Civiel recht overig

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging in hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.368.737/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. F.C. van 't Hooft, mr. M.C.G. Voogt
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6401
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Incident tot schorsing tenuitvoerlegging in hoger beroep. De voorzieningenrechter heeft de vrouw veroordeeld om de woning die eigendom is van haar ex, te ontruimen en te verlaten. Met haar incidentele vordering wil de vrouw voorkomen dat de man het vonnis ten uitvoer legt. Inmiddels is de woning ontruimd. Het hof wijst de incidentele vordering daarom bij gebrek aan belang af.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.368.737/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 603720)

arrest in het incident ex artikel 351 Rv in kort geding van 6 oktober 2026

in de zaak van

[appellante]

die woont in [woonplaats1]

hierna: [de vrouw]

advocaat: mr. F.C. van 't Hooft, die kantoor houdt in [woonplaats1]

tegen

[geïntimeerde]

die woont in [woonplaats1]

hierna: [de man]

advocaat: mr. M.C.G. Voogt, die kantoor houdt in Breda.

1 Het verloop van de procedure in hoger beroep

1.1

[de vrouw] heeft bij exploot van 25 maart 2026 hoger beroep ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 26 februari 2026 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Lelystad. De zaak is aangebracht op de rolzitting van 12 mei 2026.

1.2

Op 8 juni 2026 heeft een regiegesprek plaatsgevonden. Op de rol van 7 juli 2026 heeft [de vrouw] de memorie van grieven ingediend. Op dezelfde dag heeft [de vrouw] een incidentele conclusie ingediend, waarin zij vordert dat de executie van het bestreden vonnis wordt geschorst met veroordeling van [de man] in de proceskosten.

1.3

Op de rol van 21 juli 2026 heeft [de man] een antwoordconclusie in het incident genomen, waarin hij concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [de vrouw] in de proceskosten.

1.4

De advocaat van [de vrouw] heeft op 24 september 2026 telefonisch aan de griffier van het hof laten weten dat [de vrouw] niet meer in de woning woont.

2 De kern van de zaak

2.1

De voorzieningenrechter heeft [de vrouw] veroordeeld om de woning die eigendom is van [de man], te ontruimen en te verlaten. Met haar incidentele vordering wil [de vrouw] voorkomen dat [de man] het vonnis ten uitvoer legt. Inmiddels is de woning ontruimd. Het hof wijst de incidentele vordering daarom af.

3 Toelichting op de beslissing van het hof

3.1

Bij de beslissing is het hof uitgegaan van de feiten zoals die zijn weergegeven in het proces-verbaal van het mondeling vonnis van de voorzieningenrechter van 26 februari 2026. Voor zover relevant in dit incident komen deze feiten op het volgende neer.

3.2

[de man] is eigenaar van de woning aan de [adres1]. Nadat de relatie tussen partijen in januari 2024 is geëindigd, woonde [de vrouw] alleen in de woning. [de man] heeft in kort geding gevorderd dat [de vrouw] wordt veroordeeld de woning te ontruimen. Die vordering is toegewezen, waarbij de voorzieningenrechter heeft bepaald dat [de vrouw] de woning dient te ontruimen binnen drie maanden na betekening van het vonnis. Het vonnis van de voorzieningenrechter is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

3.3

Nadien hebben zich nog de volgende feiten voorgedaan. Het vonnis is op 12 maart 2026 aan [de vrouw] betekend.

3.4

In het incident vordert [de vrouw] schorsing van de tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis van 26 februari 2026 en een verbod voor [de man] om de ontruiming te bewerkstelligen tijdens die schorsing, op straffe van verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van [de man] in de kosten van het incident.

3.5

[de man] heeft in zijn antwoordconclusie in het incident gesteld dat de woning op 9 juli 2026 al is ontruimd. De advocaat van [de vrouw] heeft bevestigd dat [de vrouw] niet langer in de woning woont. Gegeven het feit dat [de vrouw] de woning niet langer bewoont, is het hof van oordeel dat [de vrouw] bij toewijzing van haar incidentele vorderingen geen voldoende belang meer heeft zoals bedoeld in artikel 3:303 BW. De tenuitvoerlegging van het kortgedingvonnis van 26 februari 2026 is blijkbaar voltooid, zodat er niets (meer) valt te schorsen. De incidentele vorderingen zullen daarom worden afgewezen.

3.6

Partijen hebben over en weer gevorderd dat de ander wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van dit incident. De beslissing over de kosten van het incident zal echter worden gereserveerd tot de einduitspraak. De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om verder te procederen.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident ex artikel 351 Rv

4.1

wijst de vordering af;

4.2

bepaalt dat omtrent de kosten zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak;

in de hoofdzaak

4.3

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van (uiterlijk) dinsdag 3 november 2026 voor memorie van antwoord;

4.4

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en A.A.J. Smelt en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 oktober 2026.