Civiel recht overig

Inhoudsindicatie: Vordering tot herroeping. Artikelen 382 en 383 Rv. Uitspraak op verzet tegen de hoogte van…

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 6 oktober 2026

Zaakgegevens

Op 6 oktober 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zittingsplaats
Leeuwarden
Datum uitspraak
6 oktober 2026
Datum publicatie
6 oktober 2026
Zaaknummer
200.363.832/01
Procedure
Hoger beroep
Advocaat
mr. R.A.A. Maat
ECLI
ECLI:NL:GHARL:2026:6410
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Inhoudsindicatie: Vordering tot herroeping. Artikelen 382 en 383 Rv.

Uitspraak op verzet tegen de hoogte van het griffierecht. Het gaat hier om een herroepingsprocedure in hoger beroep. Bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht is de griffier ervan uitgegaan dat het belang van de zaak meer is dan € 100.000 maar niet meer dan € 1.000.000. Beide partijen is daarom € 7.003 aan griffierecht in rekening gebracht. Eén van de partijen heeft hiertegen verzet aangetekend. Volgens die partij zou het griffierecht moeten worden vastgesteld op € 851, ervan uitgaande dat de herroeping een zaak van onbepaalde waarde is. Het hof verwerpt dit standpunt. Conform de wet wordt de hoogte van het griffierecht bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift. Volgens de Hoge Raad is de wettelijke regeling erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak. Indien de herroeping zou slagen, zou dat neerkomen op het alsnog afwijzen van een vordering tot betaling van € 250.000. Het financiële belang van de zaak is dan ook meer dan € 100.000 maar niet meer dan € 1.000.000. Het hof concludeert daarom dat het griffierecht goed is vastgesteld en verklaart het verzet ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.363.832/01

beschikking van 6 oktober 2026 op het verzet ex art. 29 van de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in de zaak van

Laured B.V.

die is gevestigd in Bosch en Duin

hierna: Laured

advocaat: mr. R.A.A. Maat, die kantoor houdt in Goes

tegen

de griffier van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (de griffier).

1 Het procesverloop

1.1

Het hof heeft in een kort geding tussen Laured en Coöperatie Employee Benefits Competence Centre U.A., gevestigd in Hilversum (hierna: EBCC), op 9 januari 2024 eindarrest gewezen (zaaknummer 200.329.674/01).

1.2

Op 12 januari 2026 heeft EBCC een dagvaarding tot herroeping van voormeld arrest uitgebracht, waarbij Laured is opgeroepen voor de zitting van het hof op 20 januari 2026.

1.3

De griffier heeft het door partijen te betalen griffierecht op 13 januari 2026 vastgesteld op € 7.003. Laured heeft het griffierecht op 20 januari 2026 voldaan.

1.4

Laured is bij verzetschrift van 12 februari 2026 in verzet gekomen tegen de vaststelling van het griffierecht. Laured heeft op 11 mei 2026 per e-mail laten weten dat zij afziet van een mondelinge behandeling van haar verzetschrift.

2 De beoordeling

2.1

Bij de vaststelling van de hoogte van het griffierecht is de griffier ervan uitgegaan dat het belang van de zaak meer is dan € 100.000 maar niet meer dan € 1.000.000.

2.2

Volgens Laured zou het griffierecht moeten worden vastgesteld op € 851, ervan uitgaande dat het een zaak van onbepaalde waarde betreft. Laured wijst erop dat EBCC in het herroepingsexploot vordert dat het arrest van 9 januari 2024 wordt herroepen, dat de vorderingen van Laured alsnog worden afgewezen en dat Laured wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten in beide instanties. Omdat de door EBCC ingestelde vordering niet strekt tot betaling van een geldsom, is de herroepingsprocedure een zaak van onbepaalde waarde. De hoogte van het griffierecht wordt immers bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding, aldus Laured. Zij verwijst hierbij tevens naar een andere herroepingszaak waarin het griffierecht is geheven dat behoort bij een vordering van onbepaalde waarde.

2.3

Het hof overweegt dat de hoogte van het griffierecht wordt bepaald aan de hand van de vordering in de dagvaarding dan wel het verzoek in het verzoekschrift of het beroepschrift (art. 10 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken). Volgens rechtspraak van de Hoge Raad is deze regeling erop gericht het griffierecht, wat de hoogte betreft, te relateren aan de waarde van de vordering en daarmee aan het financiële belang van de zaak.

2.4

In de zaak die heeft geleid tot het arrest van 9 januari 2024 heeft Laured gevorderd dat EBCC wordt veroordeeld tot betaling van een hoofdsom van € 250.000 met bijkomende veroordelingen. In hoger beroep heeft het hof die vordering toegewezen. In dat arrest van 9 januari 2024 zijn tevens een aantal bijkomende veroordelingen ten laste van EBCC en ten gunste van Laured uitgesproken.

2.5

In de herroepingsprocedure vordert EBCC dat de vorderingen van Laured, indien de aangevoerde grond voor de herroeping slaagt, alsnog worden afgewezen. Met het alsnog afwijzen van de vorderingen van Laured is dan ook een financieel belang van € 250.000 gemoeid, plus de bijkomende veroordelingen. Voor het hof staat daarmee vast dat het financiële belang dat gemoeid is met de herroepingsprocedure meer is dan € 100.000 maar niet meer dan € 1.000.000. Dat het hof in de door Laured genoemde herroeping in de onteigeningsprocedure die heeft geleid tot het arrest van 15 augustus 2023 mogelijk ten onrechte te weinig griffierecht heeft geheven, leidt niet tot een andere uitkomst.

2.6

De conclusie luidt dat het griffierecht op juiste wijze is geheven. Het verzet zal ongegrond worden verklaard.

De beslissing

Het hof:

verklaart het verzet ongegrond.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Kuiper, W.F. Boele en A.A.J. Smelt, en is in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 augustus 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6869, rechtsoverweging 4.2. Zie onder meer HR 6 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:1912.