebben te gelden. Indien het bij deze afspraak om het verbeuren van dwangsommen zou gaan, vragen zij om opheffing daarvan dan wel nihilstelling.

5.10

Over dit betoog oordeelt het hof als volgt. Op het punt van de tussen partijen gevoerde discussie over de uitleg die aan de afspraak onder 3 (boete of dwangsom) moet worden gegeven, kan het hof kort zijn; uit de wet volgt dat een dwangsom alleen door een rechter (art. 611a lid 1 Rv) of arbiter (art. 611i Rv) kan worden opgelegd en niet door contractspartijen kan worden overeengekomen. Dat wordt niet anders ingeval de rechter, zoals [appellanten] stellen, druk op partijen heeft uitgeoefend om ter zitting een regeling te treffen. De afspraak onder 3 kan daarom, ook gezien de verdere formulering ervan, redelijkerwijs niet anders worden uitgelegd dan als een boetebeding in de zin van art. 6:91 e.v. BW. Het hof is het verder met de rechtbank en [geïntimeerden] eens dat het niet volledig ‘blokken’ van de beelden wel degelijk een tekortkoming van [appellanten] oplevert. Het is de keuze van [appellanten] geweest om de richting van hun camera’s niet handmatig/mechanisch aan te (laten) passen, maar om het perceel van [geïntimeerden] op de camerabeelden softwarematig te laten blokken. Dat [geïntimeerden] met deze alternatieve invulling van de onder 2 gemaakte afspraak hebben ingestemd, brengt niet mee dat zij hoeven te dulden dat dit blokken (al dan niet om technische dan wel andere redenen) niet volledig gebeurt en dus toch een gedeelte van hun perceel op de camerabeelden te zien blijft. Een dergelijk resultaat verdraagt zich niet alleen niet met de tekst van de afspraak onder 2 maar ook niet met de duidelijke ratio of strekking van deze afspraak, te weten het (voortaan) door beide buren (weer gaan) respecteren van elkaars privacy. Dat de privacybelangen van [geïntimeerden] niet door het niet volledig blokken van de camerabeelden worden geraakt, wordt weliswaar door [appellanten] gesteld, maar het hof volgt hen daarin niet, omdat deze stelling niet van een deugdelijke feitelijke onderbouwing is voorzien en bovendien gemotiveerd door [geïntimeerden] is weersproken. Laatstgenoemden wijzen er in hun memorie onder meer op dat het niet volledig blokken van hun perceel op de beelden tot gevolg heeft dat (in elk geval) een gedeelte van de oprit van [geïntimeerden] in beeld blijft, waardoor nog steeds te zien is of daar iemand weggaat, thuiskomt of zich anderszins op de oprit begeeft. Zij zeggen ook daadwerkelijk te ondervinden dat als een van hen zich op de oprit begeeft, “ [appellanten] binnen de kortste keren ook in de buurt is” en willen dat daar een einde aan komt. In het licht van dit een en ander - dat door [appellanten] niet (afdoende) is weersproken - valt niet in te zien dat het niet volledig blokken van de beelden geen tekortkoming oplevert van dit aspect van de afspraak onder 2. Voor zover [appellanten] met hun betoog dat zij voor het blokken afhankelijk zijn van het beveiligingsbedrijf waarmee zij werken, mede hebben bedoeld dat het aldus tekortschieten in de afspraak onder 2 hen niet kan worden toegerekend, miskennen zij daarmee de in art. 6:76 BW vervatte regel dat de schuldenaar die bij de uitvoering van een verbintenis gebruik maakt van de hulp van andere personen, voor hun gedragingen (waaronder ook een nalaten kan worden begrepen) op gelijke wijze als voor eigen gedragingen aansprakelijk is.

5.11

Uit het voorgaande volgt dat [appellanten] op het in de afspraak onder 2 genoemde punt van het correct richten van de camera’s inderdaad tekortgeschoten zijn, met als gevolg dat ook de onder 3 opgenomen afspraak over de financiële consequenties van zulk tekortschieten is ’getriggerd’. De grieven 2 t/m 4 en 8 van [appellanten] falen in zoverre.

5.12

Daarmee wordt de vraag relevant of het subsidiaire beroep van [appellanten] op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW) hen kan baten resp. of er termen zijn voor matiging van de boete (art. 6:94), zoals eveneens door [appellanten] bepleit.

5.13

Op zichzelf is juist dat het beroep van een schuldeiser op een boete naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn en dat een dergelijk beroep niet door de wettelijke regeling van matiging wordt geabsorbeerd of ‘overruled’. De stellingen van [appellanten] op dit punt geven het hof echter geen aanleiding voor het oordeel dat het beroep door [geïntimeerden] op de boeteclausule als zodanig naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

5.14

In relatie tot het eveneens gedane beroep op matiging heeft te gelden dat daarvoor slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit in de gegeven omstandigheden klaarblijkelijk eist. Die maatstaf brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de onverkorte toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal niet alleen moeten worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. De omstandigheden van het geval zijn uiteindelijk beslissend, en niets verhindert de rechter in dat verband (ook) gewicht toe te kennen aan de hoedanigheid van partijen.

5.15

Tegen het licht van deze tot terughoudendheid nopende maatstaf oordeelt het hof dat er inderdaad gronden zijn om in dit geval de boete te matigen. Het betreft hier een overeenkomst tussen particulieren (buren), waarbij op alle overtredingen één boetebedrag is gesteld en waarvan - anders dan de rechtbank heeft aangenomen - slechts met betrekking tot de deelafspraak omtrent het correct “richten” van de camera’s is gebleken dat [appellanten] daarin zijn tekortgeschoten. Dit tekortschieten bestaat blijkens het voorgaande bovendien niet uit een algehele niet-nakoming van de betreffende deelafspraak, maar uit een gedeeltelijke en daarmee dus onvolkomen of gebrekkige nakoming daarvan. Temeer nu [geïntimeerden] niet hebben bestreden dat [appellanten] op het punt van dit deel van de afspraken “wel stappen in de juiste richting (hebben) gezet” en van door [geïntimeerden] geleden (vermogens-) schade als gevolg van de gedeeltelijk niet-nakoming niet, althans onvoldoende, is gebleken, volgt het hof [appellanten] in hun betoog dat de gevorderde boete niet in een redelijke verhouding staat tot het door [geïntimeerden] geleden nadeel in verband met het hierover omschreven tekortschieten van [appellanten] Alle voorgaande omstandigheden tezamen in aanmerking nemend, zal het hof de boete daarom matigen tot een bedrag van € 10.000. Grief 8 zijdens [appellanten] slaagt in zoverre. Het voorgaande brengt ook mee dat de in voorwaardelijk incidenteel appel opgeworpen grieven geen doel treffen.

6 Slotsom

6.1

Het principale appel slaagt gedeeltelijk. Het voorwaardelijk incidentele appel faalt. Bij deze uitkomst van het geschil ziet het hof aanleiding de proceskosten van partijen in de beide instanties te compenseren op de wijze als hierna in het dictum bepaald.

6.2

Omdat [appellanten] in hun memorie van grieven onbetwist hebben gesteld volledig aan de veroordelingen van het eindvonnis te hebben voldaan en terugbetaling vorderen van het reeds betaalde, zal het hof [geïntimeerden] veroordelen tot terugbetaling van het bedrag dat op grond van wat hiervoor onder 5.15 en 6.1 is overwogen, teveel door [appellanten] is betaald.

6.3

De veroordeling in deze uitspraak kan ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 10 september 2025 voor wat betreft de beslissingen onder 2.7-2.10, 3.1-3.4, 3.7 en 3.9 en de daaraan ten grondslag gelegde rechtsoverwegingen;

doet in zoverre opnieuw recht,

1. matigt de door [geïntimeerden] jegens [appellanten] opgeëiste boete tot een bedrag van € 10.000;

2. verklaart voor recht dat [appellanten] het onder 1 genoemde boetebedrag aan [geïntimeerden] verschuldigd zijn;

3. veroordeelt [geïntimeerden] hoofdelijk, des de één betalende, de ander gekweten zijnde, aan [appellanten] terug te betalen een bedrag van € 15.510, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 17 september 2025;

4. verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5. compenseert de kosten in beide instanties aldus dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

6. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.S. Bakker, H. de Hek en J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.

Vgl. Parl. Gesch. Boek 6 p. 258. Vgl. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2517, NJ 2017/384, m.nt. Jac. Hijma en HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158, NJ 1981/635, m.nt. C.J.H. Brunner. Vgl. HR 4 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL9546, NJ 2010/312 Vgl. GS Verbintenissenrecht, art. 6:94 BW, aant. 3 (Schelhaas). HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986, rov. 3.4.2.